|
Het ontstaan van de Joodse Bijbel
door Paul Kevers
De Bijbel is niet één boek en is zeker niet in één keer geschreven. Hij is een hele bibliotheek van boeken en boekjes die geleidelijk, in de loop van Israëls geschiedenis, tot stand is gekomen. Er liggen wel duizend jaar tussen het oudste en het jongste geschrift. Voor een juist inzicht in de Bijbel is het dan ook van groot belang iets af te weten van de geschiedenis van het oude Israël. Die geschiedenis wordt hier in hoofdlijnen geschetst. Daarbij komen de belangrijkste fasen aan bod van het ontstaan van de joodse of Hebreeuwse Bijbel, het zogeheten 'Oude Testament'.
De vroegste historische periode waarover de Bijbel iets vertelt, is de tijd van de aartsvaders (± 1500 v.Chr.). Abraham, Isaak en Jakob waren clanhoofden van zwerversstammen, een soort sjeiks van groepen kleinvee-nomaden. Zij leefden in tenten en trokken in het land Kanaän met hun kudden schapen en geiten heen en weer tussen zomer- en winterweiden. Het kon gebeuren dat er 's winters te weinig regen viel zodat er onvoldoende gras groeide voor de kudde. Dan kwam er hongersnood en zochten de nomaden hun toevlucht in Egypte, het vruchtbare land aan de Nijl.
Ten tijde van Ramses II, een van de grootste farao's van het oude Egypte, die regeerde in de 13de eeuw voor Christus, werden de Hebreeuwse nomaden die hun toevlucht gezocht hadden in de Nijldelta tot dwangarbeid verplicht. Onder leiding van Mozes slaagden zij erin weg te trekken uit de slavernij van Egypte. Deze bevrijding schreven zij toe aan God, die door Mozes JHWH werd genoemd, een naam die zoveel betekent als 'Ik zal er zijn voor u'.
De uittocht uit Egypte is de eerste grote pijler van Israëls geschiedenis. Toen is Israël een volk geworden en heeft het zijn God leren kennen als een God van bevrijding die partij kiest voor kleine, verdrukte mensen, en die hen oproept om ook zelf op een zorgzame, bevrijdende manier om te gaan met elkaar.
Na een zwerftocht door de Sinaï-woestijn vestigden de Israëlieten zich in het land Kanaän. Deze vestiging ging weliswaar gepaard met conflicten met de Kanaänitische stadsbevolking en met andere bevolkingsgroepen in de buurt, zoals de Midjanieten, de Moabieten en de Ammonieten, maar was toch hoofdzakelijk een vreedzaam proces. De geleidelijke sedentarisatie heeft ongeveer twee eeuwen in beslag genomen: de herders werden landbouwers, de tentbewoners vestigden zich in dorpen en steden. Israël was toen nog geen stabiele natie, maar een tamelijk los verband van twaalf stammen. Het was de tijd van Jozua en de 'rechters', onder wie charismatische figuren zoals Gideon, Simson en Samuël. Deze laatste ging in op het verlangen van het volk om een koninkrijk te worden, en zalfde eerst Saul en daarna David tot koning.
Koningstijd
Omstreeks het jaar 1000 voor Christus smeedde David de twaalf stammen van Israël aaneen tot een hecht koninkrijk. Hij overwon de Filistijnen, de meest geduchte vijanden, veroverde de stad Jeruzalem en maakte ze tot politieke en religieuze hoofdstad van de jonge natie.
Dit is de tweede grote pijler van Israëls geschiedenis, het begin van een periode van grote materiële welvaart, die evenwel slechts een minderheid ten goede kwam. Israël werd een klassenmaatschappij en het geloof in JHWH kreeg concurrentie van de Kanaänitische vruchtbaarheidsrituelen: de cultus van Baäl en Astarte. Profeten riepen koning en volk steeds weer op om naar JHWH terug te keren.
Davids zoon Salomo bouwde voor JHWH een tempel in Jeruzalem. Na hem ontstond er een scheuring in het koninkrijk. De tien stammen van het noorden weigerden Salomo's zoon als koning te erkennen en vormden een apart koninkrijk Israël onder Jerobeam I, die tempels oprichtte in Dan en in Betel. Omri, een latere koning van het Noordrijk, stichtte de hoofdstad Samaria. Zijn zoon Achab huwde met de Fenicische princes Izebel. Deze laatste bevorderde zeer sterk de Baälcultus en de profeten Elia en Elisa reageerden daartegen. Het zuidrijk Juda, met als hoofdstad Jeruzalem, bleef trouw aan de dynastie van David.
Pas met de opkomst van het koningschap werden de voorwaarden vervuld waardoor bijbelteksten op schrift gesteld konden worden. Aan het koninklijk hof waren immers schrijvers aanwezig voor de administratie en voor het noteren van kronieken en annalen. Zolang de voorouders van Israël in tenten leefden, kenden zij alleen de mondelinge overlevering. De meeste latere bijbelverhalen zijn dan ook eerst een hele tijd lang mondeling doorverteld. Pas in de vroege koningstijd worden sommige oude verhalen en liederen voor het eerst opgeschreven. Ook de eigentijdse geschiedenis werd op schrift gesteld: een mooi voorbeeld daarvan is de zogeheten 'troonopvolgingsgeschiedenis van David' (2 Samuël 9-20; 1 Koningen 1-2), hoogstwaarschijnlijk opgetekend door een ooggetuige aan het hof van koning Salomo.
In 721 voor Christus werd het noordrijk Israël veroverd door de Assyriërs, de opkomende grootmacht in het Tweestromenland. Een groot deel van de bevolking werd in ballingschap weggevoerd, en in de plaats kwamen er andere bevolkingsgroepen. Het resultaat van deze gemengde bevolking waren de Samaritanen, die in de tijd van Jezus nog steeds een belangrijke groep vormden.
Een deel van de Israëlitische bevolking was gevlucht naar het zuidrijk Juda, dat nog anderhalve eeuw kon standhouden. Een belegering van Jeruzalem ten tijde van koning Hizkia (726-687 v.Chr.) mislukte. Koning Josia (640-609 v.Chr.) voerde een religieuze hervorming door en centraliseerde de eredienst in de tempel van Jeruzalem. Intussen werd Assyrië als grootmacht afgelost door Babylonië. Jeruzalem werd door de Babyloniërs belegerd en in 586 ingenomen. De tempel werd verwoest en een groot deel van de joodse bevolking werd weggevoerd naar Babylon. Dit betrof vooral de leidende klassen; de agrarische plattelandsbevolking bleef achter in het verwoeste land.
In de periode vóór de Babylonische ballingschap begint een tweede fase in het opschrijven van bijbelteksten, nu vooral in profetische kringen. In de koningstijd waren immers de profeten actief geworden: de voornaamste waren Elia en Elisa, Amos en Hosea in het Noorden, en Jesaja, Micha en Jeremia in het Zuiden. Zij bekeken de geschiedenis van hun tijd en vooral het machtsmisbruik van de koningen met een kritisch oog. Die profetische kijk op de geschiedenis, vanaf de intocht in het beloofde land tot aan de ballingschap, vond zijn neerslag in de boeken Deuteronomium, Jozua, Rechters, Samuël en Koningen. Men noemt dit geheel de 'deuteronomistische geschiedenis', omdat de auteurs de wetgeving van het boek Deuteronomium - dat misschien ontstaan is tijdens de religieuze hervorming van koning Josia - als criterium gebruikten om de gebeurtenissen te beoordelen.
Ballingschap
De Babylonische ballingschap is de derde grote pijler van Israëls geschiedenis. Dit kan eigenaardig klinken, omdat de ballingschap toch een catastrofe was: Israël heeft geen land en geen koning meer, geen paleis, geen tempel en geen priesters. Alle uiterlijke tekenen waaraan het volk zijn geloof in JHWH had verbonden, waren weggevallen. Redenen te over dus om aan JHWH te gaan twijfelen. Maar dank zij het optreden van profeten als Jeremia, Ezechiël en de 'Tweede Jesaja' (een anonieme profeet die optrad tijdens de ballingschap en van wie de hoofdstukken 40-55 van het boek Jesaja afkomstig zijn) werd de catastrofe van de ballingschap een heilzame crisis: een tijd van verdieping, verinnerlijking en herbronning.
In de ellende van de ballingschap worden de verschillen tussen rijk en arm weggevaagd. Men vindt elkaar terug als broeders en zusters en herontdekt vergeten waarden. JHWH is geen God die zich verbindt aan uiterlijke dingen zoals een tempel of een nationale staat. JHWH is een God van mensen, Hij is te vinden in het hart van de mens en Hij is de God van alle mensen, de schepper van hemel en aarde.
Israël heeft niet als eerste taak een aards koninkrijk te vormen en zich tegen vijanden te weer te stellen. Israël heeft een boodschap die goed nieuws is voor heel de mensheid. En nu het land en de tempel er niet meer zijn, krijgen de synagogen, de 'leerhuizen' en de oude verhalen die daar opnieuw verteld worden het grootste belang. Geen wonder dat de ballingschap zo'n grote rol gespeeld heeft bij het tot stand komen van de Bijbel!
De Babylonische ballingschap heeft overigens nog geen vijftig jaar geduurd. In 539 voor Christus behaalden de Perzen de overwinning op de Babyloniërs. De Perzische koning Cyrus, de nieuwe wereldheerser, liet de joden uit de ballingschap naar Jeruzalem terugkeren. Zij kregen de toestemming om de stad en de tempel weer op te bouwen. De joodse landvoogd Nehemia en de priester Ezra speelden in deze restauratie een belangrijke rol.
Niet alle joden zijn evenwel naar hun land teruggekeerd. Velen zijn in Babylon gebleven of hebben zich over het Perzische rijk verspreid. Dit is de oorsprong van de diaspora: de verspreiding of verstrooiing van het joodse volk over de wereld, een situatie die tot op vandaag voortduurt.
Na de ballingschap
In de eeuwen na de Babylonische ballingschap leefde de joodse gemeenschap in en rond Jeruzalem onder een wisselende vreemde overheersing. Na het Perzische rijk kwam Alexander de Grote (333 v.Chr.) en met hem de Griekse of hellenistische cultuur. In 63 voor Christus verschenen de Romeinse legers op het toneel. Maar op religieus gebied waren de joden tamelijk vrij om hun eigen tradities te onderhouden en te beleven.
De regering van de Griekse koning Antiochus IV Epifanes (175-163 v.Chr.) vormde evenwel een uitzondering op deze regel. Deze koning ondernam pogingen om het joodse volk helemaal te doen opgaan in de hellenistische cultuur. Hij plaatste zelfs een altaar voor de Griekse god Zeus in de tempel van Jeruzalem. Dit was de druppel die de emmer deed overlopen: er kwam een gewelddadige opstand onder leiding van Judas en zijn broers, de 'Makkabeeën'. Onder meer dank zij bondgenootschappen met de Romeinen, voor wie elke innerlijke verdeeldheid van het Griekse rijk welkom was, slaagde deze opstand.
Onder Simon de Makkabeeër herwon Juda een zekere politieke onafhankelijkheid. Zijn opvolgers noemden zich hogepriester en koning: dit is de dynastie van de Hasmoneeën (104-63 v.Chr.), waaraan een einde kwam door de Romeinse verovering van Jeruzalem in 63. Van 37 tot 4 voor Christus mocht de Idumeeër Herodes, die gehuwd was met een Hasmoneese prinses, zich van de Romeinen 'koning der Joden' noemen. Hij was een groot bouwer, die onder meer de tempel van Jeruzalem restaureerde en verfraaide: de tempel zoals Jezus van Nazaret en de eerste christenen die hebben gekend.
De periode na de ballingschap was de derde fase in het ontstaan van de geschreven bijbeltekst. In deze fase speelden de priesterkringen van de nieuwe tempel in Jeruzalem de hoofdrol. De Tora of de vijf boeken van Mozes kregen hun definitieve vorm. De nationale geschiedenis werd voltooid en herschreven in de boeken Kronieken, Ezra en Nehemia. Vele psalmen, spreuken en wijsheidsboeken werden op schrift gesteld.
De Hebreeuwse canon
In de geschiedenis van het oude Israël hebben we drie grote pijlers ontdekt: de uittocht, de koningstijd en de ballingschap. En we hebben drie fasen onderscheiden in de schriftelijke neerslag van de bijbel: het koninklijk hof in de tijd van en na David en Salomo, de profetische kringen vóór en tijdens de ballingschap en de kringen van de Jeruzalemse tempelpriesters na de ballingschap. Maar daarmee zijn de opgeschreven teksten nog geen bijbelteksten, nog geen 'heilige Schrift' geworden. Daarvoor was het nodig dat de betreffende teksten door de religieuze gemeenschap algemeen aanvaard en als normerend erkend werden. Dit proces noemt men de 'canonvorming'. Het heeft zich eveneens in drie fasen afgespeeld.
Het oudste en voornaamste deel van de Hebreeuwse bijbel is de Tora of Wet (Onderricht): de vijf boeken van Mozes. Wij kennen deze boeken onder hun Griekse of Latijnse naam: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri en Deuteronomium. In de Hebreeuwse bijbel worden ze evenwel aangeduid met hun beginwoord: Beresjiet ('In het begin'), Sjemot ('Namen'), Wajjiqra ('Hij riep'), Bemidbar ('In de woestijn') en Debariem ('Woorden').
De Tora kreeg zijn definitieve vorm in de vijfde eeuw voor Christus. In Nehemia 8 staat beschreven hoe de priester Ezra de Tora officieel afkondigt en voorleest. De Samaritanen, die zich omstreeks 450 v.Chr. van de Joden hebben afgescheiden, erkennen alleen de Tora als heilige Schrift.
Het tweede deel van de Hebreeuwse bijbel zijn de Nebiïem of Profeten. Daarbij maakt men een onderscheid tussen de 'Vroege Profeten' (de boeken Jozua, Rechters, Samuël en Koningen) en de 'Late Profeten' (de boeken Jesaja, Jeremia, Ezechiël en de twaalf 'kleine' profeten). De profetencanon moet al omstreeks 200 voor Christus afgesloten zijn geweest. De auteur van het boek 'Wijsheid van Jezus Sirach', die rond die tijd schreef, houdt er rekening mee (Sir 48,22-49,10), en het boek Daniël, ontstaan omstreeks 170 v.Chr., heeft geen plaats gekregen bij de Profeten maar bij de 'Geschriften'.
Deze Geschriften of Chetubiem vormen het derde en laatste deel van de Hebreeuwse Bijbel. Ze bevatten de Psalmen en het boek Job, verder Spreuken, Ruth, Hooglied, Prediker, Klaagliederen en Ester (ook wel de 'feestrollen' genoemd, omdat ze in de liturgie van vijf grote joodse feesten worden voorgelezen), en ten slotte Daniël, Ezra, Nehemia en Kronieken. De lijst van de Geschriften werd pas tegen het einde van de eerste eeuw na Christus definitief vastgelegd.
Tora, Nebiïem en Chetubiem: uit de beginletters van deze drie delen is het letterwoord TeNaCh, zoals men de Hebreeuwse Bijbel ook wel noemt, samengesteld.
Paul Kevers is oudtestamenticus en studiesecretaris van de Vlaamse Bijbelstichting te Leuven.
Deze tekst verscheen eerder als artikel in: Bijbelmagazine JOTA (KBS / VBS), jrg. 9, 1997, nr. 1, blz. 4-7.
|
 |