De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Ezechiël
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 37
Het visioen van de beenderen
[1] De hand* van de heer kwam over mij; zijn geest* nam mij mee en zette mij neer in het dal* dat vol beenderen lag. [2] Hij leidde mij er in alle richtingen doorheen en ik zag hoeveel er over het hele dal lagen en hoe dor ze waren. [3] Daarop vroeg Hij mij: ‘Mensenkind, zouden deze beenderen nog tot leven kunnen komen?’ Ik antwoordde: ‘Heer god, dat weet U alleen.’ [4] Toen zei Hij: ‘Profeteer over deze beenderen en zeg: “Dorre beenderen, luister naar het woord van de heer. [5] Zo spreekt de Heer god tot deze beenderen: Ik ga de levensgeest in u brengen, en u komt weer tot leven. [6] Ik leg pezen op u, bekleed u met vlees en overtrek u met een huid; dan schenk Ik u de levensgeest en u komt weer tot leven. Dan zult u erkennen* dat Ik de heer ben.” ’
     [7] Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. En zodra ik begon, ontstond er een gedruis: de beenderen voegden zich aaneen, elk op zijn plaats. [8] En ik zag hoe er pezen op kwamen en vlees en hoe ze met een huid overtrokken werden. Maar de levensgeest was er nog niet in.
     [9] Toen zei Hij tegen mij: ‘Profeteer tot de levensgeest, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de levensgeest: “Zo spreekt de Heer god: Kom van de vier windstreken, levensgeest, en blaas in deze gevallenen zodat ze weer leven.” ’ [10] Ik profeteerde zoals mij opgedragen was en de levensgeest kwam erin. Ze werden weer levend en gingen overeind staan: een immens groot leger.
     [11] Daarop zei Hij tegen mij: ‘Mensenkind, deze beenderen zijn het volk Israël. Bij hen leeft de gedachte: “Onze beenderen zijn verdord, onze hoop is vervlogen, het is met ons gedaan.” [12] Profeteer daarom en zeg tegen hen: “Zo spreekt de Heer god: Ik ga uw graven openen; Ik wek u in grote aantallen uit de dood op en breng u naar Israëls grond. [13] En als Ik uw graven open en u in grote aantallen uit de dood opwek dan zult u erkennen dat Ik de heer ben. [14] Ik schenk u mijn geest, zodat u weer leeft, en laat u op uw eigen grond wonen. Dan zult u erkennen dat Ik, de heer, doe wat Ik zeg” – godsspraak van de heer.’

De hereniging van Juda en Israël
     [15] Het* woord van de heer werd tot mij gericht: [16] ‘Mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: “Juda en de Israëlieten die bij hem horen.” Neem dan een tweede stuk hout en schrijf daarop: “Jozef, of Efraïm, en heel Israël dat bij hem hoort.” [17] Voeg beide stukken dan samen, tot één geheel in uw hand.
     [18] Als uw volksgenoten vragen: “Leg ons uit wat u hiermee bedoelt”, [19] antwoord dan: “Zo spreekt de Heer god: Dit betekent dat Ik het stuk van Jozef, of van Efraïm, en van de stammen van Israël die bij hem horen, bij het stuk hout van Juda ga voegen en er weer één geheel van maak in mijn hand.” [20] En als ze u daar zien met de beschreven stukken hout in de hand [21] moet u hun zeggen: “Zo spreekt de Heer god: Ik haal de Israëlieten weg uit de volken waar ze heengebracht zijn; uit alle richtingen breng Ik hen samen en ik leid ze naar hun eigen grond. [22] En daar, op de bergen van Israël, maak Ik één volk van hen: één koning zal heersen over hen allen. Niet langer zullen het twee volken zijn, over twee rijken verdeeld. [23] Ze zullen niet meer verontreinigd worden door hun gruwelijke afgoden en al hun misdaden. Ik zal hen bevrijden en zuiveren van alle ontrouw waaraan ze schuldig zijn. Dan zullen zij mijn volk zijn en Ik hun God. [24] En mijn dienaar David zal koning over hen zijn: één herder voor hen allen. Dan zullen ze mijn geboden opvolgen en mijn voorschriften stipt onderhouden. [25] In het land van hun voorouders, dat Ik aan mijn dienaar Jakob gegeven heb, zullen ze voor altijd wonen, zij, hun kinderen en hun kleinkinderen, en mijn dienaar David zal hun vorst zijn voor altijd. [26] Dan sluit Ik met hen een altijddurend vredesverbond*. Ik maak hen weer talrijk en vestig mijn heiligdom in hun midden voor altijd. [27] Bij hen zal Ik wonen; Ik zal hun God zijn en zij mijn volk. [28] En als mijn heiligdom voor altijd in hun midden staat, zullen de volken erkennen dat Ik de heer ben, degene die Israël heiligt.” ’
Hoofdstuk 37
Een dal vol beenderen
[1] Ik werd opnieuw door de hand van de HEER gegrepen. Zijn geest voerde mij mee en hij zette mij neer in een dal vol beenderen. [2] Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel veel beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. [3] De HEER vroeg mij: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ik antwoordde: ‘HEER, mijn God, dat weet u alleen.’ [4] Toen zei hij: ‘Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: “Dorre beenderen, luister naar de woorden van de HEER! [5] Dit zegt God, de HEER: Beenderen, ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. [6] Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben.”’
     [7] Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneen voegden. [8] Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. [9] Toen zei hij tegen mij: ‘Profeteer tegen de wind, profeteer, mensenkind, en zeg tegen de wind: “Dit zegt God, de HEER: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven.”’ [10] Ik profeteerde zoals hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte.
     [11] En hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, deze beenderen zijn het volk van Israël. Het zegt: “Onze botten zijn verdord, onze hoop is vervlogen, onze levensdraad is afgesneden.” [12] Profeteer daarom en zeg tegen hen: “Dit zegt God, de HEER: Mijn volk, ik zal jullie graven openen, ik laat jullie uit je graven komen en ik zal jullie naar het land van Israël terugbrengen. [13] Jullie zijn mijn volk, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben als ik je graven open en jullie uit je graven laat komen. [14] Ik zal jullie mijn adem geven zodat jullie weer tot leven komen, ik zal jullie terugbrengen naar je land, en jullie zullen beseffen dat ik de HEER ben. Wat ik gezegd heb, zal ik doen – zo spreekt de HEER.”’

Eén God, één volk, één herder
     [15] De HEER richtte zich tot mij: [16] ‘Mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: “Juda, en de Israëlieten die bij hem horen.” Neem dan nog een stuk hout en schrijf daarop: “Jozef” – dat is het stuk hout van Efraïm – “en heel het volk van Israël dat met hem verbonden is.” [17] Voeg die twee samen tot één geheel, zodat ze in je hand één stuk hout vormen. [18] En als je volksgenoten je vragen: “Wil je ons vertellen wat je hiermee bedoelt?” [19] zeg dan: “Dit zegt God, de HEER: Ik neem het stuk hout van Jozef – dat van Efraïm dus – en van de stammen van Israël die met hem verbonden zijn, en ik leg dat tegen het stuk hout van Juda aan. Ik maak er één stuk hout van, in mijn hand zullen ze één worden.” [20] De stukken hout waarop je geschreven hebt, moet je duidelijk zichtbaar in je hand houden, [21] en dan zeggen: “Dit zegt God, de HEER: Ik haal de Israëlieten weg bij de volken waar ze terechtgekomen zijn, ik zal ze overal vandaan bijeenbrengen en ze naar hun land laten terugkeren. [22] Ik zal één volk van hen maken in het land en op de bergen van Israël, en één koning zal over hen allen regeren. Niet langer zullen ze uit twee volken bestaan en verdeeld zijn in twee koninkrijken. [23] Ze zullen zich niet meer verontreinigen met hun afgoden en hun afschuwelijke misdaden, ik zal hen van hun zondige ontrouw* redden en hen reinigen. Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. [24] David, mijn dienaar, zal hun koning zijn, en samen zullen ze één herder hebben. Mijn regels zullen ze in acht nemen en volgens mijn wetten zullen ze leven. [25] Ze zullen wonen in het land dat ik aan mijn dienaar Jakob gegeven heb, het land van jullie voorouders. Zij en hun kinderen en de kinderen van hun kinderen zullen daar voor altijd wonen, en mijn dienaar David zal voor altijd hun vorst zijn. [26] Ik sluit met hen een vredesverbond, een verbond dat eeuwig zal duren. Ik zal hun een vaste woonplaats geven en hen talrijk maken; mijn heiligdom zal voor altijd in hun midden staan. [27] Bij hen zal ik wonen; ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn. [28] En de volken zullen beseffen dat ik, de HEER, Israël heilig doordat mijn heiligdom voor altijd in hun midden is.”’



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties