De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Ezechiël
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 8
Afgodendienst in de tempel van Jeruzalem
[1] In* het zesde jaar, op de vijfde dag van de zesde maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda voor mij zaten, kwam de hand* van de Heer god over mij. [2] Ik keek op en zag iets* dat op een mens leek; onder zijn middel leek alles vuur te zijn, en boven zijn middel leek de gestalte omgeven door een gloed, blinkend als metaal. [3] Hij strekte iets dat op een hand leek uit en greep me bij mijn haar; de geest* tilde mij op tussen hemel en aarde en bracht me in een hemels visioen naar Jeruzalem, naar de ingang van de noordelijke binnenpoort, de plaats waar het afgodsbeeld* staat dat de jaloezie van de heer opwekt. [4] En daar zag ik de heerlijkheid* van de God van Israël, zoals in het visioen dat ik in de vlakte gekregen had.
     [5] Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, richt uw blik naar het noorden.’ Ik richtte mijn blik naar het noorden en zag ten noorden van de poort het altaar staan voor het afgodsbeeld dat de jaloezie van de heer opwekt. [6] Hij zei: ‘Mensenkind, ziet u die vreselijke gruweldaden die het volk van Israël hier bedrijft, zodat Ik ver van mijn heiligdom moet blijven? Nog erger gruweldaden zult u zien.’
     [7] Toen bracht Hij me naar de ingang van de voorhof. Daar zag ik een gat in de muur. [8] Hij zei: ‘Mensenkind, breek erdoorheen.’ Ik brak erdoorheen en zag een deur. [9] Hij vervolgde: ‘Ga naar binnen en zie de vreselijke gruweldaden die ze daar bedrijven.’ [10] Ik ging naar binnen en zag er allerlei weerzinwekkende afbeeldingen van kruipend gedierte en andere beesten en van alle afgoden van het volk van Israël, rondom op de muren aangebracht. [11] Daarvoor stonden zeventig* oudsten van Israël, onder wie Jaäzanja, de zoon van Safan; ieder hield een wierookvat in de hand en geurige wierookwolken stegen eruit op. [12] Daarop zei Hij: ‘Ziet u, mensenkind, wat de oudsten van het volk van Israël in het donker, in die kamer vol afbeeldingen doen? Ze zeggen: “De heer kijkt niet naar ons om, de heer heeft het land in de steek gelaten.” ’ [13] En Hij zei: ‘Nog vreselijker dingen doen ze. Ook die zult u aanschouwen.’
     [14] Toen bracht Hij me naar de ingang van de noordelijke tempelpoort van het huis van de heer. Daar zaten vrouwen Tammuz* te bewenen. [15] Hij zei tegen mij: ‘Ziet u dat, mensenkind? Nog vreselijker dingen zult u aanschouwen.’
     [16] Toen leidde Hij me de binnenste voorhof van het huis van de heer binnen. Daar zag ik bij de ingang van de tempel van de heer, tussen het portaal en het altaar, vijfentwintig mannen. Ze stonden met hun rug naar de tempel van de heer en met hun gezicht naar het oosten. Naar het oosten gekeerd bogen zij zich neer voor de zon*. [17] Hij zei: ‘Ziet u dat, mensenkind? Heeft het volk van Juda hier nog niet genoeg gruwelen bedreven, dat ze in het land ook nog gewelddaad op gewelddaad plegen om Mij te tergen? Kijk toch eens hoe ze Mij bespotten*. [18] Daarom doe Ik wat mijn toorn Mij ingeeft. Ik zal hen niet ontzien en geen medelijden hebben. Al roepen ze Mij met luide stem aan, Ik luister niet naar hen.’
Hoofdstuk 8
Visioen in de tempel van Jeruzalem
[1] In het zesde jaar, op de vijfde dag van de zesde maand, toen ik in mijn huis zat met de oudsten van Juda tegenover me, werd ik opnieuw gegrepen door de hand van God, de HEER. [2] Dit is wat ik zag: een gedaante als van vuur. Vanaf wat zijn lendenen leken te zijn naar beneden toe zag ik vuur, en naar boven toe een schittering, glanzend als wit goud. [3] Hij strekte iets uit dat de vorm had van een hand en pakte me bij mijn haren beet. In dit goddelijk visioen tilde de geest me op, tussen hemel en aarde, en bracht me naar Jeruzalem, naar de ingang van de noordelijke binnenpoort, waar het afschuwelijke godenbeeld staat dat de woede van de HEER wekt. [4] Daar zag ik de stralende verschijning van de God van Israël, zoals ik die ook in het dal had gezien. [5] Hij zei tegen mij: ‘Mensenkind, kijk nu naar het noorden.’ Ik keek naar het noorden en zag daar buiten de poort een altaar staan; het godenbeeld dat de woede van de HEER wekt stond in de toegang.* [6] ‘Mensenkind, zie je wat ze doen? Zie je hoe vreselijk het volk van Israël zich hier misdraagt en mij uit mijn eigen heiligdom verdrijft? En je zult nog meer gruwelijks zien.’
     [7] Hij bracht me naar de ingang van de tempelhof. In de muur was een gat. [8] Hij zei tegen me: ‘Mensenkind, kruip daar doorheen.’ Dat deed ik, en aan de andere kant kwam ik bij een deur. [9] ‘Ga naar binnen om te kijken naar de verschrikkelijke dingen die ze daar doen,’ zei hij. [10] Toen ik binnen was en rondkeek, zag ik op de muren om me heen allerlei afbeeldingen van de afgoden van het volk van Israël, van kruipende beesten en andere dieren, stuk voor stuk onrein. [11] Zeventig oudsten van het volk van Israël, met in hun midden Jaäzanja, de zoon van Safan, stonden ervoor, ieder met zijn wierookschaal in de hand, en er steeg een wolk van wierook op. [12] Hij vroeg me: ‘Heb je gezien, mensenkind, wat de oudsten van het volk van Israël doen, daar in het duister, in die zaal vol afbeeldingen? De HEER ziet ons niet, denken ze, de HEER heeft het land verlaten.’
     [13] ‘Ik zal je nog meer van hun gruwelijke daden laten zien,’ zei hij, [14] en hij bracht me naar de ingang van de noordelijke poort van de tempel van de HEER. Daar zaten vrouwen die rouwden om de god Tammuz. [15] ‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg hij mij. ‘En nog gruwelijker dingen zal ik je laten zien!’
     [16] Hij bracht me naar de binnenhof van de tempel van de HEER. Bij de ingang, tussen de voorhal en het altaar, stonden ongeveer vijfentwintig mannen. Ze stonden met hun rug naar de tempel, met hun gezicht naar het oosten, en ze bogen zich in aanbidding neer voor de zon. [17] ‘Heb je het gezien, mensenkind?’ vroeg hij mij. ‘En al deze afgodendienst waaraan het volk van Juda zich overgeeft is blijkbaar nog niet genoeg: ze vullen het land met geweld, ze beledigen mij steeds opnieuw, zie hoe schaamteloos ze mij bespotten! [18] Ik zal mijn woede op hen koelen: ik zal geen medelijden tonen, ik zal geen medelijden kennen, en al roepen ze nog zo hard om mij, ik zal niet naar hen luisteren.’



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties