De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Job
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 14
 
  [1] Een mens, kind van een vrouw,
beperkt van dagen, overstelpt met zorgen,
  [2] een bloem die bloeit en verwelkt,
vluchtig als een schaduw, onbestendig.
  [3] Op zo iemand hebt U het begrepen,
zo’n kleine mens daagt U voor het gerecht.
 
  [4] Wie kan iets reins uit het onreine* halen?
Niemand!
  [5] Als het getal van zijn dagen en maanden
eenmaal is vastgesteld,
de duur van zijn leven is bepaald, dan kan hij dit niet overschrijden.
  [6] Bespied hem dan niet meer,
gun de dagloner zijn vreugde en
laat hem van het leven genieten.
  [7] Let wel, voor een boom is er hoop:
zelfs omgehouwen kan hij nog uitbotten,
opnieuw in bladeren schieten.
  [8] Al worden zijn wortels oud in de grond,
al sterft zijn stronk diep in de bodem,
  [9] hij hoeft maar water te ruiken en hij loopt uit,
krijgt weer twijgen als een jonge plant.
  [10] Maar een mens sterft, en het is afgelopen,
geeft de geest, en het is voorbij:
  [11] als water uit de zee dat verdampt,
of een rivier die totaal verdroogt.
  [12] Als een mens eenmaal geveld is, blijft hij liggen,
zolang de hemel bestaat;
hij slaapt en wordt niet meer wakker.
 
  [13] Verberg* mij in de Sjeool,
stop me weg tot uw woede is geluwd,
neem me in uw liefde terug als de termijn is verstreken.
  [14] Zou een dode weer tot leven kunnen komen?
Ach, heel mijn leven zou ik op wacht blijven staan
tot mijn aflossing komt.
  [15] Ik zou antwoorden als U roept,
hunkerend naar uw eigen schepsel.
  [16] U zou wel mijn stappen tellen,
maar niet mijn zonden,
  [17] die wilt U eerder opbergen in een zak,
en mijn schuld wegpleisteren met kalk.
  [18] Maar bergen storten naar beneden,
rotsen breken van hun plaats,
  [19] water slijpt gesteente uit,
stortregen spoelt de aarde van de bodem …
zo vernietigt U de hoop van de mens.
  [20] U grijpt hem aan, en hij is voor altijd weg;
U misvormt zijn uiterlijk en stoot hem af.
  [21] Zijn zonen maken naam, hij weet van niets;
zij verliezen die weer, het raakt hem niet.
  [22] Hij voelt alleen zijn eigen pijn,
hij treurt alleen om zichzelf.’
Hoofdstuk 14
 
  [1] Een mens, geboren uit een vrouw –
kort zijn zijn dagen, doordrenkt van onrust.
  [2] Als een bloem ontluikt hij en verwelkt,
hij vlucht als een schaduw en houdt geen stand.
  [3] En op zo’n mens richt u uw blik;
mij daagt u voor het gerecht?
  [4] Kan een mens tot reinheid brengen wat onrein is?
Nee, dat kan hij niet!
  [5] Als de dagen van de mens al vaststaan,
als u het aantal maanden dat hij leeft bepaalt
en de grens stelt die hij niet kan overschrijden,
  [6] wend uw blik dan af en gun hem rust,
zodat hij als een dagloner van zijn dag geniet.
  [7] Voor een boom is er altijd hoop:
als hij wordt omgehakt, loopt hij weer uit,
er blijven nieuwe loten komen.
  [8] Al wordt zijn wortel in de aarde oud,
al gaat zijn stronk dood in de grond,
  [9] zodra hij water ruikt, bot hij weer uit
en vormt twijgen, als een jonge scheut.
  [10] Maar een mens sterft en hij ligt terneer.
Hij blaast zijn laatste adem uit – waar is hij dan?
  [11] Water van de zee verdampt,
beddingen van rivieren worden dor en droog.
  [12] Een mens gaat liggen en staat niet meer op.
Zolang de hemel zal bestaan, ontwaakt hij niet,
hij wordt niet uit zijn slaap gewekt.
  [13] O, geef mij een schuilplaats in het dodenrijk
en verberg me daar totdat uw woede is geluwd,
stel een tijd vast en kijk dan weer naar mij om.
 
  [14] Als een mens sterft – kan hij dan herleven?
Dan zou ik heel mijn tijd uitdienen,
totdat ik werd afgelost.
  [15] U zou me roepen en ik zou antwoorden,
u zou terugverlangen naar het werk van uw handen.
  [16] U zou al mijn stappen tellen,
maar geen acht slaan op mijn zonden.
  [17] U zou mijn wandaad in een buidel weggesloten hebben,
mijn fouten hebben toegedekt.
  [18] Maar een berg stort in en wordt vernietigd,
een rots wordt van zijn plaats gesleurd,
  [19] water slijpt stenen tot stof,
aarde wordt door regens* weggespoeld.
Zo doet u de hoop van de mens teniet.
  [20] U overweldigt hem, hij gaat teloor;
u vervormt zijn gezicht, u zendt hem weg.
  [21] Zijn zonen krijgen aanzien – hij weet het niet,
zijn zonen gaat het slecht – hij merkt het niet.
  [22] Zijn lichaam kent slechts pijn
en zijn ziel treurt over hem.’



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties