Zij die overvloed hadden, verhuren zich voor brood;
die honger leden, eten zich dik.
De onvruchtbare* baart, tot zevenmaal toe; de kinderrijke verwelkt.
Hij helpt de zwakke overeind uit het stof,
Hij haalt de arme weg uit het vuil
en geeft hem een plaats bij de machtigen;
een ereplaats wijst Hij hem toe.
Van de heer zijn de zuilen* van de aarde:
daarop heeft Hij de wereld gegrondvest.
Zij die het tegen de heer opnemen, worden gebroken;
uit de hemel laat Hij zijn donder over hen rollen.
De heer oordeelt over de aarde, tot aan haar grenzen.
Hij geeft kracht aan zijn koning en verheft de hoorn van zijn gezalfde.’
Daarop keerde Elkana terug naar zijn huis in Rama, terwijl de jongen, onder het toezicht van de priester Eli, in dienst bleef van de heer.
De zonen van Eli [12] De zonen van Eli waren echte boosdoeners; zij hadden geen eerbied voor de heer en hielden zich niet aan wat de priesters volgens het recht van het volk konden vragen. [13] Liet namelijk iemand een offerdier slachten, dan kwam, als het vlees kookte, een knecht van de priester [14] en prikte met een drietand in de pot, de pan, de ketel of de kookpot, en alles wat dan aan de vork bleef zitten eigende de priester zich toe. Dat deden ze bij alle Israëlieten die daar in Silo kwamen. [15] Zelfs nog voordat men het vet in rook had laten opgaan, kwam er een knecht van de priester en zei tegen degene die het offer opdroeg: ‘Geef de priester vlees om te braden! Maar hij wil alleen rauw vlees, geen gekookt.’ [16] En als de man dan zei: ‘Eerst behoort men toch het vet in rook te laten opgaan! Daarna kunt u zo veel nemen als u wilt’, dan zei de knecht: ‘Nee, u moet het nu geven; anders neem ik het met geweld.’ [17] Deze handelwijze van de knechten was in de ogen van de heer een zeer ernstige zonde: de mensen verloren hun eerbied voor het offer aan de heer. [18] Intussen deed Samuël dienst in het heiligdom van de heer; de jongen droeg een linnen efod* om zijn middel. [19] Zijn moeder maakte elk jaar een manteltje voor hem en bracht dat voor hem mee als zij met haar man het jaarlijkse offer kwam opdragen. [20] Dan zegende Eli Elkana en zijn vrouw en zei hij: ‘Moge de heer u uit deze vrouw nog nakomelingen geven, in plaats van de afgesmeekte die u aan de heer hebt afgestaan.’ Daarna gingen zij naar hun woonplaats terug. [21] De heer zag inderdaad naar Hanna om; zij werd zwanger en zij bracht nog drie zonen en twee dochters ter wereld. Intussen groeide de jonge Samuël op bij de heer. [22] Toen Eli, die al hoogbejaard was, hoorde wat zijn zonen de Israëlieten allemaal aandeden en dat zij sliepen met de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de tent van samenkomst, [23] zei hij tegen hen: ‘Waarom doen jullie dergelijke dingen, die wandaden waarover het hele volk bij mij komt klagen? [24] Nee, mijn zonen, de verhalen die zich onder het volk van de heer verspreiden zijn niet fraai! [25] Als een mens een misdaad pleegt tegen een ander mens komt God tussenbeide, maar als een mens een misdaad pleegt tegen de heer, wie komt er dan voor Hem tussenbeide?’ Maar zij luisterden niet naar hun vader, want de heer* wilde hen doden. [26] De jonge Samuël groeide echter op en kwam steeds meer in de gunst, zowel bij de heer als bij de mensen.
Dreiging tegen Eli en zijn huis. [27] Op* een dag kwam een man* van God bij Eli en zei tegen hem: ‘Zo spreekt de heer: Ik heb mij duidelijk geopenbaard aan het huis van uw vader, toen het in Egypte onder het huis van de farao stond. [28] Ik heb het uit alle stammen van Israël uitverkoren om mijn priesters te zijn, om mijn altaar te bestijgen, wierook te branden en in mijn dienst de efod* te dragen. Aan het huis van uw vader heb Ik alle offergaven van de Israëlieten toevertrouwd. [29] Waarom aast u dan op de slacht- en meeloffers die Ik heb voorgeschreven en waarom ontziet u uw zonen meer dan Mij, zodat u zich vetmest met het beste deel van de meeloffers van mijn volk Israël? [30] Daarom zegt de heer, de God van Israël: Ik heb u wel plechtig beloofd dat uw huis en het huis van uw vader voor altijd in mijn dienst zouden staan, maar nu zegt de heer: Dat nooit! Ik eer wie Mij eren, maar wie Mij verachten worden vervloekt. [31] Werkelijk, de dagen komen dat Ik uw kracht en de kracht van uw familie zal breken, zodat er in uw huis nooit meer iemand oud zal worden. [32] In uw nood zult u met lede ogen naar alle weldaden kijken die de heer de Israëlieten bewijst; in uw huis zal niemand oud worden. [33] Eén man zal Ik echter niet van mijn altaar verwijderen, zodat uw ogen dof worden en uw kracht wegteert, maar alle anderen van uw huis zullen sterven in de kracht van hun leven. [34] En datgene wat uw twee zonen, Chofni en Pinechas, zal overkomen, zal voor u een teken* zijn: op dezelfde dag zullen beiden sterven. [35] Dan zal ik een betrouwbare* priester aanstellen, die naar mijn hart en in mijn geest zal handelen. Ik zal een duurzaam* huis voor hem bouwen, zodat hij heel zijn leven in dienst kan staan van mijn gezalfde. [36] Wie er dan in uw huis nog is overgebleven, zal voor hem komen buigen om een stukje zilver of een snee brood en hij zal zeggen: “Neem mij toch in de een of andere priesterklasse op, dan heb ik tenminste een stuk brood om te eten.” ’
en Hanna bad:
‘Nu juicht mijn hart dankzij de HEER,
fier heft mijn hoofd zich op, dankzij de HEER,
mijn mond spreekt vrijmoedig tegen mijn vijanden,
want dankzij uw hulp beleef ik vreugde.
De zwakke en de arme helpt hij overeind,
hij haalt hen uit het stof en uit het slijk.
Tussen de edelen zet hij hen neer,
hij houdt een ereplaats voor hen vrij.
Van de HEER zijn de pijlers der aarde
waarop hij de wereld heeft vastgezet.
wie het opneemt tegen de HEER wordt gebroken,
vanuit de hemel dondert hij hun toe.
De HEER spreekt recht over heel de aarde,
hij geeft macht aan de koning die hij kiest
en verhoogt het aanzien van zijn gezalfde.’
[11] Daarop ging Elkana terug naar huis, naar Rama. De jongen bleef achter onder de hoede van de priester Eli om de HEER te dienen.
Het wangedrag van de zonen van Eli [12] De zonen van Eli waren een stel afpersers. Ze trokken zich niets van de HEER aan [13] en maakten misbruik van de rechten die aan het priesterambt verbonden zijn. Wanneer iemand een offerdier liet slachten, dan kwam er als het vlees gaar was een priesterknecht met een drietandige vork. [14] Daarmee prikte hij in de pot, de pan, de ketel of de schaal, en alles wat aan de vork bleef hangen, eigende de priester zich toe. Zo verging het alle Israëlieten die in Silo kwamen offeren. [15] Sterker nog, soms kwam de priesterknecht al voor er rook van het vet opsteeg eisen: ‘Geef het vlees aan de priester om het te roosteren. Maar wel rauw; gestoofd vlees wil hij niet!’ [16] Als dan degene die aan het offeren was antwoordde: ‘Wacht tenminste tot er rook van het vet komt, dan kunt u nemen wat u hebben wilt,’ zei de knecht: ‘Geef op! Anders neem ik het met geweld!’ [17] De HEER nam het wangedrag van Eli’s zonen zeer hoog op; ze toonden geen eerbied voor de gaven die de HEER toekwamen. [18] De kleine Samuël diende de HEER, en droeg daarbij een linnen priesterhemd. [19] Zijn moeder maakte ieder jaar een nieuw manteltje voor hem, dat ze meebracht wanneer zij en haar man hun jaarlijkse offer kwamen brengen. [20] Eli zegende Elkana en zijn vrouw met de woorden: ‘Moge de HEER u bij deze vrouw nog andere kinderen geven, in plaats van de jongen die zij aan de HEER heeft afgestaan.’* Dan gingen ze weer terug naar huis. [21] De HEER zag inderdaad naar Hanna om: ze werd opnieuw zwanger en baarde nog vijf kinderen, drie zonen en twee dochters, terwijl de jonge Samuël dicht bij de HEER opgroeide. [22] Inmiddels was Eli op hoge leeftijd gekomen. Van tijd tot tijd bereikten hem geruchten over wat zijn zonen de Israëlieten allemaal aandeden, en dat ze zelfs sliepen met de vrouwen die dienst deden bij de ingang van de ontmoetingstent. [23] Dan verweet hij hun: ‘Waarom misdragen jullie je zo? Van alle kanten hoor ik slechte dingen over jullie. [24] Het is niet veel fraais wat het volk van de HEER over jullie te vertellen heeft. Zo gaat het niet langer! [25] Wanneer mensen elkaar kwaad doen, kan God als scheidsrechter optreden, maar wanneer mensen zondigen tegen de HEER, wie zal dan voor hen pleiten?’ Maar de zonen weigerden naar hun vader te luisteren; de HEER had namelijk besloten hen te doden. [26] Intussen groeide Samuël verder op. Hij was zeer geliefd, zowel bij de HEER als bij de mensen.
Profetie tegen Eli en zijn nakomelingen [27] Ten slotte kwam een godsman tegen Eli zeggen: ‘Dit zegt de HEER: Heb ik mij destijds in Egypte niet aan jouw voorouders geopenbaard, toen zij bij de farao werden vastgehouden? [28] Uit alle stammen van Israël heb ik jouw voorouders gekozen om priester te worden. Zij mogen mijn altaar betreden, reukoffers brengen en in het heiligdom het priestergewaad dragen. Ook heb ik hun een deel geschonken van de offergaven van de Israëlieten. [29] Maar jullie gaan je te buiten aan het vlees en het brood dat volgens mijn voorschrift bij het heiligdom wordt geofferd. Kennelijk sla je je zonen hoger aan dan mij, want je mest jezelf vet door steeds het beste deel op te eisen van de offers die mijn volk Israël mij brengt. [30] Welnu – spreekt de HEER, de God van Israël –, ooit heb ik plechtig verklaard dat jouw familie mij van vader op zoon ter zijde zou staan. Maar nu – spreekt de HEER – kom ik daarvan terug. Wie mij hoogachten acht ik hoog, maar verachtelijk zijn zij die mij geringschatten! [31] Er komt een dag dat ik jou en je familie machteloos maak; niemand van hen zal nog een hoge leeftijd bereiken. [32] Met lede ogen zul je moeten aanzien dat er in jouw familie nooit meer iemand rustig oud wordt, terwijl het Israël voor de wind gaat. [33] Niemand van jouw familie, op één enkeling na, zal mijn altaar nog betreden. Je ogen zullen dof worden van verdriet en je leven zal alle glans verliezen. Al je mannelijke nakomelingen zal ik laten sterven in de kracht van hun leven. [34] Ten teken van dit alles zullen je beide zonen Chofni en Pinechas op één dag sterven. [35] Als priester zal ik iemand aanstellen die mij trouw is en al mijn wensen en verlangens uitvoert. Zijn familie zal ik laten voortbestaan, en hij zal degene die op mijn aanwijzing gezalfd wordt getrouw ter zijde staan. [36] Wie er dan nog van jouw familie over zijn, zullen hem nederig komen vragen om wat kleingeld en een stuk brood, met het verzoek: “Stel me alstublieft aan als hulppriester, zodat ik tenminste mijn brood kan verdienen.”’
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.