De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Ester
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 8
[1] Nog diezelfde dag gaf Ahasveros, de koning, het huis van Haman, de vijand van de Judeeërs, aan koningin Ester, en werd Mordekai bij de koning toegelaten, want Ester had verteld, in welke betrekking hij tot haar stond. [2] De koning deed de ring af, die hij Haman ontnomen had, en gaf die aan Mordekai. En Ester stelde Mordekai aan over het huis van Haman.

De begunstigde Judeeërs
     [3] Toen nam Ester opnieuw het woord voor het aangezicht van de koning. Zij viel aan zijn voeten neer en smeekte hem onder tranen om het onheil te verijdelen dat Haman, de Agagiet, tegen de Judeeërs beraamd had. [4] De koning reikte Ester de gouden scepter aan. Ester rees op en stond nu voor de koning. [5] Zij sprak: ‘Als het de koning goeddunkt en ik genade heb gevonden in zijn ogen, en als mijn voorstel de goedkeuring van de koning kan wegdragen en ik hem genoegen geef, laat er dan een schrijven uitgaan om de brieven te herroepen, die de Agagiet Haman, de zoon van Hammedata, uitgedacht en geschreven heeft om in al de provincies van de koning de Judeeërs uit te roeien. [6] Want hoe zal ik het onheil kunnen aanzien, dat mijn volk zal treffen? Hoe zal ik kunnen aanzien dat mijn familie wordt uitgeroeid?’
     [7] Daarop zei Ahasveros, de koning, tegen koningin Ester en tegen de Judeeër Mordekai: ‘Ik heb het huis van Haman aan Ester gegeven en hijzelf is aan de paal opgehangen, omdat hij de hand wilde slaan aan de Judeeërs. [8] Schrijf nu zelf maar wat je voor de Judeeërs gewenst acht, in naam van de koning, en verzegel dat met de ring van de koning. U weet: wat in de naam van de koning geschreven en met de ring van de koning verzegeld is, kan* niet herroepen worden.’
     [9] De koninklijke schrijvers werden ontboden. Toen dat gebeurde was het de derde maand, de maand siwan, de drieëntwintigste dag. Geheel volgens de aanwijzingen van Mordekai werd er een bevelschrift opgesteld voor de Judeeërs, en voor de satrapen, de gouverneurs en de bestuurders van de provincies, van Indië tot Kus, honderdzevenentwintig provincies, voor iedere provincie in haar eigen schrift en voor ieder volk in zijn eigen taal; ook aan de Judeeërs werd in hun eigen schrift en taal geschreven. [10] En hij stelde die beschikking op in naam van Ahasveros, de koning, en verzegelde haar met de ring van de koning. Daarna verzond hij afschriften met de bereden ijlboden, die reden op de koninklijke paarden, gefokt van bliksemsnelle merries. [11] De koning stond de Judeeërs in alle steden toe, zich aaneen te sluiten en zichzelf te verdedigen; om iedere gewapende macht, van welk volk en uit welke provincie ook, die hen zou belagen, te verdelgen, te doden en uit te roeien, met kinderen en vrouwen, en zij mochten hun bezittingen plunderen, [12] op één en dezelfde dag in alle provincies van Ahasveros, de koning, de dertiende van de twaalfde maand, te weten de maand adar.

     [13] Het afschrift van de tekst van deze beschikking moest bij wijze van wet in alle provincies uitgevaardigd worden en ter kennis van alle volken gebracht worden, en de Judeeërs moesten zich op de bewuste dag gereed houden om zich op hun vijanden te wreken.
     [14] Op bevel van de koning stoven de ijlboden, die op de koninklijke paarden reden, weg. Ook in de vesting van Susan werd de wet uitgevaardigd. [15] Toen ging Mordekai bij de koning weg, gekleed in een koninklijk gewaad van wit en violet linnen, met een grote gouden diadeem en een grote mantel van byssus en purperen stof. De stad Susan was opgetogen van vreugde. [16] Voor de Judeeërs was het een dag van geluk en vreugde, van gejuich en glorie. [17] Ook in alle provincies en in alle steden waar het besluit en bevel van de koning bekend werd, was er bij de Judeeërs vreugde en gejuich: er werden maaltijden aangericht en het was feest. Uit de bevolking van het land gingen velen tot het jodendom over, want vrees voor de Judeeërs had hen overvallen.
Hoofdstuk 8
[1] Diezelfde dag nog schonk koning Ahasveros de bezittingen van Haman, de vijand van de Joden, aan koningin Ester. En Mordechai kreeg vrij toegang tot de koning, want Ester had verteld in welke relatie hij tot haar stond. [2] De koning deed de zegelring af die hij Haman had afgenomen en gaf die aan Mordechai. En Ester gaf Mordechai het beheer over Hamans bezittingen.

Bevelschrift ten gunste van de Joden
     [3] Opnieuw wendde Ester zich tot de koning. Huilend viel ze aan zijn voeten en smeekte hem het verderfelijke plan te verijdelen dat Haman, de nakomeling van Agag, tegen de Joden had beraamd. [4] De koning stak Ester de gouden scepter toe, waarna ze opstond, voor de koning ging staan [5] en zei: ‘Als het de koning goeddunkt en hij mij goedgezind is, als het de koning juist lijkt en hij op mij gesteld is, laat er dan een schrijven uitgaan dat de brieven herroept die geschreven zijn door Haman, de zoon van Hammedata, de nakomeling van Agag, waarin zijn plan staat om in alle provincies van het rijk de Joden uit te roeien. [6] Want hoe zou ik het onheil dat mijn volk treft kunnen aanzien? Hoe zou ik het uitroeien van mijn familie kunnen aanzien?’ [7] Koning Ahasveros zei tegen koningin Ester en tegen de Jood Mordechai: ‘Hamans bezittingen heb ik al aan Ester gegeven en hijzelf is aan de paal gehangen omdat hij de Joden om het leven wilde brengen. [8] Stel nu zelf, in naam van de koning, een verordening op schrift die volgens u in het belang van de Joden is, en verzegel die met de koninklijke zegelring. Want wat geschreven is in naam van de koning en verzegeld met de zegelring van de koning kan niet worden herroepen.’
     [9] Meteen daarna, op de drieëntwintigste dag van de derde maand, de maand siwan, werden de schrijvers van de koning ontboden. Er werd een bevel op schrift gesteld dat precies zo luidde als Mordechai het wilde en dat gericht was aan de Joden, aan de satrapen en de gouverneurs, en aan de hoofden van alle provincies, van India tot Nubië, honderdzevenentwintig provincies. Voor elke provincie was er een bevel in haar eigen schrift en voor elk volk in zijn eigen taal, ook voor de Joden in hun eigen schrift en hun eigen taal. [10] Mordechai liet dit bevel schrijven in naam van koning Ahasveros en verzegelde het met de zegelring van de koning. Door boden die snelle paarden bereden, gefokt in de koninklijke stoeterij, liet hij brieven verspreiden [11] waarin stond dat de koning de Joden in alle steden het recht gaf om zich aaneen te sluiten en hun leven te verdedigen; iedere groep gewapenden van welk volk of uit welke provincie ook die hen en hun vrouwen en kinderen zou willen aanvallen, mochten ze tot de laatste man doden, en hun bezittingen mochten ze buitmaken. [12] In alle provincies van koning Ahasveros zou dit recht gelden voor één bepaalde dag, en wel de dertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar. [13] In alle provincies moesten afschriften van de brief worden verspreid; de inhoud ervan moest overal als wet worden uitgevaardigd en aan alle volken bekendgemaakt worden, zodat de Joden zich tegen de genoemde dag gereed konden houden om zich op hun vijanden te wreken. [14] Op bevel van de koning vertrokken de boden op hun snelle, koninklijke paarden met de grootste spoed. Ook in de burcht van Susa werd de wet uitgevaardigd.
     [15] Mordechai verliet de koning in een koninklijk gewaad van fijn linnen, blauwpurper en wit van kleur, en hij droeg een grote gouden kroon en een roodpurperen mantel van byssus. De stad Susa juichte en was opgetogen. [16] Voor de Joden brak er een tijd aan van licht en vreugde, blijdschap en eer. [17] In alle provincies en in alle steden heerste onder de Joden vreugde en blijdschap zodra het bevel en de wet van de koning er bekend werden; er werden maaltijden aangericht en er werd feest gevierd. En uit alle volken van het land sloten zich velen bij de Joden aan, want angst voor de Joden had zich van hen meester gemaakt.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties