De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Hooglied
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 5
 
Zij
[1] Ik ben al in mijn tuin, mijn zuster, mijn bruid,
ik vergaar er mijn mirre en balsem,
ik eet er mijn honingraat, ik drink er mijn wijn en mijn melk.

Hij
[1] Eet en drink, vrienden, en word dronken van de liefde!

 
Koor
[2] Ik* sliep, maar mijn hart was wakker.
Ik hoorde mijn lief kloppen:
Doe open, mijn zuster, mijn vriendin, mijn duif, mijn mooiste.
Mijn hoofd is nat van de dauw,
mijn lokken zijn vochtig van de nachtelijke nevels.
  [3] Maar ik heb mijn kleed al uitgetrokken, moet ik mij weer aankleden?
Ik heb mijn voeten gewassen, moeten ze weer vuil worden?
  [4] Daarop stak mijn lief zijn hand door de opening in de deur.
Ik kreeg met hem te doen.
  [5] Ik stond op om de deur open te doen voor mijn lief.
Mijn handen dropen van mirre,
van mijn vingers vloeide de mirre op de handgrepen van de grendel.
  [6] Ik opende de deur voor mijn lief,
maar mijn lief was weg, verdwenen.
Ik ging achter hem aan; ik zocht hem, maar ik vond hem niet;
ik riep hem, maar hij antwoordde niet.
  [7] Ik stuitte op de wachters die de stad doorkruisten.
Ze sloegen mij, verwondden mij,
ze rukten mijn sluier af, de wachters van de stad!
  [8] Ik bezweer je, dochters van Jeruzalem, als jullie mijn lief vinden,
zeg hem dan dat ik ziek ben van liefde!

 
Zij
[9] Wat onderscheidt jouw lief van ieder ander, mooiste van alle vrouwen?
Wat onderscheidt jouw lief van ieder ander,
dat je ons daarom smeekt?

 
Koor
[10] Mijn lief is blank en blozend,
uit tienduizend anderen is hij te herkennen.
  [11] Zijn hoofd is van het zuiverste goud,
zijn lokken zijn borstelig, ravenzwart.
  [12] Zijn ogen zijn als duiven bij stromende beken,
die zich wassen in melk en baden in overvloed.
  [13] Zijn wangen zijn een kruidentuin, torens van kruiden.
Zijn lippen zijn lelies, ze druipen van vloeibare mirre.
  [14] Zijn armen zijn staven van goud, met chrysoliet bezet;
zijn lichaam is van gepolijst ivoor, afgezet met saffieren.
  [15] Zijn dijen zijn zuilen van albast, rustend op voetstukken van zuiver goud.
Zijn gestalte is als de Libanon, rijzig als de ceders.
  [16] Zijn mond is een en al zoetigheid.
Hij is de aantrekkelijkheid zelf.
Zo is mijn lief, zo is mijn vriend, dochters van Jeruzalem.
Hoofdstuk 5
 
  [1] Hier ben ik in mijn hof,
zusje, bruid van mij.
Ik pluk mijn mirre en mijn balsem,
ik eet mijn honing uit mijn honingraat,
ik drink mijn melk en mijn wijn.
Meisjes Eet, vriend en vriendin!
Drink, en word dronken van liefde!
Zij
  [2] Ik sliep, maar mijn hart was wakker.
Hoor! Mijn lief klopt aan!
‘Doe open, zusje, mijn vriendin,
mijn duif, mijn allermooiste.
Mijn hoofd is nat van de dauw,
mijn lokken vochtig van de nacht.’
  [3] ‘Maar ik heb mijn kleed al uitgedaan,
moet ik het weer aandoen?
En ik heb mijn voeten al gewassen,
moet ik ze weer vuil maken?’
  [4] Mijn lief stak zijn hand naar binnen,
een siddering trok door mij heen – om hem!
  [5] Toen sprong ik op, ik ging hem opendoen.
Mijn handen dropen van mirre,
mirre vloeide van mijn vingers
op de grendel van de deur.
  [6] En ik deed open voor mijn lief,
maar hij was weg,
mijn lief was weggegaan.
Een duizeling beving mij
toen ik zag dat hij er niet meer was.
Ik zocht hem, maar ik vond hem niet,
ik riep hem, maar hij antwoordde niet.
  [7] De wachters vonden mij
op hun ronde door de stad.
Ze sloegen mij, ze verwondden mij,
ze rukten mij de sluier af,
de wachters van de muren.
  [8] Ik bezweer je, meisjes van Jeruzalem,
als jullie mijn lief vinden,
wat zeggen jullie tegen hem?
Dat ik ziek van liefde ben.
Meisjes
 
 
  [9] Wat heeft jouw lief meer dan een ander,
mooiste van alle vrouwen?
Wat heeft jouw lief meer dan een ander,
dat je ons dit zo bezweert?
Zij
 
  [10] Mijn lief glanst en schittert,
hij steekt boven duizenden uit.
  [11] Zijn hoofd is van goud, het zuiverste goud,
zijn lokken zijn als dadeltrossen, ravenzwart.
  [12] Zijn ogen zijn als duiven
bij een stromende beek,
die baden in water,
die gedompeld zijn in melk.
  [13] Zijn wangen zijn als balsemtuinen,
die overheerlijk geuren.*
Zijn lippen zijn als lelies,
die druipen van vloeiende mirre.
  [14] Zijn armen zijn als staven van goud,
met turkoois bezet.
Zijn buik is als een schijf van ivoor,
versierd met saffier.
  [15] Zijn benen zijn als zuilen van albast,
op voetstukken van zuiver goud.
Zijn gestalte is zo fier als een ceder van de Libanon.
  [16] Zijn mond is zoet,
aan hem is alles begeerlijk.
Dit is mijn lief, dit is mijn vriend,
meisjes van Jeruzalem!
Meisjes
 



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties