Hoofdstuk 2 Geboorte van Jezus [1] In die dagen vaardigde keizer Augustus een decreet uit dat de hele wereld zich moest laten registreren. [2] Deze* eerste registratie vond plaats toen Quirinius gouverneur van Syrië was. [3] Allen gingen op weg om zich te laten inschrijven, ieder in zijn eigen stad. [4] Zo ook Jozef; hij ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad* van David, Betlehem genaamd, omdat hij uit het huis van David stamde, [5] om zich te laten inschrijven, samen met Maria, zijn verloofde, die zwanger was. [6] Terwijl ze daar waren kwam voor haar de tijd dat ze moest bevallen, [7] en ze baarde een zoon, haar eerstgeborene; ze wikkelde Hem in doeken en legde Hem in een voerbak, omdat er geen plaats voor hen was in het gastenverblijf*. [8] Er* waren daar in de buurt herders, die in het veld overnachtten om de wacht te houden bij hun kudde. [9] Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en de heerlijkheid van de Heer omstraalde hen. Ze schrokken hevig. [10] Maar de engel zei: ‘Schrik niet, want ik heb een goede boodschap voor u, een grote vreugde voor* het hele volk. [11] Vandaag is in de stad van David uw redder geboren; Hij is de Messias, de Heer. [12] Dit is het teken voor u: u zult een kind vinden dat in doeken is gewikkeld en in een voerbak ligt.’ [13] Plotseling was er bij de engel een heel leger uit de hemel; ze loofden God met de woorden: [14] ‘Glorie aan God in de hoogste hemel, en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij een welgevallen heeft.’ [15] Toen de engelen weer van hen waren weggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: ‘Kom, we gaan naar Betlehem om te zien wat er is gebeurd en ons door de Heer is bekendgemaakt.’ [16] Haastig gingen ze erheen en vonden Maria en Jozef, en het kind dat in de voerbak lag. [17] Toen ze het zagen, maakten ze bekend wat hun over dit kind was gezegd. [18] Allen* die het hoorden stonden verbaasd over wat hun door de herders werd gezegd. [19] Maria bewaarde dit alles in haar hart en dacht erover na. [20] De herders keerden terug. Zij verheerlijkten en loofden God om alles wat zij hadden gehoord en gezien; het kwam overeen met wat hun was gezegd.
Naamgeving van Jezus [21] Een week later, toen de tijd gekomen was dat Hij besneden moest worden, kreeg Hij de naam Jezus, die door de engel was genoemd voordat Hij in de moederschoot werd ontvangen.
Jezus in de tempel. Simeon en Hanna [22] Toen* de tijd gekomen was dat zij zich volgens de wet van Mozes moesten reinigen, brachten ze Hem naar Jeruzalem om Hem aan te bieden aan de Heer, [23] zoals in de wet van de Heer geschreven staat: Al het mannelijke dat de moederschoot opent, zal de Heer worden toegewijd, [24] en om een offer te brengen, volgens de wet van de Heer: een koppel tortels of twee jonge duiven. [25] Daar in Jeruzalem woonde een zekere Simeon; het was een rechtvaardige en vrome man; hij verwachtte de vertroosting van Israël en op hem rustte heilige Geest. [26] Door de heilige Geest was hem geopenbaard dat hij de dood niet zou zien voordat hij de Messias van de Heer had gezien. [27] Door de Geest geleid ging hij naar de tempel. Toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met Hem te doen wat volgens de wet gebruikelijk is, [28] nam hij Hem in zijn armen en loofde God met de woorden:
een licht dat een openbaring zal zijn voor de heidenen
en een glorie voor uw volk Israël.’
[33] Zijn vader en moeder stonden verbaasd over wat er van Hem gezegd werd. [34] Simeon zegende hen en zei tegen zijn moeder Maria: ‘Deze* jongen zal velen in Israël ten val brengen of laten opstaan. Hij zal een omstreden teken zijn [35] – ook door uw ziel zal een zwaard gaan – en zo zal onthuld worden wat er in veler harten omgaat.’ [36] Ook was daar de profetes Hanna, een dochter van Penuël, uit de stam Aser. Ze was hoogbejaard; na haar meisjesjaren was ze zeven jaar getrouwd geweest [37] en daarna weduwe gebleven; nu was ze vierentachtig. Ze was altijd in de tempel en diende God dag en nacht met vasten en bidden. [38] Juist op dit moment voegde ze zich bij hen; ze loofde God en sprak over de jongen tegen allen die de bevrijding* van Jeruzalem verwachtten. [39] Toen zij alles hadden gedaan wat de wet van de Heer bepaalt, keerden ze terug naar Galilea, naar hun woonplaats Nazaret. [40] De jongen groeide op en werd steeds sterker, omdat Hij vervuld werd van wijsheid* en door God rijkelijk werd begunstigd.
Jezus als twaalfjarige te midden van de rabbi’s in de tempel [41] Elk jaar trokken zijn ouders voor het paasfeest naar Jeruzalem. [42] Toen Hij twaalf was geworden gingen ze weer, gewoontegetrouw. [43] Toen de feestdagen voorbij waren en ze naar huis terugkeerden, bleef het kind Jezus in Jeruzalem achter, zonder dat zijn ouders het wisten. [44] In de veronderstelling dat Hij zich bij het reisgezelschap bevond, reisden ze een hele dag voordat ze Hem gingen zoeken bij familie en kennissen. [45] Maar toen ze Hem niet vonden, keerden ze naar Jeruzalem terug om Hem daar te zoeken. [46] Pas na drie dagen vonden ze Hem in de tempel; Hij zat er midden tussen de rabbi’s, luisterde naar hen en stelde hun vragen. [47] Allen die Hem hoorden, stonden versteld van zijn inzicht en zijn antwoorden. [48] Toen ze Hem daar zagen, waren ze zeer ontdaan. Zijn moeder zei: ‘Kind, hoe kon je ons dit aandoen? Wat waren je vader* en ik ongerust toen we je kwijt waren.’ [49] Hij zei tegen hen: ‘Waarom hebben jullie mij gezocht? Wisten jullie niet dat ik bij mijn Vader* moest zijn?’ [50] Maar zij begrepen deze uitspraak niet. [51] Hij ging met hen mee naar Nazaret, en schikte zich naar hen. Zijn moeder bewaarde alles in haar hart. [52] Jezus werd een wijs en volwassen man, die steeds meer in de gunst kwam bij God en de mensen.
Hoofdstuk 2 De geboorte van Jezus [1] In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. [2] Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. [3] Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. [4] Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, [5] om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. [6] Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, [7] en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad. [8] Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. [9] Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. [10] De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: [11] vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de messias,* de Heer. [12] Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’ [13] En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden:
‘Eer aan God in de hoogste hemel
en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.’*
[15] Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: ‘Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.’ [16] Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria aan en Jozef en het kind dat in de voederbak lag. [17] Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd. [18] Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, [19] maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken. [20] De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd. [21] Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen.
Toewijding van Jezus in de tempel [22] Toen de tijd was aangebroken dat ze zich overeenkomstig de wet van Mozes rein moesten laten verklaren, brachten ze hem naar Jeruzalem om hem aan de Heer aan te bieden, [23] zoals is voorgeschreven in de wet van de Heer: ‘Elke eerstgeboren zoon moet aan de Heer worden toegewijd.’ [24] Ook wilden ze het offer brengen dat de wet van de Heer voorschrijft: een koppel tortelduiven of twee jonge gewone duiven. [25] Er woonde toen in Jeruzalem een zekere Simeon. Hij was een rechtvaardig en vroom man, die uitzag naar de tijd dat God Israël vertroosting zou schenken, en de heilige Geest rustte op hem. [26] Het was hem door de heilige Geest geopenbaard dat hij niet zou sterven voordat hij de messias van de Heer zou hebben gezien. [27] Gedreven door de Geest kwam hij naar de tempel, en toen Jezus’ ouders hun kind daar binnenbrachten om met hem te doen wat volgens de wet gebruikelijk is, [28] nam hij het in zijn armen en loofde hij God met de woorden:
een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen
en dat tot eer strekt van Israël, uw volk.’
[33] Zijn vader en moeder* waren verbaasd over wat er over hem werd gezegd. [34] Simeon zegende hen en zei tegen Maria, zijn moeder: ‘Weet wel dat velen in Israël door hem ten val zullen komen of juist zullen opstaan. Hij zal een teken zijn dat betwist wordt, [35] en zelf zult u als door een zwaard doorstoken worden. Zo zal de gezindheid van velen aan het licht komen.’ [36] Er was daar ook een profetes, Hanna, de dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Ze was hoogbejaard; vanaf haar huwbare leeftijd had ze zeven jaar met haar man geleefd, [37] en ze was nu al vierentachtig jaar weduwe. Ze was altijd in de tempel, waar ze God dag en nacht diende met vasten en bidden. [38] Op dat moment kwam ze naar hen toe, bracht hulde aan God en sprak over het kind met allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem. [39] Toen ze alles overeenkomstig de wet van de Heer hadden gedaan, keerden ze terug naar Galilea, naar hun woonplaats Nazaret. [40] Het kind groeide op, werd sterk en was begiftigd met wijsheid; Gods genade rustte op hem.
De twaalfjarige Jezus in de tempel [41] Zijn ouders gingen jaarlijks voor het pesachfeest naar Jeruzalem. [42] Toen hij twaalf jaar was, maakten ze weer hun gebruikelijke pelgrimstocht. [43] Na afloop van het feest vertrokken ze naar huis, maar Jezus bleef in Jeruzalem achter zonder dat zijn ouders* het wisten. [44] In de veronderstelling dat hij zich bij het reisgezelschap bevond, reisden ze een hele dag voordat ze hem overal onder hun verwanten en bekenden begonnen te zoeken. [45] Toen ze hem niet vonden, keerden ze terug naar Jeruzalem om hem daar te zoeken. [46] Na drie dagen vonden ze hem in de tempel, waar hij tussen de leraren zat, terwijl hij naar hen luisterde en hun vragen stelde. [47] Allen die hem hoorden stonden versteld van zijn inzicht en zijn antwoorden. [48] Toen zijn ouders hem zagen, waren ze ontzet, en zijn moeder zei tegen hem: ‘Kind, wat heb je ons aangedaan? Je vader en ik hebben met angst in het hart naar je gezocht.’ [49] Maar hij zei tegen hen: ‘Waarom hebt u naar me gezocht? Wist u niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?’ [50] Maar ze begrepen niet wat hij tegen hen zei. [51] Hij reisde met hen terug naar Nazaret en was hun voortaan gehoorzaam. Zijn moeder sloot alles wat er met hem gebeurd was in haar hart. [52] Jezus groeide verder op en zijn wijsheid nam nog toe. Hij kwam steeds meer in de gunst bij God en de mensen.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.