De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Ester
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 9
Triomf van de Judeeërs
[1] In de twaalfde maand, de maand adar, op de dertiende dag, toen het besluit en het bevel van de koning moest worden uitgevoerd, op die dag, waarop de vijanden van de Judeeërs gehoopt hadden om hen te kunnen overweldigen, gebeurde juist het omgekeerde: de Judeeërs overweldigden hun belagers. [2] In hun steden, in alle provincies van Ahasveros, de koning, sloten de Judeeërs zich aaneen om de hand te slaan aan degenen die hun ondergang zochten. Niemand kon hun weerstaan, want alle volken waren door angst voor hen aangegrepen. [3] Alle bestuurders van de provincies, de satrapen, de gouverneurs en de ambtenaren van de koning namen het op voor de Judeeërs, want de vrees voor Mordekai had hen aangegrepen. [4] Mordekai immers had grote invloed in het koninklijk paleis en zijn faam verbreidde zich in alle provincies; hij kreeg steeds grotere invloed, Mordekai. [5] De Judeeërs sloegen met het zwaard op al hun vijanden in; zij sloegen hen met dood en vernietiging; zij deden met hun belagers wat zij wilden. [6] In de vesting van Susan doodden en roeiden zij vijfhonderd man uit. [7] Ook Parsandata, Dalfon, Aspata, [8] Porata, Adalja, Aridata, [9] Parmasta, Arisai, Aridai en Waizata, [10] de tien zonen van Haman, de zoon van Hammedata, de vijand van de Judeeërs, doodden zij. Naar de bezittingen echter staken zij hun handen niet uit.
     [11] Toen de koning die dag hoorde, hoevelen er in de vesting van Susan gedood waren, [12] zei hij tegen koningin Ester: ‘In de vesting van Susan hebben de Judeeërs vijfhonderd man gedood en uitgeroeid, en bovendien nog de tien zonen van Haman. Wat zullen ze dan in de andere koninklijke provincies gedaan hebben? Wat verlangt u nu nog? Het zal u gegeven worden. Hebt u nog een verzoek? Het zal ingewilligd worden.’ [13] Ester antwoordde: ‘Als het de koning goeddunkt, zouden dan de Judeeërs in Susan ook morgen nog eens de wet mogen toepassen, die voor vandaag geldt? En ik zou ook graag zien, dat de tien zonen van Haman aan de paal gehangen werden.’ [14] De koning gelastte dat het zo zou gebeuren. In Susan werd een desbetreffende verordening uitgevaardigd en de tien zonen van Haman werden opgehangen. [15] Ook op de veertiende dag van de maand adar sloten zich dus de Judeeërs van Susan aaneen en zij doodden nog eens driehonderd man. Naar de bezittingen echter staken zij hun handen niet uit.
     [16] Ook de andere Judeeërs, die in de provincies van de koning woonden, hadden zich aaneengesloten. Zij verdedigden zich, zij kregen rust van hun vijanden en zij doodden vijfenzeventigduizend van hun belagers. Naar de bezittingen echter staken zij hun handen niet uit. [17] Dat gebeurde op de dertiende dag van de maand adar. Op de veertiende dag rustten zij uit en maakten die dag tot een dag van maaltijden en van vreugde. [18] De Judeeërs van Susan echter sloten zich zowel op de dertiende als op de veertiende dag aaneen. Op de vijftiende rustten zij uit en maakten die dag tot een dag van maaltijden en van vreugde. [19] Daarom vieren de Judeeërs die over het land verspreid, in de niet-ommuurde steden wonen, de veertiende dag van de maand adar met vreugde en maaltijden, als een feestdag, waarop men elkaar geschenken stuurt.*

De instelling van Poerim
     [20] Mordekai maakte van deze gebeurtenissen een schriftelijk verslag, stuurde afschriften naar alle Judeeërs in alle provincies van Ahasveros, de koning, dichtbij en veraf, [21] om hen te verplichten ieder jaar de veertiende en de vijftiende dag van de maand adar te vieren [22] als de dagen waarop de Judeeërs rust van hun vijanden hadden gekregen, en als de maand waarin hun droefheid in vreugde was veranderd en hun rouw in een feestdag was omgeslagen. Ze moesten er dagen van maaltijden en van vreugde van maken, elkaar geschenken sturen en de armen geschenken geven.
     [23] Datgene wat de Judeeërs zelf al begonnen waren maakten zij, toen Mordekai hun dat had geschreven, tot een vast gebruik. [24] De Agagiet Haman, de zoon van Hammedata, de vijand van de Judeeërs, had immers het plan opgevat om de Judeeërs uit te roeien. Hij had het poer, dat wil zeggen het lot, geworpen, om hen op te jagen en uit te roeien. [25] Dit was echter de koning ter ore gekomen en deze had, zowel mondeling als schriftelijk, verordend dat het onheil, door Haman tegen de Judeeërs beraamd, op zijn eigen hoofd moest neerkomen en dat hij en zijn zonen aan de paal moesten worden opgehangen. [26] Daarom, vanwege het woord poer, gaven zij aan die dagen de naam Poerim*. Daarom, vanwege de inhoud van dit schrijven en vanwege alles wat ze er zelf van gezien en ondervonden hadden, [27] legden zij zich als verplichting op en aanvaardden zij, zowel voor zichzelf en voor hun nakomelingen, alsook voor allen die zich bij hen zouden aansluiten, onherroepelijk dat zij ieder jaar die twee dagen zouden vieren, volgens het desbetreffende voorschrift en op de daarvoor bepaalde tijd. [28] En deze dagen zouden herdacht en gevierd worden van generatie op generatie, door alle families, in alle provincies en in alle steden. Nooit mochten die poerimdagen bij de Judeeërs in onbruik raken en mocht deze herdenking bij hun nakomelingen verloren gaan.
     [29] Koningin Ester, de dochter van Abichaïl, schreef een stuk om deze tweede brief over Poerim nadrukkelijk te bekrachtigen. [30] Er gingen afschriften uit naar alle Judeeërs in de honderdzevenentwintig provincies, waaruit het koninkrijk van Ahasveros bestond. Het was een boodschap van vrede en trouw, [31] waarin de poerimdagen als een verplicht feest werden opgelegd, te vieren op de daarvoor aangewezen tijd, zoals de Judeeër Mordekai en koningin Ester het hun hadden opgedragen, en in overeenstemming met de voorschriften die zij voor zichzelf en hun nakomelingen hadden opgesteld, met betrekking tot het vasten* en de weeklachten. [32] En het woord van Ester, dat de regels voor het poerimfeest bepaalde, werd te boek gesteld.
Hoofdstuk 9
De vijanden verslagen
[1] De dertiende dag van de twaalfde maand, de maand adar, brak aan, de dag waarop het bevel en de wet van de koning zouden worden uitgevoerd, de dag waarop de vijanden van de Joden hen in hun macht hoopten te krijgen. Maar het omgekeerde gebeurde: het waren juist de Joden die hun belagers in hun macht kregen. [2] Die dag sloten de Joden zich in alle steden aaneen, in alle provincies van koning Ahasveros’ rijk, om hen die op hun ondergang uit waren om te brengen. Niemand hield stand tegen de Joden, want angst voor hen had zich van alle volken meester gemaakt. [3] De hoofden van alle provincies, de satrapen, de gouverneurs en de koninklijke ambtenaren steunden de Joden uit angst voor Mordechai. [4] Mordechai had immers een hoge positie in het paleis en zijn faam verbreidde zich over alle provincies; hij werd hoe langer hoe machtiger. [5] De Joden sloegen met het zwaard op al hun vijanden in en zaaiden dood en verderf, ze deden met hun belagers wat ze wilden. [6] In de burcht van Susa doodden ze niet minder dan vijfhonderd man. [7] Ook doodden ze Parsandata, Dalfon en Aspata, [8] Porata, Adalja en Aridata, [9] Parmasta, Arisai en Aridai en Waizata, [10] de tien zonen van Haman, de zoon van Hammedata, de vijand van de Joden. Maar hun bezittingen raakten ze met geen vinger aan.
     [11] Toen de koning die dag vernam hoeveel mensen er in de burcht van Susa gedood waren, [12] zei hij tegen koningin Ester: ‘Alleen al in de burcht van Susa hebben de Joden vijfhonderd man gedood, ook de tien zonen van Haman. Hoeveel tegenstanders zullen ze dan wel niet hebben gedood in de andere provincies van het rijk! Wat wilt u verder nog vragen? Het zal u gegeven worden. Wat is uw wens? Hij zal vervuld worden.’ [13] Ester antwoordde: ‘Als het de koning goeddunkt, laat hij de Joden in Susa dan toestemming geven om ook morgen te handelen volgens de wet die voor vandaag geldt. En laat hij hun toestaan om de lijken van Hamans tien zonen aan een paal te hangen.’ [14] De koning gaf bevel dat het zo zou gebeuren. Er werd in Susa een wet uitgevaardigd, en ook werden de tien zonen van Haman opgehangen. [15] De Joden in Susa sloten zich dus ook op de veertiende dag van de maand adar aaneen en ze doodden in Susa nog eens driehonderd man. Maar hun bezittingen raakten ze met geen vinger aan.
     [16] Ook de andere Joden, elders in de provincies van het koninkrijk, hadden zich aaneengesloten en hun leven verdedigd. Op de dertiende dag van de maand adar verzekerden zij zich van rust door vijfenzeventigduizend van hun belagers te doden; hun bezittingen echter raakten ze met geen vinger aan. Op de veertiende van die maand hadden ze rust, en ze maakten van die dag een dag van feestmalen en feestvreugde. [18] (De Joden in Susa daarentegen, die zich op zowel de dertiende als de veertiende van die maand aaneengesloten hadden, hadden rust op de vijftiende en maakten van die dag een feestdag.) [19] Zo komt het dat de Joden van het platteland, die in niet-ommuurde steden wonen, de veertiende dag van de maand adar vieren met feestvreugde en feestmalen en elkaar op die dag lekkernijen sturen.

Voorschriften voor het poerimfeest
     [20] Mordechai stelde al deze gebeurtenissen op schrift en hij stuurde brieven naar de Joden in alle provincies van koning Ahasveros’ rijk, of ze nu dichtbij woonden of ver weg. [21] Daarin verplichtte hij hen ertoe om elk jaar opnieuw zowel de veertiende als de vijftiende dag van de maand adar te vieren, [22] omdat dit de dagen waren waarop de Joden rust gekregen hadden en niet meer door hun vijanden werden bedreigd, en omdat dit de maand was waarin droefheid was veranderd in vreugde en waarin rouw was veranderd in feest. Ze moesten er dagen van feestmalen en feestvreugde van maken, dagen waarop ze elkaar lekkernijen stuurden en geschenken gaven aan de armen. [23] De Joden gaven gevolg aan wat Mordechai hun schreef, en maakten zo een vast gebruik van iets waarmee ze zelf al een begin hadden gemaakt.
     [24] Want zo was het gegaan: Haman, de zoon van Hammedata, een nakomeling van Agag en de vijand van alle Joden, had een plan beraamd om de Joden uit te roeien. Hij had het poer, dat wil zeggen het lot, laten werpen om paniek onder hen te zaaien en hen te kunnen uitroeien. [25] Maar nadat Ester zich tot de koning had gewend, gaf deze niet alleen toestemming om een brief te schrijven, maar besloot hij ook dat het onheil dat Haman met zijn verderfelijke plan tegen de Joden had beraamd, op diens eigen hoofd zou neerkomen. Hij en zijn zonen werden aan de paal gehangen. [26] Het is naar het woord poer dat deze dagen Poerim worden genoemd. Daarom – vanwege de inhoud van het schrijven van Mordechai, en vanwege alles wat ze hadden meegemaakt en wat hun was overkomen –
     [27] namen de Joden de verplichting op zich om deze beide dagen nooit ongemerkt voorbij te laten gaan, maar ze elk jaar te vieren op de voorgeschreven wijze en op de vastgestelde tijd. Ze wilden dit tot een vast gebruik maken voor zichzelf en voor hun nakomelingen, en voor allen die zich bij hen zouden aansluiten. [28] De herinnering aan deze dagen moest levend gehouden worden: ze moesten worden gevierd door elke generatie en door elke familie, in iedere provincie en in iedere stad. Nooit mocht de viering van deze poerimdagen bij de Joden in onbruik raken, en ook bij hun nakomelingen mochten ze niet in vergetelheid raken.
     [29] Koningin Ester, de dochter van Abichaïl, stelde samen met de Jood Mordechai een tweede schrijven op om Poerim nadrukkelijk verplicht te stellen. [30] Er werden brieven gestuurd naar alle Joden in alle honderdzevenentwintig provincies van Ahasveros’ koninkrijk, met betuigingen van vriendschap en trouw. [31] Daarin werd de viering van Poerim op de vastgestelde tijd verplicht gesteld: ze moesten zich houden aan wat de Jood Mordechai hun had opgelegd – ook koningin Ester legde hun dit nu op – en de verplichtingen nakomen die zij voor zichzelf en voor hun nakomelingen waren aangegaan wat betreft vasten en weeklagen. [32] Esters bevelschrift bevatte bindende voorschriften voor de poerimdagen, en de inhoud ervan werd te boek gesteld.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties