Hoofdstuk 18 Hizkia van Juda [1] In het derde regeringsjaar van Hosea, de zoon van Ela en koning van Israël, werd Hizkia, de zoon van Achaz, koning van Juda. [2] Hij was vijfentwintig jaar toen hij koning werd en regeerde negenentwintig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Abi en was een dochter van Zekarja. [3] Hij deed wat de heer behaagt, net als zijn vader David. [4] Hij was het die een einde maakte aan de offerhoogten, die de heilige stenen verbrijzelde en de heilige bomen liet omhakken. Ook sloeg hij de bronzen slang stuk die Mozes gemaakt had: tot dan toe hadden de Israëlieten daar offervuur voor ontstoken; men noemde haar Nechustan. [5] Hizkia stelde zijn vertrouwen op de heer, de God van Israël; daarin werd hij door geen van de koningen van Juda na hem geëvenaard, noch door één van zijn voorgangers. [6] Hij hing de heer aan en week niet van Hem, maar onderhield de geboden die de heer aan Mozes had gegeven. [7] De heer stond hem bij: in alles wat de koning ondernam had hij succes. Hij kwam in opstand tegen de koning van Assur en bleef niet langer aan hem onderworpen. [8] Hij was het die de Filistijnen tot in Gaza terugsloeg en het bijbehorende gebied, met de wachttorens en de versterkte steden, verwoestte. [9] In het vierde regeringsjaar van koning Hizkia – dat is het zevende regeringsjaar van Hosea, de zoon van Ela en koning van Israël – rukte koning Salmanassar van Assur tegen Samaria op en belegerde de stad. [10] Na drie jaar namen ze de stad in. Dat gebeurde in het zesde regeringsjaar van Hizkia en het negende regeringsjaar van koning Hosea van Israël. [11] De koning van Assur deporteerde de Israëlieten naar Assur en wees hun een verblijfplaats toe in Chalach en aan de Chabor, een rivier in Gozan, en in enkele steden van Medië. [12] Dit alles is gebeurd, omdat zij niet hadden geluisterd naar de heer hun God, en omdat ze zijn verbond, al de geboden van Mozes, de dienaar van de heer, hadden overtreden; zij hadden er niet naar geluisterd en er niet naar gehandeld.
Sanheribs eerste gezant [13] In* het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia rukte koning Sanherib van Assur tegen de versterkte steden van Juda op en nam ze in. [14] Toen stuurde koning Hizkia van Juda een gezant naar de koning van Assur in Lakis en liet hem zeggen: ‘Ik* heb verkeerd gehandeld. Als u hier wegtrekt, zal ik betalen wat u mij oplegt.’ De koning van Assur legde koning Hizkia van Juda een schatting op van driehonderd talenten zilver en dertig talenten goud. [15] Hizkia gaf hem al het zilver dat zich in het huis van de heer bevond en in de schatkamer van het koninklijk paleis. [16] Bij die gelegenheid liet Hizkia de deuren van de tempel van de heer en de pilaren, die hijzelf met goud had bekleed, uit elkaar halen en gaf het goud aan de koning van Assur. [17] Toch stuurde de koning van Assur vanuit Lakis zijn opperbevelhebber, zijn hofmaarschalk en zijn intendant met een indrukwekkend gevolg naar koning Hizkia in Jeruzalem. Zij gingen op weg naar Jeruzalem. Daar aangekomen, stelden zij zich op bij de waterleiding van de Bovenvijver, op de weg naar het Blekersveld. [18] Toen zij naar de koning vroegen, kwam de hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Chilkia, vergezeld van de schrijver Sebna en de raadsheer Joach, de zoon van Asaf, naar hen toe. [19] De intendant zei tegen hen: ‘Dit moet u Hizkia zeggen: Zo spreekt de grote koning, de koning van Assur: Waar steunt dat vertrouwen van u eigenlijk op? [20] Denkt u soms dat woorden op de lippen hetzelfde zijn als beleid en militaire macht? Op wie vertrouwt u, dat u zich tegen mij durft te verzetten? [21] U stelt uw vertrouwen kennelijk op Egypte, die geknakte rietstok. Op zo’n riet kan niemand leunen zonder dat het hem dwars door zijn hand steekt. Zo vergaat het iedereen die vertrouwt op de farao, de koning van Egypte! [22] En nu kunt u wel tegen mij zeggen: “Op de heer onze God vertrouwen wij!” Maar juist aan zijn offerhoogten en altaren heeft Hizkia een einde gemaakt en hij heeft tegen de mensen van Juda en Jeruzalem gezegd: “Voor dit altaar, hier in Jeruzalem, moet u zich neerbuigen.” [23] Ga een weddenschap aan met mijn heer, de koning van Assur: ik zal u tweeduizend paarden geven als u in staat bent daar berijders voor te leveren. [24] Hoe zou u dan de aanval kunnen afslaan van één enkele stadhouder, een van de minste dienaren van mijn heer? Of vertrouwt u op Egypte voor wagens en wagenmenners? [25] Zou ik trouwens, zonder dat de heer het wilde, naar deze plaats zijn opgerukt om haar te verwoesten? Nee, de heer heeft tegen mij gezegd: “Ruk op naar dat land en verwoest het!” ’ [26] Toen zeiden Eljakim, de zoon van Chilkia, en Sebna en Joach tegen de intendant: ‘Spreek* toch Aramees met uw dienaren; wij verstaan het wel. U moet met ons geen Judees spreken, terwijl het volk op de muur het hoort.’ [27] Maar de intendant antwoordde: ‘Heeft mijn heer mij met deze boodschap alleen naar uw heer en naar u gezonden? Toch ook naar de mannen die op de muur zitten en die, net als u, hun eigen drek zullen moeten eten en hun eigen water zullen moeten drinken?’ [28] Toen stond de intendant op en riep met luide stem in het Judees: ‘Luister! Dit is het woord van de grote koning, de koning van Assur: [29] Zo spreekt de koning: Laat u niet door Hizkia bedriegen, want hij kan u niet uit mijn handen redden. [30] En laat Hizkia u niet verleiden tot vertrouwen op de heer, wanneer hij verzekert dat de heer u zal redden en dat deze stad niet in handen van de koning van Assur zal vallen. [31] Luister niet naar Hizkia. Zo spreekt de koning van Assur: Geef u over en kom naar buiten, mij tegemoet; dan kan iedereen de vruchten eten van zijn wijnstok en zijn vijgenboom en water drinken uit zijn eigen put, [32] totdat ik kom om u mee te nemen naar een land dat even goed is als uw eigen land, een land van koren en most, van brood en wijngaarden, een land van olijfbomen en honing. U zult blijven leven en hoeft niet te sterven. Naar Hizkia moet u niet luisteren: hij bedriegt u als hij beweert dat de heer u redden zal. [33] Is er onder de goden van de volken ooit één geweest die zijn land heeft kunnen redden uit de greep van de koning van Assur? [34] Waar waren de goden van Hamat en Arpad, waar de goden van Sefarwaïm, van Hama en van Iwwa? Hebben zij Samaria uit mijn greep kunnen redden? [35] Is er onder al de goden van die landen één geweest die zijn land uit mijn greep heeft kunnen redden? Zou de heer* Jeruzalem dan wèl uit mijn greep kunnen redden?’ [36] Het volk zweeg; niemand zei een woord terug, want de koning had bevolen hem geen antwoord te geven. [37] De hofmeester Eljakim, de zoon van Chilkia, de schrijver Sebna en de raadsheer Joach, de zoon van Asaf, begaven zich met gescheurde* kleren naar Hizkia en brachten hem op de hoogte van wat de intendant gezegd had.
Hoofdstuk 18 Hizkia, koning van Juda [1] Hizkia, de zoon van Achaz, werd koning van Juda in het derde regeringsjaar van koning Hosea van Israël, de zoon van Ela. [2] Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij koning werd. Negenentwintig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Abi, de dochter van Zecharja. [3] Hij deed wat goed is in de ogen van de HEER, net zoals zijn voorvader David gedaan had. [4] Hij verwijderde de offerplaatsen, verbrijzelde de gewijde stenen, haalde de Asjerapalen omver en sloeg de koperen slang die Mozes gemaakt had aan stukken. De Israëlieten hadden namelijk nog altijd de gewoonte voor deze slang, die de naam Koperslang droeg, wierook te branden. [5] Hizkia stelde zijn vertrouwen in de HEER, de God van Israël. Nooit, noch voor noch na zijn tijd, is hij geëvenaard, door geen van de koningen van Juda. [6] Hij was de HEER toegedaan en heeft zich nooit van hem afgekeerd; hij hield zich aan de geboden die de HEER aan Mozes heeft gegeven. [7] De HEER stond hem bij, zodat Hizkia alles wat hij ondernam tot een goed einde bracht. Hij kwam in opstand tegen de koning van Assyrië en weigerde nog langer diens vazal te zijn. [8] Hij was het ook die de Filistijnen terugsloeg en het hele gebied tot aan Gaza en de omliggende dorpen veroverde, van de kleinste wachtpost tot de sterkste vestingstad. [9] In het vierde regeringsjaar van koning Hizkia, dus het zevende regeringsjaar van koning Hosea van Israël, trok koning Salmanassar van Assyrië tegen Samaria op en belegerde de stad. [10] Na een beleg van drie jaar, in het zesde regeringsjaar van Hizkia, dus het negende regeringsjaar van koning Hosea van Israël, werd Samaria ingenomen. [11] De koning van Assyrië voerde de Israëlieten als ballingen mee naar zijn land, waar sommigen een woonplaats kregen aangewezen in Chalach, anderen aan de rivier de Chabor in Gozan, en weer anderen in de steden van Medië. [12] Dit gebeurde omdat de Israëlieten de HEER, hun God, niet gehoorzaamd hadden. Ze hadden de regels van het verbond overtreden die Mozes, de dienaar van de HEER, hun gegeven had. Ze hadden niet geluisterd en niet gehandeld naar wat hun was voorgehouden.
Jeruzalem door Sanherib bedreigd [13] In het veertiende regeringsjaar van koning Hizkia trok koning Sanherib van Assyrië op tegen de versterkte steden van Juda en nam ze in. [14] Koning Hizkia van Juda stuurde afgezanten naar de koning van Assyrië, die in Lachis verbleef. Hun boodschap luidde: ‘Ik ben tegenover u in gebreke gebleven. Staak uw aanval. Wat u mij oplegt, zal ik dragen.’ De koning van Assyrië eiste van koning Hizkia van Juda driehonderd talent zilver en dertig talent goud. [15] Hizkia droeg al het zilver af dat zich in de tempel van de HEER en de schatkamers van het koninklijk paleis bevond. [16]Ook liet hij het gouden beslag verwijderen dat hij zelf op de deuren en deurposten van de grote zaal van de tempel had laten aanbrengen, en gaf dat aan de koning van Assyrië. [17] De koning van Assyrië stuurde vanuit Lachis drie hoogwaardigheidsbekleders, de tartan, de rabsaris en de rabsake, met een geweldig leger naar koning Hizkia in Jeruzalem. Zij trokken naar Jeruzalem op. Daar hielden ze halt bij de watertoevoer naar het bovenste waterbekken, aan de straat van het bleekveld, [18] en vroegen de koning te spreken. Hofmeester Eljakim, de zoon van Chilkia, hofschrijver Sebna en kanselier Joach, de zoon van Asaf, gingen naar hen toe. [19] De rabsake zei tegen