De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Het tweede boek Makkabeeën
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 15
[1] Nikanor vernam dat Judas en zijn mannen zich in het gebied van Samaria bevonden. Hij besloot ze voor alle veiligheid op de rustdag aan te vallen. [2] De Judeeërs die hem noodgedwongen volgden brachten daar tegenin: ‘U mag ze niet op zo’n wrede en barbaarse wijze ombrengen. Heb eerbied voor de dag die degene die alles ziet van het begin af heeft geëerd en geheiligd.’ [3] Op de vraag van de schurk of er dan in de hemel een machthebber was, die bevolen had de sabbat te houden, [4] antwoordden ze vrijmoedig: ‘De levende Heer zelf is de machthebber in de hemel, die bevolen heeft de zevende dag te vieren.’ [5] Maar de ander zei: ‘En ik ben machthebber hier op aarde en ik beveel de wapens op te nemen en de zaak van de koning te dienen.’ Toch was hij niet in staat zijn rampzalig plan te volbrengen.
     [6] Terwijl Nikanor in zijn mateloze verwaandheid al besloten had om van de wapenrustingen van het verslagen leger van Judas een groot gedenkteken te maken, [7] bleef de Makkabeeër met een groot vertrouwen op de hulp van de Heer rekenen. [8] Hij spoorde zijn mannen aan niet bang te zijn voor de aanval van de naties maar te denken aan al de keren dat de hemel hen al geholpen had; daarom mochten ze ook nu weer verwachten, dat de Almachtige hun de overwinning zou schenken. [9] Met teksten uit de Wet en uit de Profeten sprak hij hen moed in en hij herinnerde ze daarbij aan de gevechten die ze vroeger doorstaan hadden en wakkerde zo hun strijdlust aan. [10] Tenslotte wees hij erop, dat de heidenen trouweloos waren en hun eden niet hielden. Nu hij de gemoederen in beweging had gebracht, gaf hij het bevel om de wapens op te nemen.
     [11] Hij had ieder van hen niet zozeer gewapend met de zekerheid die schild en lans bieden, alswel met de troost van welgekozen woorden. Bovendien vertelde hij hun een geloofwaardige droom, een soort van visioen, waarmee hij iedereen enthousiast maakte. [12] De droom was als volgt: Onias, de vroegere hogepriester, die een voortreffelijk mens was geweest, bescheiden in de omgang, zacht van karakter, waardig in zijn spreken en die zich vanaf zijn jeugd had toegelegd op alles wat deugd is, bad met uitgestrekte handen voor heel het Joodse volk. [13] Daarna zag Judas een andere man in dezelfde houding, die zich onderscheidde door zijn hoge leeftijd en zijn waardigheid; een bewonderenswaardige en vorstelijke voornaamheid straalde van hem af. [14] Toen hoorde Judas Onias zeggen: ‘Dit is Jeremia, de profeet van God, die zijn broeders liefheeft en veel bidt voor zijn volk en de heilige stad.’ [15] Daarop strekte Jeremia zijn rechterhand uit en overhandigde Judas een gouden zwaard, terwijl hij zei: [16] ‘Neem dit heilige zwaard in ontvangst: het is een geschenk van God. Hiermee zult u de vijanden verpletteren.’
     [17] Bezield door de indrukwekkende toespraak van Judas, die de dapperheid aanmoedigde en het gemoed van de jongeren staalde, besloten de Judeeërs geen legerplaats op te slaan, maar fier tot de aanval over te gaan en in een dapper gevecht van man tegen man de strijd te beslissen, want de stad, de heilige instellingen en de tempel waren in gevaar. [18] Hun eerste en grootste angst gold niet hun vrouwen en kinderen, hun broers en verwanten, maar de heilige tempel. [19] Maar ook degenen die in de stad waren achtergebleven verkeerden in grote angst, ongerust als ze waren over de uitslag van de aanval in het open veld. [20] Terwijl iedereen met spanning de komende beslissing tegemoet zag, trok de vijand zijn troepen samen en stelde ze in slagorde op: de olifanten werden in een gunstige positie geplaatst en de ruiterij werd over de beide vleugels van het leger verdeeld.
     [21] Toen de Makkabeeër de opstelling van de troepen voor zich zag, de rijke verscheidenheid van hun wapens en het onheilspellend uiterlijk van de olifanten, hief hij zijn handen ten hemel en bad tot de Heer die wonderen kan doen, omdat hij wist dat de zege niet door wapens bevochten wordt, maar dat degene die door de Heer waardig gekeurd wordt, ze behaalt. [22] Hij bad aldus: ‘Heer, U hebt ten tijde van Hizkia, de koning van Juda, uw engel gezonden die ongeveer honderdvijfentachtigduizend man van het leger van Sanherib doodde. [23] Vorst van de hemel, zend ook nu weer uw goede engel voor ons uit om angst en paniek te verspreiden. [24] Verpletter door de kracht van uw arm degenen die met een godslastering op de lippen oprukken tegen uw heilig volk.’ Dat was zijn gebed.
     [25] Terwijl het leger van Nikanor onder trompetgeschal en krijgszang oprukte, [26] stormden de soldaten van Judas op de vijand af, terwijl ze smekend God aanriepen. [27] Strijdend met hun handen, baden ze in hun hart tot God. Zo sloegen ze niet minder dan vijfendertigduizend man neer, ten zeerste verheugd over de zichtbare hulp van God.
     [28] Toen de strijd ten einde was en ze zich vol vreugde terugtrokken, vonden ze Nikanor in volle wapenrusting dood op de grond liggen. [29] Na het geschreeuw en gejoel dat losbrak, hieven ze in hun moedertaal een loflied aan voor de Heer. [30] De man die zich geheel en al, met hart en ziel had ingezet voor de verdediging van zijn medeburgers, zonder ooit de toewijding voor zijn volksgenoten, die hij vanaf zijn jeugd had, te verliezen, gaf het bevel om Nikanor het hoofd en de rechterarm af te slaan en ze naar Jeruzalem te brengen.
     [31] In Jeruzalem gekomen riep hij zijn volksgenoten bijeen en liet hij de priesters voor het brandofferaltaar plaatsnemen. Daarna ontbood hij de bezetting van de burcht, [32] en toonde hun het hoofd van de gemene Nikanor en de hand, die de godslasteraar brutaal tegen de heilige woning van de Almachtige had uitgestoken. [33] Daarop liet hij de tong van de goddeloze Nikanor uitsnijden en in stukjes aan de vogels voeren; als loon voor zijn dwaasheid hing hij zijn afgehouwen rechterhand tegenover de tempel op. [34] Allen zonden hun dank ten hemel en prezen de Heer die hen zo zichtbaar geholpen had, met de woorden: ‘Geloofd zij Hij die zijn heiligdom ongerept heeft bewaard!’ [35] Het hoofd van Nikanor bevestigde Judas aan de muur van de burcht als een zichtbaar en duidelijk bewijs dat de Heer hen geholpen had.
     [36] Met algemene instemming werd besloten deze dag niet ongemerkt voorbij te laten gaan, maar hem te vieren op de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand die in het Aramees adar heet, dus een dag voor het Mordekaifeest*. [37] Zo verging het Nikanor. Sinds die tijd bleef de stad in het bezit van de Hebreeën. Daarom besluit ik hier mijn verhaal.

Slotwoord
     [38] Als de stof mooi en treffend geordend is, dan is mijn wens vervuld; ben ik daar maar zwak of middelmatig in geslaagd, dan heb ik toch gedaan wat ik kon. [39] Het is schadelijk voor de gezondheid om alleen wijn of alleen water te drinken, terwijl juist wijn met water gemengd goed smaakt en een behaaglijk gevoel van vreugde geeft; zo streelt een verhaal door de ordening van de stof, de oren van de lezers. En dit is het einde.
Hoofdstuk 15
Nikanor definitief verslagen en gedood
[1] Nikanor kreeg bericht dat Judas en de zijnen zich in de omgeving van Samaria bevonden. Uit voorzorg besloot hij hen aan te vallen op hun rustdag. [2] De Joden die hij gedwongen had met hem mee te gaan, verzochten hem geen wreed en barbaars bloedbad aan te richten, maar de dag in ere te houden die door de Alziende van het begin af aan heilig is verklaard. [3] De door en door verdorven schurk vroeg hun daarop of er in de hemel soms een heerser was die bevolen had de sabbat te vieren. [4] Toen ze hem onomwonden zeiden: ‘De levende Heer zelf is heerser in de hemel, en hij heeft bevolen dat de zevende dag in ere gehouden moet worden,’ [5] antwoordde Nikanor: ‘En ik ben heerser op aarde, en ik beveel u de wapens op te nemen en te doen wat de koning u opdraagt.’ Toch slaagde hij er niet in zijn verdorven plannen ten uitvoer te brengen.
     [6] Terwijl Nikanor zich in zijn mateloze hoogmoed al voorstelde hoe hij een zegeteken zou oprichten uit de wapenrustingen die hij op Judas en zijn mannen zou buitmaken, [7] was de Makkabeeër nog altijd vol goede hoop. Hij vertrouwde erop dat de Heer hem te hulp zou komen [8] en hield zijn mannen voor dat ze niet bang moesten zijn voor de aanval van de vreemde volken. Hij herinnerde hen aan de hulp die hun al eerder vanuit de hemel geboden was. Ook nu moesten ze erop vertrouwen dat de Almachtige hun de overwinning zou schenken. [9] Ter bemoediging haalde hij de Wet en de Profeten aan, en om hun moed aan te wakkeren bracht hij hun eerder doorstane gevechten in herinnering. [10] Nadat hij ten slotte hun strijdlust had geprikkeld door te wijzen op de trouweloosheid van die volken, die immers het verdrag geschonden hadden, deelde hij zijn bevelen uit. [11] Zo wapende hij ieder van hen niet zozeer met de zekerheid die schilden en lansen kunnen bieden, maar vooral met welgekozen bemoedigende woorden. Hun geestdrift werd met name gewekt toen hij vertelde dat hij een droom had gehad die beslist zou uitkomen. [12] Hij had gedroomd van de vroegere hogepriester Onias, een goed en nobel mens die bescheiden in de omgang was en zacht van karakter, die waardig het woord kon voeren en van jongs af aan een deugdzaam leven had geleid. Deze Onias nu had zijn handen geheven om te bidden voor het hele Joodse volk. [13] Ook was in zijn droom een man van een opmerkelijke ouderdom en waardigheid verschenen; een bewonderenswaardige en vorstelijke voornaamheid straalde van hem af. [14] Toen had Onias gezegd: ‘Deze man, die zijn volksgenoten liefheeft en voortdurend bidt voor hen en voor de heilige stad, is Jeremia, de profeet van God.’ [15] Jeremia had zijn rechterarm uitgestrekt en Judas een gouden zwaard overhandigd, en daarbij had hij gezegd: [16] ‘Neem dit heilige zwaard aan als geschenk van God. Hiermee zul je de vijand verpletteren.’
     [17] Gesterkt door de bezielende woorden van Judas, die de dapperheid aanwakkerden en het gemoed van de jongeren staalden, besloten ze zich niet eerst in slagorde op te stellen maar direct aan te vallen, zich dapper in de strijd te werpen en op die manier de zaak te beslechten. De stad, het tempelterrein en de tempel zelf liepen immers gevaar. [18] Hun eerste en voornaamste zorg gold niet hun vrouwen en kinderen of familie en vrienden, maar de heilige tempel. [19] Ook de mensen die in de stad waren achtergebleven zaten in grote angst, ongerust als ze waren over de afloop van een strijd op open terrein.
     [20] Terwijl allen in spanning de komende beslissing afwachtten, trok de vijand zijn leger samen en stelde het in slagorde op. De olifanten werden op een strategische positie geplaatst en de ruiterij werd over de beide flanken verdeeld. [21] Toen de Makkabeeër het vijandelijke leger in ogenschouw nam en zag met wat voor een verscheidenheid aan wapens het uitgerust was en hoe woest hun olifanten waren, hief hij zijn handen ten hemel en bad tot de Heer die wonderen kan verrichten. Hij wist immers dat de overwinning niet met wapens zou worden behaald, maar dat de Heer, wanneer het hem behaagt, de overwinning schenkt aan degenen die hij het waard acht. [22] Zijn gebed luidde als volgt: ‘U, Heer, u hebt koning Hizkia van Juda uw engel gezonden, die ongeveer honderdvijfentachtigduizend man uit het kamp van Sanherib heeft gedood. [23] Heer van de hemel, zend ook nu een goede engel voor ons uit om angst en paniek te zaaien. [24] Mogen zij die met een godslastering op de lippen tegen uw heilige volk zijn opgetrokken, door de kracht van uw arm verpletterd worden.’ Zo luidde zijn gebed.
     [25] Het leger van Nikanor stormde onder trompetgeschal en krijgsliederen naar voren. [26] Het leger van Judas stortte zich onder het aanroepen van Gods naam en het aanheffen van gebeden in de strijd. [27] Terwijl ze streden met hun handen, baden ze in hun hart tot God. Zo doodden ze niet minder dan vijfendertigduizend man, en deze klaarblijkelijke hulp van God stemde hen tot grote vreugde.
     [28] Toen ze na afloop van de slag opgetogen de terugtocht aanvaardden, herkenden ze in een van de gevallenen Nikanor, die in volle wapenrusting was gesneuveld. [29] Ze begonnen te schreeuwen en te joelen en hieven daarna in hun moedertaal een loflied aan op de Heer. [30] Judas, hij die altijd met hart en ziel voor zijn medeburgers was opgekomen en zijn volksgenoten van jongs af aan toegewijd was geweest, gaf bevel Nikanors hoofd en zijn hele arm af te hakken en deze mee te nemen naar Jeruzalem. [31] Daar aangekomen riep hij zijn volksgenoten bijeen, droeg de priesters op bij het altaar te gaan staan en ontbood het garnizoen van de citadel. [32] Toen toonde hij aan iedereen het hoofd van de verdorven Nikanor en de arm van de ellendeling, dezelfde arm die hij in zijn hoogmoed had uitgestrekt naar de heilige woning van de Almachtige. [33] Hij sneed de godslasteraar zijn tong uit zijn mond en zei dat die in kleine stukjes aan de vogels moest worden gevoerd. Zijn arm moest als loon voor zijn waanzin tegenover de tempel worden opgehangen. [34] Alle aanwezigen hieven hun gezicht naar de hemel en loofden de Heer omdat hij zijn aanwezigheid kenbaar had gemaakt: ‘Geprezen zij hij, die zijn eigen woning voor bezoedeling heeft behoed.’ [35] Nikanors hoofd werd aan de buitenkant van de citadel opgehangen als een voor iedereen zichtbare herinnering aan de hulp die de Heer geboden had. [36] Met algemene stemmen werd besloten dat deze dag niet vergeten mocht worden, maar voortaan ieder jaar zou worden gevierd op de dertiende dag van de twaalfde maand (de maand adar in het Aramees), dat wil zeggen één dag voor het feest van Mordechai.
     [37] Zo liep het dus met Nikanor af. Sindsdien is de stad in handen van de Hebreeën gebleven. Hiermee ben ik aan het slot van mijn verhaal gekomen.

Nawoord
     [38] Als het goed verteld en logisch geordend is, ben ik in mijn opzet geslaagd; als het resultaat zwak en middelmatig is, heb ik in elk geval mijn best gedaan. [39] Het is niet goed om onverdunde wijn te drinken, en hetzelfde geldt voor water waaraan niets is toegevoegd. Maar wijn met water aangelengd streelt de tong en geeft een gevoel van welbehagen, en zo streelt ook een goed gecomponeerd verhaal de oren van de lezer. Laat dit het einde zijn.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties