Hoofdstuk 13 Simon neemt de leiding over [1] Simon hoorde dat Tryfon een groot leger op de been had gebracht en het land van Juda wilde binnenvallen om het te verwoesten. [2] Hij zag dat het volk beefde van angst. Daarom ging hij naar Jeruzalem, riep het volk bijeen [3] en sprak het moed in met deze woorden: ‘U weet wat ik, mijn broers en mijn familie hebben gedaan voor de leer en het heiligdom, en hoeveel oorlogen en ellende we hebben doorstaan. [4] Voor die zaak, de zaak van Israël, zijn al mijn broers omgekomen; ik alleen ben nog over. [5] Maar zolang de omstandigheden zo benard zijn, denk ik er niet aan mijn leven te sparen; ik ben niet beter dan mijn broers. [6] Integendeel, ik wil mijn volk, het heiligdom en uw vrouwen en kinderen wreken, want uit haat tegen ons spannen de naties samen om ons uit te roeien.’ [7] Toen het volk deze woorden hoorde, flakkerde de moed weer op [8] en luid riepen ze: ‘U bent onze aanvoerder in plaats van Judas en uw broer Jonatan; [9] u neemt de leiding in de strijd die wij te voeren hebben: wat u beveelt, doen we.’ [10] Simon riep alle strijdbare mannen op, liet de muren van Jeruzalem zo snel mogelijk voltooien en bracht rondom de stad versterkingen aan. [11] Hij stuurde Jonatan*, de zoon van Absalom, met een groot leger naar Joppe; deze verdreef de inwoners en hield de stad bezet.
Het bedrog van Tryfon [12] Tryfon was met een groot leger vanuit Ptolemaïs opgerukt om het land van Juda binnen te vallen; hij voerde Jonatan als gevangene met zich mee. [13] Simon sloeg zijn kamp op bij Hadida aan de rand van de vlakte. [14] Toen Tryfon hoorde dat Simon de plaats van zijn broer Jonatan had ingenomen en op het punt stond om de strijd met hem aan te binden, liet hij hem door gezanten zeggen: [15] ‘Omdat uw broer nog geld schuldig was aan de schatkist van de koning, uit hoofde van het ambt dat hij bekleedde, hebben we hem in hechtenis genomen. [16] We zullen hem vrijlaten als u honderd talenten zilver stuurt en twee van zijn zonen als gijzelaars, om te voorkomen dat hij ons na zijn vrijlating afvalt.’ [17] Ofschoon Simon begreep dat hij bedrogen werd, liet hij toch het geld en de kinderen halen, om zich niet de haat van het volk op de hals te halen. [18] Want dat zou kunnen zeggen: ‘Jonatan is omgekomen, omdat Simon hem het geld en de kinderen niet heeft gestuurd.’ [19] Hij zond dus de kinderen en de honderd talenten, maar Tryfon hield zijn woord niet en liet Jonatan niet vrij.
De dood van Jonatan [20] Daarna brak Tryfon op om het land binnen te vallen en het te verwoesten. Daarvoor maakte hij een omweg over Adora*. Maar Simon trok met zijn leger tegelijk met hem op en versperde de passen waarlangs hij wilde binnentrekken. [21] De bezetting van de burcht stuurde boden naar Tryfon om er bij hem op aan te dringen met spoed door de woestijn naar hen toe te komen en levensmiddelen te sturen. [22] Tryfon liet heel zijn ruiterij in staat van paraatheid brengen om erheen te trekken; maar ’s nachts viel er zoveel sneeuw, dat ze niet vooruit konden. Daarop blies Tryfon de aftocht en hij ging naar Gilead. [23] In de buurt van Baskama* doodde hij Jonatan. Hij werd daar begraven. [24] Tryfon aanvaardde de terugtocht en vertrok naar zijn land. [25] Simon liet het gebeente van zijn broer Jonatan halen en begroef het in Modeïn, de stad van zijn voorvaderen. [26] Heel Israël treurde in diepe rouw over zijn dood en dagenlang klonken er rouwklachten over hem. [27] Op het graf van zijn vader en van zijn broers liet Simon een monument oprichten, zo hoog dat het van verre te zien was; het was gebouwd van stenen die zowel aan de achterzijde als aan de voorzijde gepolijst waren. [28] Het bestond uit zeven piramiden; die voor zijn vader en moeder en zijn vier broers waren tegenover elkaar geplaatst. [29] Als een eeuwig aandenken richtte hij rondom die piramiden in kunstzinnige schikking zuilen op, afwisselend bekroond met wapenrustingen en gebeeldhouwde schepen, die zo groot waren dat ze door de zeevarenden gezien konden worden. [30] Zo zag het grafmonument eruit dat hij in Modeïn liet bouwen. Het staat er nu nog.
Verzoening met Demetrius II [31] Tryfon liet de jonge koning Antiochus op sluwe wijze ter dood brengen, [32] benoemde zichzelf tot zijn opvolger en zette de diadeem van Azië op zijn hoofd. Daardoor bracht hij veel onheil over het land. [33] Simon versterkte de vestingsteden van Judea, voorzag ze van hoge torens, zware muren en poorten met grendels, en liet in de vestingen levensmiddelen opslaan. [34] Hij koos enkele mannen uit die hij naar koning Demetrius zond met het verzoek dat hij het land vrijstelling van belasting zou verlenen, aangezien het bewind van Tryfon een roverij was geweest. [35] Koning Demetrius willigde zijn verzoek in en stuurde hem een schriftelijk antwoord met de volgende inhoud: [36] ‘Koning Demetrius aan Simon, de hogepriester en vriend van de koningen, aan de oudsten en aan het volk van de Joden. Heil! [37] De gouden kroon en de palmtak die u gezonden hebt, hebben wij in ontvangst genomen. Wij zijn bereid een duurzame vrede met u te sluiten en we zullen onze ambtenaren schrijven dat ze u moeten vrijstellen van belasting. [38] Alles wat wij hierbij met betrekking tot u bepalen, is van kracht. De vestingen, door u gebouwd, behoren aan u. [39] Wij verlenen u vergiffenis voor al uw tekortkomingen en dwalingen tot op de dag van vandaag, evenals kwijtschelding van de kroongelden die u ons verschuldigd bent; en mocht er nog een andere belasting in Jeruzalem worden geheven, dan wordt die in het vervolg niet meer gevorderd. [40] Als er onder u mannen zijn die zich geschikt achten voor onze lijfwacht, laat hen zich dan inschrijven. Voortaan zal er vrede zijn tussen ons.’ [41] In het jaar honderdzeventig werd het juk van de naties van Israël weggenomen [42] en begon het volk oorkonden en overeenkomsten te dateren met de formulering: ‘In het eerste jaar van Simon, hogepriester, veldheer en vorst van de Joden’.
Verovering van Gezer [43] In die tijd belegerde Simon Gezer* en sloot het met zijn leger in. Hij bouwde een stormtoren, reed die naar de stadsmuur, sloeg een bres in een van de torens en bezette die. [44] De soldaten sprongen vanuit de stormtoren de stad in, die heftig in beroering raakte. [45] De inwoners kwamen met vrouwen en kinderen de stadsmuur op, scheurden hun kleren en smeekten Simon luidkeels dat hij hun de hand zou reiken. [46] Ze riepen: ‘Behandel ons niet naar onze misdaden, maar toon ons uw barmhartigheid.’ [47] Simon gaf hieraan gevolg en staakte de strijd. Hij zette ze uit de stad, zuiverde de huizen van afgodsbeelden en hield toen zijn intocht onder het gezang van lof- en dankliederen. [48] Alles wat onrein was ruimde hij op en hij liet er mensen wonen die de leer onderhielden. Hij versterkte de stad en liet er voor zichzelf een huis bouwen.
Verovering van de burcht [49] Al het verkeer met de buitenwereld was voor de burcht in Jeruzalem onmogelijk gemaakt. Nu ze geen inkopen meer konden doen, begonnen ze ernstig gebrek te lijden en velen stierven er van honger. [50] Daarom smeekten ze Simon hun de hand te reiken. Hij deed dat, zette hen uit de burcht en zuiverde die. [51] En op de drieëntwintigste dag van de tweede maand van het jaar honderdeenenzeventig hielden de Judeeërs er hun intocht* onder gejuich en het wuiven met palmtakken, onder het spelen van citers, cimbalen en lieren, en onder het zingen van lof- en dankliederen, want een grote vijand was uit Israël verdreven. [52] Hij bepaalde dat men deze dag jaarlijks zou heiligen. De vesting die op de tempelberg aan de kant van de burcht ligt versterkte hij en hij ging daar met de zijnen wonen. [53] Omdat Simon had ervaren dat zijn zoon Johannes een man uit één stuk was, stelde hij hem aan tot aanvoerder van heel het leger. Johannes vestigde zich in Gezer.