hen: ‘Zeg tegen Hizkia: “Dit zegt de grote koning, de koning van Assyrië: ‘Waarop berust toch dat vertrouwen van u? [20] U meent dat mooie beloften opwegen tegen strategie en militaire macht? En in wie stelt u zo veel vertrouwen dat u tegen mij in opstand durft te komen? [21] In Egypte, die geknakte rietstengel die je hand doorboort wanneer je probeert erop te leunen! Want meer heeft de farao, de koning van Egypte, niet te betekenen voor degenen die hun vertrouwen in hem stellen.’” [22] En u kunt mij nu wel zeggen: “Wij stellen ons vertrouwen in de HEER, onze God,” maar was het niet juist die God wiens offerplaatsen en altaren Hizkia heeft laten verwijderen? Hizkia heeft immers tegen de bevolking van Juda en Jeruzalem gezegd dat ze alleen voor het altaar in Jeruzalem mogen neerknielen? [23] Welnu, waag uw kans met mijn heer, de koning van Assyrië. Hij zal u tweeduizend paarden geven, mits u in staat bent de ruiters ervoor te leveren. [24] Zolang u voor strijdwagens en ruiters op Egypte vertrouwt, zult u immers nog niet de afgevaardigde van de minste dienaar van mijn heer kunnen weerstaan. [25] U denkt toch niet dat hij zonder instemming van de HEER is opgetrokken om Jeruzalem te vernietigen? De HEER heeft hem gezegd: “Val dit land aan en vernietig het.”’ [26] Eljakim, Sebna en Joach zeiden tegen de rabsake: ‘Spreek alstublieft Aramees met ons, heer; wij verstaan dat. Spreek toch geen Judees met ons, het volk op de muur luistert mee.’ [27] Maar de rabsake antwoordde: ‘Dacht u dat mijn heer mij gestuurd heeft om het woord uitsluitend tot uw heer en u te richten? Onze woorden zijn net zo goed bestemd voor de mensen daar op de muur, die binnenkort net als u hun eigen stront zullen eten en hun eigen pis zullen drinken.’ [28] En hij rechtte zijn schouders, verhief zijn stem en zei, in het Judees: ‘Luister naar wat de grote koning, de koning van Assyrië u te zeggen heeft! [29] Dit zegt de koning: “Laat u door Hizkia geen rad voor ogen draaien, hij is niet in staat u uit mijn greep te bevrijden. [30] Laat hij u niet verleiden uw vertrouwen te stellen in de HEER. Als hij beweert: ‘De HEER zal ons vast en zeker redden en deze stad zal niet in handen vallen van de koning van Assyrië,’ [31] luister dan niet naar hem. Want dit zegt de koning van Assyrië: ‘Geef u over en stel u onder mijn hoede, dan kan ieder van u van zijn wijnstok en zijn vijgenboom eten en het water uit zijn eigen put drinken, [32] tot ik kom en u meevoer naar een land dat niet onderdoet voor dat van u: een land van graan en wijn, van brood en wijngaarden, van olierijke olijfbomen en honing. U zult in leven blijven en hoeft niet te sterven. Luister toch niet naar Hizkia, die u valse hoop geeft met zijn bewering dat de HEER u zal redden. [33] Hebben de goden van andere volken hun land soms gered uit de handen van de koning van Assyrië? [34] Waar zijn de goden van Hamat en Arpad gebleven, waar waren de goden van Sefarwaïm, Hena en Iwwa? Hebben die Samaria soms uit mijn handen gered? [35] Als geen enkele god in staat is gebleken zijn land uit mijn handen te redden, hoe zou dan de HEER Jeruzalem kunnen redden?’”’ [36] Maar het volk zweeg en antwoordde met geen woord, want zo had de koning het bevolen. [37] Hofmeester Eljakim, de zoon van Chilkia, hofschrijver Sebna en kanselier Joach, de zoon van Asaf, gingen met gescheurde kleren naar Hizkia om hem de woorden van de rabsake over te brengen.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.