De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Handelingen van de apostelen
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 17
In Tessalonica
[1] Via* Amfipolis en Apollonia reisden zij naar Tessalonica, waar de Joden een synagoge hadden. [2] Naar zijn gewoonte ging Paulus daarheen, en drie sabbatdagen achtereen sprak hij met hen, met de Schriften als uitgangspunt. [3] Hij verklaarde ze en legde uit dat de Messias* moest lijden en uit de doden opstaan. ‘En de Messias,’ zei hij, ‘dat is Jezus die ik u verkondig.’ [4] Sommigen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich bij Paulus en Silas aan, evenals een grote groep godvrezende* Grieken en een niet gering aantal aanzienlijke vrouwen.
     [5] Maar de Joden werden jaloers. Met de hulp van duistere figuren van de straat veroorzaakten ze een volksoploop en brachten ze de stad in rep en roer. Ze trokken op naar het huis van Jason* met de bedoeling hen voor de volksvergadering te brengen. [6] Maar toen ze hen niet konden vinden, sleurden ze Jason en nog enkele broeders voor het stadsbestuur en riepen: ‘Die mensen die de hele wereld op zijn kop zetten, zijn nu ook hier opgedoken! [7] Jason heeft hen in zijn huis opgenomen. Zij handelen allen in strijd met de keizerlijke decreten door te beweren dat er nóg een koning* is: Jezus.’ [8] Door dit te zeggen zaaiden zij verwarring onder het volk en bij het stadsbestuur, [9] dat Jason en de anderen op borgtocht* vrijliet.

In Berea
     [10] Nog diezelfde nacht lieten de broeders Paulus en Silas naar Berea* vertrekken. Ook daar gingen ze naar de synagoge van de Joden. [11] Hier waren ze vriendelijker dan in Tessalonica: ze aanvaardden hun prediking met alle bereidwilligheid en onderzochten dagelijks de Schriften of het inderdaad zo was. [12] Velen van hen kwamen tot geloof, en ook een niet gering aantal Grieken, vrouwen uit de betere kringen en mannen. [13] Maar toen de Joden uit Tessalonica te weten kwamen dat Paulus eveneens in Berea het woord van God verkondigde, kwamen ze ook daar onrust en verwarring zaaien onder het volk. [14] Daarop lieten de broeders Paulus terstond vertrekken naar de kust*, maar Silas en Timoteüs bleven daar achter. [15] Paulus werd naar Athene gebracht; daarna keerden zijn begeleiders terug met de opdracht aan Silas en Timoteüs om zich zo spoedig mogelijk bij hem te voegen.

In Athene
     [16] Paulus wachtte op hen in Athene*. Toen hij zag dat de stad vol afgodsbeelden stond, kwam zijn gemoed in opstand. [17] Hij sprak daarom in de synagoge met de Joden en de godvrezenden*, en op het stadsplein sprak hij elke dag met de mensen die hij daar aantrof. [18] Ook enkele Epicurische* en Stoïsche filosofen raakten met hem in gesprek. Sommigen zeiden: ‘Wat wil die praatjesmaker eigenlijk beweren?’ ‘Hij lijkt een verkondiger te zijn van vreemde* goden’, zeiden anderen, omdat hij over Jezus en Anastasis* predikte. [19] Zij namen hem mee naar de Areopagus* en zeiden: ‘Mogen wij weten wat dit voor een nieuwe leer is die u naar voren brengt? [20] U zegt dingen die ons nogal vreemd in de oren klinken. Wij willen graag weten waar het over gaat.’ [21] Alle Atheners en ook de buitenlanders die daar wonen, hebben immers voor niets anders tijd dan voor het vertellen of aanhoren van iets nieuws.
     [22] Paulus ging in het midden van de Areopagus staan en zei*: ‘Atheners, aan alles zie ik dat u buitengewoon godsdienstig bent. [23] Toen ik rondliep en uw heiligdommen bezichtigde, trof ik ook een altaar aan met het opschrift*: Aan de onbekende god. Welnu, wat u zonder het te kennen vereert, dat kom ik u verkondigen. [24] De God die de wereld gemaakt heeft en alles wat die bevat, de Heer van hemel en aarde, woont niet in tempels die door mensenhanden gemaakt zijn. [25] Ook laat Hij zich niet door mensenhanden bedienen, alsof Hij iets nodig had, want zelf geeft Hij aan allen leven en adem en alles. [26] Uit één mens heeft Hij heel het mensenvolk gemaakt* om overal op aarde te wonen. Hij heeft bepaalde tijden vastgesteld en hun woongebieden afgegrensd, [27] met de bedoeling dat ze God zouden zoeken en Hem wellicht tastenderwijs zouden vinden; Hij* is immers niet ver van ieder van ons. [28] Want door Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij; zoals ook enkele van uw dichters hebben gezegd:
     [28] Wij zijn van goddelijke afkomst. [29] Als we dus van goddelijke afkomst zijn, moeten we niet denken dat het goddelijke overeenkomt met goud, zilver of steen, met produkten van menselijk ambacht en menselijke verbeelding. [30] Zonder te letten op die tijden van onwetendheid zegt God nu de mensen aan dat ze zich moeten bekeren, allemaal en overal. [31] Want Hij heeft een dag vastgesteld waarop Hij de wereld rechtvaardig zal oordelen. Daar heeft Hij iemand voor aangewezen, en Hij heeft dit voor iedereen geloofwaardig gemaakt door Hem uit de doden te laten opstaan.’ [32] Toen zij hoorden over opstanding van de doden, dreven sommigen daar de spot mee, maar anderen zeiden: ‘Daarover willen wij u nog wel eens horen.’ [33] Zo vertrok Paulus uit hun midden. [34] Toch sloten enkele mensen zich bij hem aan en kwamen tot geloof. Onder hen bevonden zich ook Dionysius* de Areopagiet, een vrouw die Damaris* heette, en nog anderen.
Hoofdstuk 17
In Tessalonica en Berea
[1] Via Amfipolis en Apollonia reisden ze naar Tessalonica, waar de Joden een synagoge hadden. [2] Zoals gewoonlijk ging Paulus naar hen toe, en drie sabbatdagen achtereen debatteerde hij met hen. Aan de hand van teksten uit de Schrift [3] toonde hij aan dat de messias moest lijden en sterven en daarna uit de dood moest opstaan. ‘Deze messias,’ zo zei hij, ‘is Jezus, die ik u nu verkondig.’ [4] Sommigen lieten zich overtuigen en sloten zich aan bij Paulus en Silas, evenals veel Grieken die God vereerden, en een groot aantal vrouwen uit de hogere kringen. [5] Maar de Joden die het geloof niet hadden aanvaard, werden vervuld van jaloezie en riepen enkele raddraaiers te hulp, die een volksoploop veroorzaakten en grote beroering in de stad teweegbrachten. Ze trokken naar het huis van Jason om Paulus en Silas aan een volksgericht te onderwerpen, [6] maar toen ze hen daar niet aantroffen, sleepten ze Jason en enkele andere leerlingen mee naar de stadsprefecten, tegen wie ze schreeuwden: ‘De mensen die in het hele rijk de orde verstoren, zijn nu ook hier gekomen, [7] en Jason heeft hun onderdak verleend. Allemaal overtreden ze de verordeningen van de keizer door te beweren dat iemand anders koning is, namelijk Jezus!’ [8] De te hoop gelopen menigte en de stadsprefecten raakten in verwarring bij het horen van deze woorden. [9] Jason en de anderen werden op borgtocht vrijgelaten.
     [10] Nog diezelfde nacht stuurden de leerlingen Paulus en Silas naar Berea. Toen ze daar waren aangekomen, gingen ze naar de synagoge. [11] De Joden in Berea waren welwillender dan die in Tessalonica, want ze luisterden vol belangstelling naar de verkondiging van het evangelie en bestudeerden dagelijks de Schriften om te zien of het inderdaad waar was wat er werd gezegd. [12] Velen van hen aanvaardden dan ook het geloof, evenals een groot aantal Griekse mannen en vooraanstaande vrouwen. [13] Maar toen de Joden van Tessalonica vernamen dat Paulus ook in Berea Gods woord verkondigde, kwamen ze ook daar het volk opruien en in verwarring brengen. [14] De leerlingen stuurden Paulus toen onmiddellijk weg, naar de kust, maar Silas en Timoteüs bleven in Berea. [15] Paulus’ begeleiders brachten hem naar Athene en keerden daarna weer terug, met de opdracht om tegen Silas en Timoteüs te zeggen dat ze zich zo spoedig mogelijk bij hem moesten voegen.

Paulus in Athene
     [16] Terwijl Paulus in Athene op hen wachtte, raakte hij hevig verontwaardigd bij het zien van de vele godenbeelden in de stad. [17] In de synagoge sprak hij met de Joden en met de Grieken die God vereerden, en op het marktplein ging hij dagelijks in debat met de mensen die hij daar aantrof. [18] Onder hen waren ook enkele epicurische en stoïsche filosofen, van wie sommigen zeiden: ‘Wat beweert die praatjesmaker toch?’ Anderen merkten op: ‘Hij schijnt een boodschapper van uitheemse goden te zijn,’ omdat ze dachten dat hij predikte over Jezus en een godin die Opstanding heette. [19] Ze namen hem mee naar de Areopagus en zeiden: ‘Kunt u ons uitleggen wat die nieuwe leer is die door u wordt uitgedragen? [20] Want wat u zegt, klinkt ons vreemd in de oren; we willen graag weten wat u bedoelt.’ [21] Alle Atheners en de vreemdelingen die er wonen hebben immers voor haast niets anders tijd dan voor het uitwisselen van de nieuwste ideeën.
     [22] Paulus richtte zich tot de leden van de Areopagus en zei: ‘Atheners, ik heb gezien hoe buitengewoon godsdienstig u in ieder opzicht bent. [23] Want toen ik in de stad rondliep en alles wat u vereert nauwlettend in ogenschouw nam, ontdekte ik ook een altaar met het opschrift: “Aan de onbekende god”. Wat u vereert zonder het te kennen, dat kom ik u verkondigen. [24] De God die de wereld heeft gemaakt en alles wat er leeft, hij die over hemel en aarde heerst, woont niet in door mensenhanden gemaakte tempels. [25] Hij laat zich ook niet bedienen door mensenhanden alsof er nog iets is dat hij nodig heeft, hij die zelf aan iedereen leven en adem en al het andere schenkt. [26] Uit één mens heeft hij de hele mensheid gemaakt, die hij over de hele aarde heeft verspreid; voor elk volk heeft hij een tijdperk vastgesteld en hij heeft de grenzen van hun woongebied bepaald. [27] Het was Gods bedoeling dat ze hem zouden zoeken en hem al tastend zouden kunnen vinden, aangezien hij van niemand van ons ver weg is. [28] Want in hem leven wij, bewegen wij en zijn wij. Of, zoals ook enkele van uw eigen dichters hebben gezegd: “Uit hem komen ook wij voort.” [29] Maar als wij dan uit God voortkomen, mogen we niet denken dat het goddelijke gelijk is aan een beeld van goud of zilver of steen, het werk van een ambachtsman, door mensen bedacht. [30] God slaat echter geen acht op de tijd waarin men hem niet kende, maar roept nu overal de mensen op om een nieuw leven te beginnen, [31] want hij heeft bepaald dat er een dag komt waarop hij een rechtvaardig oordeel over de mensheid zal laten vellen door een man die hij voor dat doel heeft aangewezen. Het bewijs dat het om deze man gaat, heeft hij geleverd door hem uit de dood te doen opstaan.’
     [32] Toen ze hoorden van een opstanding van de doden dreven sommigen daar de spot mee, terwijl anderen zeiden: ‘Daarover moet u ons een andere keer nog maar eens vertellen.’ [33] Zo vertrok Paulus uit hun midden. [34] Toch sloten enkelen zich bij hem aan en aanvaardden het geloof, onder wie ook een Areopagiet, Dionysius, een vrouw die Damaris heette en nog een aantal anderen.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
 
  Disclaimer
Klik hier voor de richtlijnen voor het gebruik van deze online-versie van de Willibrord- en Nieuwe Bijbelvertaling: © 1995-2010.