De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Deuteronomium
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 1
Inleiding
[1] Dit is de rede die Mozes aan de overzijde van de Jordaan voor heel Israël gehouden heeft, in de Araba bij Suf, tussen Paran en Tofel, Laban, Chaserot en Di-Zahab. [2] De afstand van de Horeb* tot aan Kades-Barnea langs de weg door het Seïrgebergte is elf dagen reizen. [3] Toen Mozes in opdracht van de heer zijn rede tot de Israëlieten hield, was het het veertigste jaar, de eerste dag van de elfde maand. [4] Mozes had Sichon, de koning van de Amorieten die in Chesbon zetelde, en Og, de koning van Basan die in Astarot en Edreï zetelde, verslagen. [5] Aan de overzijde van de Jordaan, in Moab, begon hij deze Wet af te kondigen. Hij* zei: [6] ‘De* heer onze God heeft bij de Horeb tegen ons gezegd: “U bent nu lang genoeg bij deze berg gebleven. [7] Trek verder naar het bergland van de Amorieten en naar alle naburige plaatsen, in de Araba in het bergland, in de Sefela, in de Negeb en aan de zeekust, het gebied van de Kanaänieten, en de Libanon tot aan de Grote Rivier, de Eufraat. [8] Aan u geef Ik dat land in handen. Neem dus het land in bezit dat de heer aan uw vaderen, aan Abraham, Isaak en Jakob, onder ede beloofd heeft, aan hen en aan hun nakomelingen.”

Helpers van Mozes
     [9] In die tijd heb ik tegen u gezegd: “Ik kan de zorg voor u niet meer alleen dragen. [10] De heer uw God heeft u vandaag al even talrijk gemaakt als de sterren aan de hemel. [11] En ik hoop dat de heer, de God van uw vaderen, u nog duizendmaal zo talrijk maakt en u zijn zegen schenkt, zoals Hij beloofd heeft. [12] Het is voor mij niet meer mogelijk alle zorgen, lasten en onenigheden die zich bij u voordoen, alleen te dragen. [13] Wijs daarom uit elke stam verstandige, kundige en ervaren mannen aan; dan zal ik die als uw leiders aanstellen.” [14] U hebt daarop geantwoord: “Dat is een uitstekend voorstel.” [15] Toen heb ik uw stamhoofden, verstandige en ervaren mannen, als leiders over u aangesteld. Aanvoerders van duizend en honderd, aanvoerders van vijftig en tien, en ook nog schrijvers, uit elke stam. [16] Uw rechters heb ik toen voorgehouden: “Hoor beide partijen en vel een rechtvaardig vonnis, zowel bij rechtszaken met volksgenoten als met vreemdelingen. [17] Zie bij het rechtspreken niemand naar de ogen. Verleen de mindere man even goed gehoor als de hooggeplaatste. Laat u door niemand intimideren, want de rechtspraak is iets van God. Als een zaak te moeilijk voor u is, leg die dan aan mij voor; dan zal ik die behandelen.” [18] Zo heb ik indertijd uw taak omschreven.

Mislukte aanval op Kanaän
     [19] Vervolgens* zijn wij van de Horeb weggegaan en zijn wij, op bevel van de heer, zoals u zelf hebt meegemaakt, door die grote en verschrikkelijke woestijn getrokken in de richting van het bergland van de Amorieten, tot wij in Kades-Barnea kwamen. [20] Ik heb daar gezegd: “U hebt nu het bergland van de Amorieten bereikt dat de heer onze God ons schenkt. [21] De heer uw God heeft u dit land overgeleverd. Trek op en neem het in bezit, zoals de heer, de God van uw vaderen, u beloofd heeft. Vrees niet en wees niet bang!” [22] Maar toen bent u allemaal naar mij toe gekomen en hebt gezegd: “Laat ons eerst enkele mannen vooruit sturen om het land te verkennen en om ons in te lichten over de weg die wij moeten nemen en de steden waar wij zullen komen.” [23] Omdat dit voorstel mij verstandig leek, heb ik twaalf mannen aangewezen, één uit elke stam. [24] Die zijn op weg gegaan, het gebergte in. Zij zijn tot het dal Eskol doorgedrongen en hebben dat verkend. [25] Zij hebben vruchten van het land geplukt en die mee naar beneden gebracht. En toen zij ons verslag uitbrachten, hebben zij gezegd: “Het land dat de heer onze God ons schenkt is een heerlijk land.” [26] Maar u wilde er toen niet naartoe gaan; u bent in verzet gekomen tegen de heer uw God. [27] U hebt in uw tenten zitten morren en gezegd: “De heer haat ons! Hij heeft ons uit Egypte geleid en nu laat Hij ons in de handen van de Amorieten vallen om ons uit te roeien! [28] Waar gaan wij toch naartoe? Onze broeders hebben ons de moed ontnomen door te zeggen: ‘De mensen daar zijn groter* en langer dan wij; de steden zijn groot en de vestingmuren hemelhoog. Wij hebben er zelfs Enakieten gezien.’ ” [29] Ik heb u nog gezegd: “Wees voor hen niet bang of bevreesd. [30] De heer uw God gaat voor u uit. Hij zal zelf voor u strijden, zoals Hij dat in Egypte voor uw eigen ogen heeft gedaan, [31] en* in de woestijn*, waar u ervaren hebt hoe de heer uw God u gedragen heeft zoals iemand zijn zoon draagt, heel de lange tocht tot hiertoe. [32] Maar desondanks hebt u geen vertrouwen gesteld in de heer uw God, [33] in Hem die onderweg voor u uit ging op zoek naar een legerplaats, om u ’s nachts in een vuurgloed de weg te wijzen die u moest gaan, en overdag in een wolk.”
     [34] Toen de heer uw gepraat hoorde, is Hij kwaad geworden en zwoer: [35] “Niet één van de mannen van deze verdorven generatie zal het heerlijke land aanschouwen dat Ik uw vaderen onder ede beloofd heb, [36] behalve Kaleb, zoon van Jefunne. Aan hem en zijn kinderen zal Ik het land schenken dat hij heeft verkend, want hij is de heer in alles trouw gebleven.” [37] Ook op mij is de heer door* uw schuld kwaad geworden. Hij heeft mij gezegd: “U zult er evenmin binnengaan, [38] maar wel Jozua, zoon van Nun, uw helper. Spreek hem moed in, want hij zal Israël in bezit stellen van het land. [39] Ook uw kleine kinderen, die volgens u een prooi voor de vijand zouden zijn, uw kinderen, die nu nog geen goed van kwaad kunnen onderscheiden, ook zij zullen er binnengaan; aan hen zal Ik het schenken en zij zullen het in bezit nemen. [40] Maar u moet nu opnieuw de woestijn in trekken, in de richting van de Rietzee.” [41] U antwoordde: “Wij hebben gezondigd tegen de heer! Wij zullen optrekken en de strijd beginnen, zoals de heer onze God heeft bevolen.” Ieder van u gordde zijn wapens om, alsof het ineens makkelijk was om het bergland in te trekken. [42] Maar de heer sprak tot mij: “Zeg hun dat ze niet optrekken en de strijd niet beginnen, want Ik zal niet met hen zijn; ze zullen door de vijand verslagen worden.” [43] Ik heb u die woorden overgebracht, maar u luisterde niet; u hebt u verzet tegen de heer en bent zo overmoedig geweest om het bergland in te trekken. [44] De Amorieten in dat bergland zijn tegen u uitgerukt, ze hebben u als bijen achtervolgd, en van Seïr tot Chorma op u in geslagen. [45] Na uw terugkeer hebt u voor de heer een weeklacht aangeheven, maar Hij heeft niet naar u geluisterd en u niet verhoord. [46] Daarom bent u zo lang in Kades gebleven.
Hoofdstuk 1
Terugblik op Israëls geschiedenis
[1] Dit is de toespraak die Mozes tot heel Israël heeft gehouden in de dorre vlakte aan de overkant van de Jordaan, ter hoogte van Suf, tussen Paran aan de ene kant en Tofel, Laban, Chaserot en Di-Zahab aan de andere. [2] (Het is elf dagreizen van de Horeb naar Kades-Barnea, als men de route door het Seïrgebergte volgt.) [3] Veertig jaar na het vertrek uit Egypte, op de eerste dag van de elfde maand, sprak Mozes het volk van Israël toe zoals de HEER hem had opgedragen. [4] Dat gebeurde nadat hij Sichon, de koning van de Amorieten, die in Chesbon zetelde, had verslagen, alsook koning Og van Basan, die zetelde in Astarot en Edreï. [5] Aan de overkant van de Jordaan, in Moab, begon Mozes het volk te onderrichten, duidelijk en uitvoerig:

     [6] De HEER, onze God, heeft bij de Horeb tegen ons gezegd: ‘Jullie zijn nu lang genoeg bij deze berg gebleven. [7] Breek het kamp op en trek naar het bergland van de Amorieten en naar het gebied van de naburige volken: de Jordaanvallei, het bergland, het heuvelland, de Negev en de kuststrook – de gebieden van de Kanaänieten – en de Libanon tot aan de grote rivier de Eufraat. [8] Heel dat gebied schenk ik jullie. Trek het binnen en neem het in bezit, want dat is het land dat de HEER jullie voorouders Abraham, Isaak en Jakob en hun nageslacht onder ede heeft beloofd.’
     [9] Daarna heb ik tegen u gezegd: ‘Ik alleen kan de verantwoordelijkheid voor u niet dragen. [10] De HEER, uw God, heeft u zo in aantal doen toenemen dat u nu zo talrijk bent als de sterren aan de hemel, [11] en moge hij, de God van uw voorouders, u nog duizendmaal zo talrijk maken en u zegenen zoals hij heeft beloofd. [12] Maar hoe zou ik alleen de last van uw problemen en geschillen kunnen dragen? [13] Wijs daarom in elke stam bekwame, verstandige en ervaren mannen aan, dan zal ik hen als leiders over u aanstellen.’ [14] Toen antwoordde u: ‘Uw voorstel is goed, dat zullen we doen.’ [15] Daarop koos ik de hoofden van uw stammen uit, bekwame, ervaren mannen, en gaf hun de leiding over groepen van duizend man, van honderd, van vijftig en van tien; anderen stelde ik voor uw stammen als schrijver aan. [16] De rechters gaf ik toen deze instructie: ‘Hoor beide partijen en doe rechtvaardig uitspraak, zowel tussen twee volksgenoten als wanneer er een vreemdeling bij betrokken is. [17] Oordeel zonder aanzien des persoons, hoor de arme evengoed als de rijke. Laat u door niemand bang maken, want u spreekt recht namens God. Wanneer iets u te moeilijk is, leg het dan aan mij voor en ik zal me erover buigen.’ [18] En zo heb ik u destijds vele aanwijzingen gegeven.
     [19] Vanaf de Horeb zijn we dwars door die grote, verschrikkelijke woestijn getrokken, die u nog lang zal heugen, naar het bergland van de Amorieten, zoals de HEER, onze God, ons had opgedragen. Ten slotte kwamen we bij Kades-Barnea. [20] Toen zei ik tegen u: ‘U bent nu het bergland van de Amorieten genaderd, dat de HEER, onze God, ons zal geven. [21] Hij is het die u dat gebied schenkt. Welnu, trek verder en neem het in bezit, want zo heeft de HEER, de God van uw voorouders, het bepaald. Wees niet bang en laat u door niets ontmoedigen.’ [22] Toen bent u allemaal bij me gekomen en u zei: ‘We willen mannen vooruitsturen om het land te verkennen. Dan kunnen zij ons verslag uitbrengen en ons vertellen welke route we moeten nemen en langs welke steden we komen.’ [23] Ik vond dat een goed voorstel en koos twaalf mannen uit, één per stam. [24] Zij zijn erop uitgegaan, het bergland in getrokken en uiteindelijk in het Eskoldal aangekomen. Na verkenning van het dal [25] plukten ze daar vruchten, namen die mee en deden ons verslag. ‘Het is prachtig,’ vertelden ze, ‘dat land dat de HEER, onze God, ons zal geven!’