Hoofdstuk 13 [1] Simon hoorde dat Tryfon een groot leger op de been had gebracht om Judea binnen te vallen en te verwoesten. [2] Omdat hij merkte dat het volk bang en angstig was, ging hij naar Jeruzalem en riep het bijeen. [3] Hij sprak het moed in met de volgende woorden: ‘Jullie weten zelf wat mijn broers en ik, mijn hele familie, voor onze tradities en voor de tempel gedaan hebben, en hoeveel oorlogen en ellende we hebben moeten doorstaan. [4] Al mijn broers zijn inmiddels voor Israël gestorven; ik ben de enige die nog over is. [5] In deze gevaarlijke tijd zal ik mijn eigen leven beslist niet sparen; ik ben niet beter dan mijn broers. [6] Sterker nog, ik wil mijn volk, de tempel en jullie vrouwen en kinderen wreken, want de heidenen hebben zich aaneengesloten om ons uit haat te vernietigen.’ [7] Deze woorden gaven het volk weer moed, [8] en met luide stem riepen ze: ‘U bent onze leider in de plaats van Judas en uw broer Jonatan. [9] Neem de leiding in onze strijd, we zullen alles doen wat u zegt.’ [10] Simon mobiliseerde alle strijdbare mannen en liet de muren van Jeruzalem met spoed voltooien, zodat de stad aan alle kanten versterkt was. [11] Hij stuurde Jonatan, de zoon van Absalom, met een aanzienlijke legermacht naar Joppe; deze verdreef de inwoners en hield de stad bezet.
De dood van Jonatan [12] Tryfon was ondertussen met een grote legermacht uit Ptolemaïs vertrokken om Judea binnen te vallen; hij voerde Jonatan als gevangene met zich mee. [13] Simon sloeg zijn kamp op bij Chadid, aan de rand van de vlakte. [14] Toen Tryfon hoorde dat Simon de plaats van zijn broer Jonatan had ingenomen en van plan was de wapens tegen hem op te nemen, stuurde hij gezanten naar hem toe met deze boodschap: [15] ‘Wij hebben uw broer Jonatan gevangengenomen omdat hij de verschuldigde belastingen voor zijn ambten niet heeft betaald. [16] We zullen hem vrijlaten als u ons honderd talent zilver stuurt en twee van zijn zonen als gijzelaars, zodat hij niet tegen ons in opstand komt wanneer hij weer vrij is.’ [17] Simon wist dat deze woorden bedrog waren. Desondanks liet hij het geld en de kinderen brengen om zich niet de vijandschap van het volk op de hals te halen. [18] Anders zouden ze zeggen dat Jonatan was omgekomen omdat zijn broer geweigerd had het geld en de kinderen te sturen. [19] Hij liet de kinderen en de honderd talent brengen, en Tryfon bleek inderdaad een bedrieger te zijn, want hij liet Jonatan niet vrij. [20] Daarna ging Tryfon op weg om het land binnen te vallen en het volledig te verwoesten. Eerst maakte hij een omweg langs Adora. Maar Simon en zijn leger versperden hem telkens weer de weg. [21] De bezetters van de citadel stuurden gezanten naar Tryfon om er bij hem op aan te dringen met spoed door de woestijn naar hen toe te komen en hen te bevoorraden. [22] Tryfon bracht zijn hele ruiterij in gereedheid, maar die nacht viel er zo veel sneeuw dat hij onmogelijk kon optrekken. Hij blies de aftocht en ging naar Gilead. [23] In de buurt van Baskama doodde hij Jonatan en daar begroef hij hem ook. [24] Daarna staakte Tryfon zijn opmars en keerde naar zijn eigen land terug. [25] Simon liet het gebeente van zijn broer Jonatan halen en begroef het in Modeïn, de stad van zijn voorouders. [26] Heel Israël gaf zich over aan diepe rouw; dagenlang treurde het volk om zijn dood. [27] Op het graf van zijn vader en broers liet Simon een hoog monument oprichten, zodat het in de wijde omtrek zichtbaar was, met gepolijste stenen aan de voor- en achterzijde. [28] Ook liet hij zeven piramides bouwen, de een naast de ander, voor zijn vader en moeder en voor zijn vier broers. [29]Rond elke piramide liet hij in een kring grote zuilen plaatsen, waarop hij te hunner nagedachtenis in reliëf wapenrustingen liet aanbrengen en ook schepen, die vooral door zeevarenden werden bewonderd. [30] Zo bouwde hij het graf in Modeïn; het staat er tot op de dag van vandaag.
Hernieuwd verdrag met Demetrius II [31] Tryfon liet de jonge koning Antiochus verraderlijk om het leven brengen, [32] riep zichzelf tot koning uit en deed de koninklijke hoofdband van Asia om. Hij bracht veel ellende over het land. [33] Simon versterkte de burchten van Judea met hoge torens, dikke muren en vergrendelbare poorten, en hij liet voedsel in de burchten opslaan. [34] Hij koos een paar mannen uit en stuurde ze naar koning Demetrius met het verzoek het land vrij te stellen van belastingen, want het enige dat Tryfon had gedaan was het land plunderen. [35] Koning Demetrius antwoordde hem per brief het volgende: [36] ‘Koning Demetrius groet hogepriester Simon, bondgenoot van vele koningen, en ook de oudsten en de rest van het Joodse volk. [37] De gouden krans en de palmtak die u hebt gestuurd hebben wij ontvangen. Wij zijn bereid een duurzame vrede met u te sluiten en zullen de bevoegde instanties aanschrijven om u vrijstelling van belasting te verlenen. [38] Alles wat wij in dit schrijven met betrekking tot u bepalen, is terstond van kracht. De burchten die u hebt gebouwd, zijn van u. [39] Wij vergeven u al uw vroegere dwalingen en tekortkomingen. Wij ontheffen u van de achterstallige kroongelden en van de andere belastingen die in Jeruzalem eventueel nog geheven worden. [40] Laten alle Israëlieten die in mijn leger kunnen dienen zich inschrijven. Voortaan zal er tussen ons vrede heersen.’ [41] In het jaar 170 werd het heidense juk van Israël afgenomen [42] en begon het volk akten en verdragen als volgt te dateren: ‘In het eerste jaar van Simon, de hogepriester, veldheer en leider van de Joden.’
Simon verovert Gezer en Jeruzalem [43] In die tijd belegerde Simon Gezer. Hij omsingelde de stad met zijn leger en liet een stormram maken en aan de rand van de stad opstellen. Daarmee sloeg hij een bres in een van de stadstorens en hij nam de stad in. [44] Zijn soldaten sprongen vanuit de belegeringstoren de stad in en veroorzaakten grote paniek. [45] De inwoners kwamen met hun vrouwen en kinderen naar de stadsmuur, scheurden hun kleren en smeekten Simon met luid geroep om vrede. [46] Ze riepen: ‘Straf ons niet voor onze misdaden, maar toon medelijden met ons.’ [47] Simon gaf hieraan gevolg en staakte de strijd. Hij verdreef hen uit de stad en reinigde hun huizen, waarin zich afgodsbeelden bevonden. Daarna trok hij onder gezang van hymnen en lofliederen door de stad. [48] Alles wat onrein was liet hij verwijderen, en hij liet er mensen wonen die de wet navolgden. Hij versterkte de stad en bouwde er voor zichzelf een woning. [49] In Jeruzalem konden de bezetters de citadel niet in of uit om op het land voorraden te kopen. Ze leden ernstig gebrek en een groot aantal van hen kwam om van de honger. [50] Ook zij smeekten Simon om vrede, en hij stemde erin toe. Hij verdreef hen uit de citadel en reinigde die. [51] Op de drieëntwintigste dag van de tweede maand van het jaar 171 hielden de Joden juichend hun intocht: ze zwaaiden met palmtakken, zongen lofliederen en maakten muziek op lieren, cimbalen en harpen omdat de grote vijand uit Israël verdreven was. [52] Simon bepaalde dat deze dag jaarlijks gevierd zou worden. Hij versterkte de heilige berg bij de citadel en koos die met zijn mannen als kwartier. [53] Toen Simon zijn zoon Johannes oud genoeg vond, stelde hij hem aan als opperbevelhebber. Johannes vestigde zich in Gezer.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.