De bijbel De bijbel
 
..........
 
 De eerste brief aan de Tessalonicenzen
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 2
Paulus’ prediking onder de Tessalonicenzen
[1] U* weet immers zelf, broeders en zusters, dat ons optreden onder u niet vergeefs is geweest. [2] Integendeel, na de mishandelingen en beledigingen die wij, zoals u weet, in Filippi hadden te verduren, hebben wij met de hulp van onze God de moed gevonden om ondanks heftige tegenstand het evangelie van God openlijk bij u te verkondigen. [3] Want onze prediking komt niet voort uit dwaling, onzuivere bedoelingen of bedrog. [4] Maar omdat God zelf ons geschikt heeft bevonden en ons het evangelie heeft toevertrouwd, daarom verkondigen wij: niet om in de gunst te komen bij mensen, maar bij God, die ons hart toetst. [5] Nooit immers hebben wij ons ingelaten met vleierij, dat weet u, en evenmin met hebzuchtige bijbedoelingen; God is onze getuige. [6] Wij hebben geen eerbewijzen van mensen gezocht, van u noch van anderen, [7] ofschoon wij als apostelen van Christus ons hadden kunnen laten gelden. Maar wij zijn als weerloze kinderen onder u opgetreden, zoals een voedster die haar kinderen koestert. [8] We waren u zo innig genegen dat wij u graag niet alleen het evangelie van God, maar ook ons eigen leven hadden geschonken; zo lief was u ons geworden. [9] U* herinnert zich toch, broeders en zusters, onze moeite en inspanning. Wij hebben u het evangelie van God verkondigd, terwijl we dag en nacht werkten om niemand van u op kosten te jagen. [10] Samen met God kunt u getuigen hoe vroom en rechtschapen en onberispelijk wij ons tegenover u, gelovigen, hebben gedragen. [11] U weet trouwens dat wij ieder van u hebben vermaand en aangemoedigd, zoals een vader zijn kinderen, en dat wij u bezworen hebben te leven zoals het past tegenover God, die u roept* tot zijn koninkrijk en zijn heerlijkheid.
     [13] En daarom danken wij God dan ook zonder ophouden, omdat u het woord* van God, dat u van ons te horen kreeg, hebt ontvangen en het hebt aanvaard; niet als een woord van mensen, maar als wat het inderdaad is: het woord van God zelf, dat ook werkzaam blijft in u die gelooft.
     [14] Broeders en zusters, u bent navolgers geworden van de christengemeenten van God in Judea, want van uw eigen landgenoten hebt u hetzelfde moeten verduren als zij van de Joden [15] die de Heer Jezus en de profeten hebben gedood en ons hebben vervolgd, die God niet behagen en tegen alle mensen ingaan, [16] die ons willen beletten tot de heidenen te spreken, opdat die gered worden; en hierdoor zijn zij voortdurend bezig de maat van hun zonden vol te maken. Maar Gods toorn is dan ook in volle* mate over hen gekomen.

Timoteüs’ bezoek aan de Tessalonicenzen
     [17] Broeders en zusters, wij waren een tijd lang van u verweesd, maar niet van uw liefde. Wij hebben grote moeite gedaan om u weer te zien; zo vurig was ons verlangen. [18] Daarom maakten wij plannen om u te bezoeken; ikzelf, Paulus, zelfs tot tweemaal toe, maar de satan heeft het ons belet. [19] Wie anders is onze hoop of onze vreugde of de zegekrans waarop we ons kunnen beroemen, wanneer wij staan voor onze Heer Jezus bij zijn komst*, wie anders dan u?
Hoofdstuk 2
Bezoek aan Tessalonica
[1] U weet zelf, broeders en zusters, dat ons bezoek aan u niet tevergeefs is geweest. [2] Ondanks de mishandelingen en beledigingen die wij, zoals u bekend is, in Filippi te verduren hadden, vonden we in vertrouwen op onze God de moed u bekend te maken met zijn evangelie. Daarvoor hebben we ons tot het uiterste ingespannen. [3] Onze oproep berust niet op een dwaling, op oneerlijkheid of bedrog. [4] Wij spreken alleen omdat God ons daartoe waardig heeft gekeurd en ons het evangelie heeft toevertrouwd – niet om mensen te behagen, maar God, die de mensen doorgrondt. [5] U weet dat we u nooit naar de mond hebben gepraat en dat onze woorden nooit een dekmantel voor hebzucht waren. God is onze getuige. [6] We hebben ook niet geprobeerd de gunst van mensen af te dwingen, niet bij u en niet bij anderen. [7] Hoewel we ons als apostelen van Christus hadden kunnen laten gelden, zijn we u tegemoet getreden met de tederheid van een voedster* die haar kinderen koestert. [8] In die gezindheid, vol liefde voor u, waren we niet alleen bereid u te laten delen in Gods evangelie, maar ook in ons eigen leven. Zo dierbaar was u ons geworden. [9] U herinnert u, broeders en zusters, hoe we ons hebben ingezet en ingespannen, hoe we dag en nacht hebben gewerkt om niemand van u tot last te zijn. Op die manier hebben we u het evangelie van God verkondigd. [10] U kunt getuigen, en God zelf, hoe toegewijd, hoe oprecht en zuiver we bij u, die tot geloof gekomen bent, hebben geleefd. [11] U weet dat we voor ieder van u waren als een vader voor zijn kinderen. [12] We hebben u aangespoord en bemoedigd en u op het hart gedrukt zo te leven dat u God eer bewijst. Hij roept u tot zijn koninkrijk en luister.
     [13] Wij danken God dan ook onophoudelijk dat u zijn woord, dat u van ons ontvangen hebt, niet hebt aangenomen als een boodschap van mensen, maar als wat het werkelijk is: als het woord van God dat ook werkzaam is in u, die gelooft. [14] Het is u vergaan, broeders en zusters, als Gods gemeenten in Judea die Christus Jezus toebehoren. U hebt even zwaar onder uw stadsgenoten geleden als zij onder de Joden. [15] Die hebben de Heer Jezus en de profeten gedood en ons tot het uiterste vervolgd. Ze mishagen God en zijn alle mensen vijandig gezind, [16] omdat ze ons beletten andere volken bekend te maken hoe ze kunnen worden gered. De maat van hun zonden raakt nu vol, en Gods veroordeling is ten volle over hen gekomen.
     [17] Broeders en zusters, nu wij voor korte tijd van u gescheiden zijn bent u weliswaar uit het oog, maar daarom nog niet uit het hart, en omdat we zo naar u verlangden hebben we ons alle moeite gegeven u te zien. [18] We stonden dan ook meer dan eens op het punt naar u toe te komen – ik, Paulus, niet in de laatste plaats –, maar Satan heeft het ons belet. [19] Want wie is onze hoop en vreugde? Wie is onze erekrans wanneer we voor Jezus, onze Heer, staan bij zijn komst? Wie anders dan u?



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties