De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Genesis
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 43
Tweede reis naar Egypte
[1] De hongersnood bleef het land zwaar teisteren. [2] Zodra zij het graan uit Egypte opgemaakt hadden zei hun vader: ‘Jullie moeten nog eens proberen wat voedsel te kopen.’ [3] Juda antwoordde: ‘Die man heeft ons uitdrukkelijk gewaarschuwd: “Kom mij niet onder ogen zonder uw broer.” [4] Als u dus onze broer met ons laat meegaan, zullen wij voedsel gaan kopen, [5] maar als u hem niet mee laat gaan, vertrekken wij niet. Want die man heeft ons gezegd: “Kom mij niet onder ogen zonder uw broer.” ’ [6] Israël antwoordde: ‘Waarom hebben jullie het mij zo moeilijk gemaakt door aan die man te vertellen dat je nog een broer hebt?’ [7] Zij antwoordden: ‘Die man stelde ons allerlei vragen over onszelf en over onze afstamming. Hij vroeg: “Leeft uw vader nog? Hebt u geen andere broer meer?” Wij hebben hem alles naar waarheid verteld. Konden wij soms weten dat hij zou zeggen: “Breng uw broer hier?” ’ [8] Juda zei tegen zijn vader Israël: ‘Laat de jongen gerust met mij meegaan en laat ons alstublieft vertrekken, dan blijven wij tenminste in leven en sterven wij niet met zijn allen; wij, uzelf en onze kleine kinderen. [9] Ik sta borg voor hem: u mag hem van mij terugeisen. Als ik hem niet bij u terugbreng en weer voor u zet, sta ik mijn verdere leven bij u in de schuld. [10] Als wij niet zo lang gewacht hadden, waren wij al weer tweemaal terug geweest.’
     [11] Toen zei hun vader Israël: ‘Als het niet anders kan, doe het dan zo: Neem het beste van het land in je zakken mee en bied het die man als geschenk aan: een beetje gom en een beetje honing, parfum en hars, pimpernoten en amandelen. [12] Neem ook twee keer zoveel geld mee, want ook het geld dat in je zakken teruggelegd was moet je mee terugnemen; misschien was het een vergissing. [13] Neem ook je broer dan maar mee, en ga opnieuw naar die man toe. [14] God* de Almachtige zal zorgen dat die man jullie goed ontvangt en dat hij je andere broer en Benjamin met jullie laat terugkeren. Als ik mijn kinderen toch moet verliezen, dan moet het maar zo zijn!’
     [15] Met de geschenken, met de dubbele som geld en met Benjamin vertrokken de mannen naar Egypte. Zij werden door Jozef ontvangen, [16] en toen hij zag dat Benjamin er ook bij was, zei hij tegen zijn hofmeester: ‘Breng die mannen naar mijn huis, laat vee slachten en toebereiden, want vanmiddag zullen die mannen met mij eten.’ [17] De hofmeester deed wat Jozef hem opgedragen had en bracht de bezoekers naar zijn paleis. [18] Maar de mannen werden bang, omdat zij naar het paleis van Jozef gebracht werden, en zeiden: ‘Ze houden ons hier vanwege het geld dat de vorige keer in onze zakken terechtgekomen is; ze willen ons overrompelen en overvallen, ons tot slaven maken en onze ezels in beslag nemen.’ [19] Zij gingen dus naar de hofmeester van Jozef toe en spraken hem aan bij de ingang van het paleis. [20] Zij zeiden hem: ‘Met uw toestemming, heer, wij zijn hier al eerder geweest om voedsel te kopen. [21] Maar toen wij ergens overnachtten en onze zakken opendeden, lag ieders geld bovenin de zak, bij elk van ons het volle bedrag. Dat hebben wij nu teruggebracht, [22] en bovendien hebben wij ander geld meegenomen om voedsel te kopen. Wij weten niet wie dat geld in onze zakken gestopt heeft.’ [23] Hij antwoordde: ‘Alles is in orde: wees maar niet bang. Uw God en de God van uw vader heeft een schat in uw zakken verborgen; uw geld heb ik wel degelijk ontvangen.’ Hij bracht Simeon bij hen.
     [24] Toen leidde hij hen het paleis van Jozef binnen, gaf hun water om de voeten te wassen en liet voer halen voor hun ezels. [25] Zij legden daarop hun geschenken klaar en bleven wachten tot Jozef ’s middags thuiskwam, want zij hadden gehoord dat zij daar zouden blijven eten. [26] Toen Jozef zijn huis binnenkwam, boden zij hem de geschenken aan die ze bij zich hadden en bogen voor hem tot op de grond. [27] Hij vroeg hoe het met hen ging en zei: ‘Hoe gaat het met uw oude vader, over wie u sprak ? Is hij nog goed gezond?’ [28] Zij antwoordden: ‘Onze vader, uw dienaar, maakt het goed en is nog gezond.’ Daarop knielden zij en bogen. [29] Toen hij rondkeek en zijn jongste broer Benjamin zag, de zoon van zijn moeder, zei hij: ‘En dat is dan uw jongste broer, over wie u sprak?’ En hij zei: ‘God zij u genadig, mijn zoon*.’ [30] Toen trok Jozef zich haastig terug, want zijn hart was geroerd bij het zien van zijn broer, en hij zocht een gelegenheid om zijn tranen de vrije loop te laten. Hij ging naar zijn kamer en huilde daar uit. [31] Daarna waste hij zijn gezicht en kwam naar buiten. Hij was zijn ontroering nu meester en beval de maaltijd op te dienen. [32] Men diende afzonderlijk op voor Jozef, afzonderlijk voor zijn broers en afzonderlijk voor de Egyptenaren die bij hem te gast waren, want het is voor de Egyptenaren niet mogelijk om met Hebreeën samen te eten: zij hebben daar een afkeer van. [33] Toen de mannen, van de eerstgeborene af tot de jongste toe, op Jozefs aanwijzing een plaats kregen voor zijn aangezicht, precies volgens hun leeftijd, keken zij elkaar verwonderd aan. [34] Hij gaf hun van de gerechten die op Jozefs tafel stonden, maar de portie van Benjamin was vijfmaal zo groot als die van de anderen. Zij dronken met hem en werden vrolijk.
Hoofdstuk 43
Jozefs broers opnieuw in Egypte
[1] De hongersnood bleef het land teisteren. [2] Toen het graan dat Jozefs broers uit Egypte hadden meegebracht op was, zei hun vader tegen hen: ‘Ga daar nog eens heen om wat voedsel voor ons te kopen.’ [3] Juda antwoordde: ‘Die man heeft ons ten strengste gewaarschuwd dat we hem niet onder ogen mogen komen als we onze broer niet meebrengen. [4] Alleen als u bereid bent hem met ons mee te sturen, gaan we op reis om voedsel voor u te kopen. [5] Maar geeft u hem niet mee, dan gaan we niet, want die man heeft ons gezegd dat hij ons niet wil zien tenzij we onze broer meebrengen.’ [6] ‘Waarom hebben jullie die man dan ook verteld dat je nog een broer had?’ zei Israël. ‘Hoe konden jullie me dat aandoen?’ [7] Ze antwoordden: ‘Die man wilde van alles en nog wat weten over ons en onze familie: leeft jullie vader nog, hebben jullie nog een broer? En wij hebben op al die vragen antwoord gegeven. Wij konden toch niet weten dat hij zou zeggen: “Laat je broer hierheen komen”?’ [8] Juda zei tegen zijn vader: ‘Geef de jongen nu maar aan mij mee, dan kunnen we vertrekken en hoeft niemand van ons om te komen, wij niet, u niet en onze kinderen niet. [9] Ik wil persoonlijk borg voor hem staan, u mag mij verantwoordelijk voor hem stellen: als ik hem niet veilig hier bij u terugbreng, mag u mij dat mijn leven lang aanrekenen. [10] We hebben nu al zo lang gewacht dat we in die tijd wel twee keer op en neer hadden kunnen gaan.’ [11] Toen zei Israël tegen hen: ‘Als het niet anders kan, goed, maar doe dan het volgende. Vul een aantal kruiken met het beste wat het land te bieden heeft en neem dat als geschenk voor die man mee: een beetje balsem, wat honing, gom en cistushars, en verder pistachenoten en amandelen. [12] En neem een dubbele hoeveelheid geld mee, want het geld dat in jullie voerzakken is gedaan, moet je teruggeven; misschien was het een vergissing. [13] Wat je broer betreft, neem hem maar mee en ga terug naar die man. [14] God, de Ontzagwekkende, geve dat hij barmhartig voor jullie is: dat hij jullie andere broer vrijlaat en ook Benjamin laat gaan. En ik – moet ik mijn kinderen verliezen, goed, dan verlies ik ze maar.’
     [15] Zo vertrokken de mannen naar Egypte, met het geschenk en een dubbele hoeveelheid geld; ook Benjamin namen ze mee. Ze dienden zich bij Jozef aan. [16] Toen Jozef zag dat Benjamin bij hen was, zei hij tegen zijn hofmeester: ‘Breng deze mannen naar mijn huis, en laat iets slachten en klaarmaken, want vanmiddag eten ze bij mij.’ [17] De man deed wat Jozef hem beval, hij bracht de broers naar Jozefs paleis. [18] Dit maakte hen angstig en ze zeiden: ‘Dat ze ons hierheen brengen, komt door het geld dat de vorige keer in onze voerzakken is teruggelegd: ze willen ons overrompelen, ons van onze ezels beroven en slaven van ons maken.’ [19] Bij de ingang spraken ze Jozefs hofmeester aan. [20] ‘Neemt u ons niet kwalijk, heer,’ zeiden ze. ‘Wij zijn hier al eens eerder geweest om voedsel te kopen. [21] En toen we daarna ergens overnachtten en onze voerzakken openmaakten, ontdekten we dat bij ieder van ons zijn geld boven in de zak lag, het volle bedrag. Maar dat hebben we weer meegenomen. [22] En we hebben ander geld bij ons om voedsel te kopen. We weten niet wie dat geld in onze zakken heeft gedaan.’ [23] De man antwoordde: ‘U hoeft niet ongerust te zijn, u hebt niets te vrezen. Uw God, de God van uw vader, moet een schat in uw voerzakken hebben gelegd, want ik heb uw geld ontvangen.’ Toen liet hij Simeon vrij en bracht hem bij hen. [24] Daarna bracht hij de mannen in Jozefs paleis, gaf hun water zodat ze hun voeten konden wassen, en voer voor hun ezels. [25] De broers zorgden ervoor dat het geschenk klaarstond voordat Jozef ’s middags kwam; er was hun namelijk verteld dat ze daar de maaltijd zouden gebruiken.
     [26] Toen Jozef thuiskwam, droegen ze het geschenk naar binnen, boden het hem aan en bogen zich voor hem neer. [27] Hij vroeg hun hoe ze het maakten en zei: ‘Is alles goed met jullie oude vader, over wie jullie me hebben verteld? Leeft hij nog?’ [28] Ze antwoordden: ‘Jazeker, uw dienaar, onze vader, leeft nog en hij maakt het goed.’ En weer bogen ze zich diep voor hem neer. [29] Toen zag hij zijn broer Benjamin staan, de zoon van zijn eigen moeder, en vroeg: ‘Is dat jullie jongste broer, over wie jullie me hebben verteld?’ En hij vervolgde: ‘God zij je genadig, mijn zoon.’ [30] Toen haastte hij zich weg, want bij het zien van zijn broer schoot zijn gemoed vol, hij voelde dat hij zijn tranen niet kon bedwingen. Hij ging een kamer binnen en daar huilde hij. [31] Daarna waste hij zijn gezicht, kwam de kamer weer uit, vermande zich en gaf opdracht de maaltijd op te dienen. [32] Men diende apart op voor hem, voor de broers en voor de Egyptenaren die bij hem aten. (Egyptenaren mogen niet samen met Hebreeën de maaltijd gebruiken; zoiets vinden de Egyptenaren afschuwelijk.) [33] De broers kregen ieder een plaats tegenover Jozef aangewezen, en daarbij kwamen ze precies in volgorde van geboorte te zitten, van de oudste tot de jongste. Vol verbazing keken ze elkaar aan. [34] Ze kregen van alle gerechten die bij Jozef op tafel stonden, maar Benjamin kreeg meer dan alle anderen, vijfmaal zoveel. Ze dronken samen met Jozef en raakten in een roes.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties