![]() |
|||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||
Dertiende zondag door het jaarWijsheid 1,13-15; 2,23-24
Uit het boek Wijsheid
Niet God heeft de dood gemaakt
en Hij schept geen behagen in de ondergang van de levenden. Hij toch heeft alles geschapen om te leven: gezond zijn de schepselen der aarde, geen dodelijk vergif wordt in hen gevonden en de onderwereld heeft geen macht op aarde, want de gerechtigheid is onsterfelijk! God heeft immers de mens geschapen voor de onsterfelijkheid, Hij heeft hem gemaakt tot een afspiegeling van zijn eigen Wezen. Maar door de afgunst van de duivel kwam de dood in de wereld. 2 Korintiërs 8,7.9.13.15
Uit de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte
Broeders en zusters,
Gij munt reeds in zoveel opzichten uit:
Marcus 5,21-43
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Marcus
In die tijd, toen Jezus weer met de boot overgestoken was
stroomde veel volk bij Hem samen. Terwijl Hij zich aan de oever van het meer bevond kwam er een zekere Jaďrus, de overste van de synagoge. Toen hij Hem zag, viel hij Hem te voet en smeekte Hem met aandrang: “Mijn dochtertje kan elk ogenblik sterven, kom toch haar de handen opleggen, opdat ze mag genezen en leven.” Jezus ging met hem mee. Een dichte menigte vergezelde Hem en drong van alle kanten op. Er was een vrouw bij die al twaalf jaar aan bloedvloeiing leed. Zij had veel te verduren gehad van een hele reeks dokters en haar gehele vermogen uitgegeven, maar zonder er baat bij te vinden; integendeel, het was nog erger met haar geworden. Omdat zij over Jezus gehoord had, drong zij zich in de menigte naar voren en raakte zijn mantel aan. Want ze zei bij zichzelf: “Als ik slechts zijn kleren kan aanraken, zal ik genezen zijn.” Terstond hield de bloeding op en werd ze aan haar lichaam gewaar, dat ze van haar kwaal genezen was. Op hetzelfde ogenblik was Jezus zich bewust dat er een kracht van Hem was uitgegaan; Hij keerde zich te midden van de menigte om en vroeg: “Wie heeft mijn kleren aangeraakt?” Zijn leerlingen zeiden tot Hem: “Gij ziet dat de menigte van alle kanten opdringt en Gij vraagt: “ Wie heeft Mij aangeraakt?” Maar Hij liet zijn blik rondgaan om te zien wie dat gedaan had. Wetend wat er met haar gebeurd was, kwam de vrouw zich angstig en bevend voor Hem neerwerpen en bekende Hem de hele waarheid. Toen sprak Hij tot haar: “Dochter, uw geloof heeft u genezen. Ga in vrede en wees van uw kwaal verlost.” Hij was nog niet uitgesproken
|
|
||||||||||||||||||||||||
|
- Disclaimer - Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013. - Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties | |||||||||||||||||||||||||