     [26] Maar u wilde niet verder trekken en verzette u tegen het bevel van de HEER, uw God. [27] U zat in uw tenten te klagen: ‘De HEER moet ons wel haten! Hij heeft ons alleen maar uit Egypte weggehaald om ons uit te leveren aan de Amorieten en om ons te laten uitroeien. [28] Waar gaan we eigenlijk heen? De moed is ons in de schoenen gezonken toen onze verkenners vertelden dat de mensen daar sterker en langer zijn dan wij, dat ze in grote steden met hemelhoge versterkingen wonen en dat er zelfs reuzen leven.’ [29] Toen heb ik u geantwoord: ‘Er is geen enkele reden om bang voor hen te zijn. [30] De HEER, uw God, die voor u uit gaat, zal immers voor u strijden. U hebt toch gezien hoe hij het in Egypte voor u opnam, [31] en ook in de woestijn, waar u ervaren hebt dat de HEER, uw God, u gedragen heeft zoals een vader zijn kind draagt, de hele weg die u gegaan bent tot uw aankomst hier.’ [32] Desondanks vertrouwde u niet op de HEER, uw God, [33] hoewel hij u voorging op uw weg om een plaats voor u te zoeken waar u uw kamp kon opslaan, en u ’s nachts met een vuur en overdag met een wolk de weg wees die u moest gaan.
     [34] Toen de HEER u hoorde klagen, ontstak hij in woede. Hij zwoer: [35] ‘Niemand van deze verdorven generatie zal het goede land zien dat ik jullie voorouders onder ede heb beloofd. [36] Alleen Kaleb, de zoon van Jefunne, zal het zien; aan hem en zijn zonen zal ik het gebied geven dat hij verkend heeft, want hij bleef volledig op de HEER vertrouwen.’ [37] Door uw schuld werd de HEER ook kwaad op mij: ‘Ook jij mag het land niet in,’ zei hij. [38] ‘Maar je rechterhand Jozua, de zoon van Nun, zal het wél binnengaan. Bereid hem voor op zijn taak; hij zal het land aan Israël in bezit geven. [39] En jullie kinderen, die volgens jullie buitgemaakt zouden worden, jullie kinderen die zich nog niet bewust zijn van goed en kwaad, mogen dat land ook binnengaan. Aan hen zal ik het geven, zij zullen het in bezit nemen. [40] Maar jullie moeten nu omkeren en de woestijn weer in trekken, in de richting van de Rode Zee.’
     [41] Toen hebt u mij geantwoord: ‘Wij hebben gezondigd tegen de HEER. Maar nu zullen we ten strijde trekken, zoals de HEER, onze God, ons heeft opgedragen.’ En nadat ieder van u zijn wapens had aangegord, wilde u in uw overmoed naar de bergen trekken. [42] Maar de HEER droeg mij op u te waarschuwen: ‘Trek niet ten strijde – anders zullen jullie door je vijanden verslagen worden, want ik ben niet in jullie midden.’ [43] Ik heb u dat gezegd, maar u wilde niet luisteren en verzette u tegen het bevel van de HEER. U had de euvele moed om toch naar de bergen op te trekken. [44] De Amorieten, die daar wonen, kwamen op u af en achtervolgden u als een zwerm bijen. Ze brachten u in het Seïrgebergte een verpletterende nederlaag toe en joegen u na tot aan Chorma. [45] Na terugkomst klaagde u uw nood bij de HEER, maar hij wilde niet naar u luisteren en hield zich doof. [46] Zo bent u lange tijd in Kades gebleven.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties