Hoofdstuk 8 [1] terwijl Jezus naar de Olijfberg ging. [2] Maar in de vroegte was Hij alweer in de tempel en heel het volk stroomde naar Hem toe. Hij ging zitten en onderrichtte hen. [3] Nu kwamen de schriftgeleerden en de farizeeën aanzetten met een vrouw die betrapt was op echtbreuk. Ze brachten haar voor Hem [4] en zeiden: ‘Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt op echtbreuk. [5] Mozes heeft ons in de wet voorgeschreven zulke vrouwen te stenigen. Hoe staat U daar tegenover?’ [6] Met deze vraag wilden ze Hem op de proef stellen, om te zien of ze een aanklacht tegen Hem konden indienen. Maar Jezus bukte zich om met zijn vinger op de grond* te schrijven. [7] Toen ze op een antwoord bleven aandringen, keek Hij op en zei: ‘Wie van u zonder zonde is, moet dan maar als eerste een steen op haar werpen.’ [8] En weer bukte Hij zich om op de grond te schrijven. [9] Zij echter trokken na die woorden weg, de een na de ander, te beginnen met de oudsten, zodat Hij alleen achterbleef met de vrouw daar vóór Hem. [10] Jezus keek op en vroeg haar: ‘Waar zijn ze gebleven, vrouw? Heeft niemand u veroordeeld?’ [11] ‘Nee Heer, niemand’, antwoordde ze. Waarop Jezus zei: ‘Ik veroordeel u ook niet. Ga nu maar, en zondig voortaan niet meer.’
Jezus: het licht van de wereld [12] Weer richtte Jezus zich tot* hen: ‘Ik* ben het licht* van de wereld. Wie Mij volgt*, gaat zijn weg niet in de duisternis, maar zal het ware levenslicht bezitten.’ [13] De farizeeën brachten hier tegenin: ‘U getuigt van uzelf! Zo’n getuigenis heeft geen waarde.’ [14] Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Inderdaad, Ik getuig* van mijzelf, en toch heeft mijn getuigenis waarde. Want Ik weet waar Ik vandaan kom en waar Ik heen ga. Maar u weet niet waar Ik vandaan kom of waar Ik heen ga. [15] U* oordeelt naar menselijke maatstaven, maar Ik oordeel niet, over niemand. [16] En als Ik toch oordeel, is mijn oordeel waarachtig, want het komt niet van Mij alleen, maar ook van de Vader die Mij gezonden heeft, [17] en in uw eigen wet staat geschreven dat het getuigenis van twee personen rechtsgeldig is. [18] Ja, Ik ben iemand die van zichzelf getuigt, maar van Mij getuigt ook de Vader die Mij gezonden heeft.’ [19] ‘Uw Vader?’ vroegen ze. ‘Waar is die dan?’ Jezus antwoordde: ‘U kent mijn Vader al evenmin als u Mij kent. Als u Mij zou kennen, zou u ook mijn Vader kennen.’ [20] Zo sprak Jezus bij de offerkist, tijdens zijn onderricht in de tempel. Toch was er niemand die Hem greep, want zijn uur was nog niet gekomen.
Waar Ik heen ga, kunt u niet komen [21] Opnieuw zei Hij tegen hen: ‘Ik ga heen en u zult Mij zoeken, maar u zult in uw zonde* sterven. Waar Ik heen ga, daar kunt u niet komen.’ [22] De Joden zeiden daarop: ‘Gaat* Hij zich soms het leven benemen, dat Hij zegt: “Waar Ik heen ga, daar kunt u niet komen”?’ [23] Maar Hij vervolgde: ‘U bent van beneden, Ik ben van boven. U bent van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. [24] Vandaar mijn waarschuwing, dat u in uw zonden zult sterven. Want als u niet wilt geloven* dat Ik het ben, zult u in uw zonden sterven.’ [25] ‘Maar wie bent U dan?’ vroegen ze. Daarop zei Jezus: ‘Niets anders dan wat Ik u aldoor zeg dat Ik ben. [26] Over u zou Ik veel te zeggen hebben, en wel tot uw veroordeling. Maar Hij die Mij gezonden heeft is waarachtig, en wat Ik van Hem gehoord heb, dat verkondig Ik aan de wereld.’ [27] Ze begrepen niet dat Hij hun over de Vader sprak. [28] Daarom ging Jezus verder: ‘Wanneer* u de Mensenzoon omhoog geheven hebt, dan zult u begrijpen dat Ik het ben en dat Ik niets uit Mijzelf doe; alleen datgene wat de Vader Mij geleerd heeft, dat verkondig Ik. [29] En Hij die Mij gezonden heeft is met Mij: Hij laat Mij nooit alleen, omdat Ik altijd doe wat Hem welgevallig is.’ [30] Terwijl Hij zo sprak gingen er velen in Hem geloven.
Afstammelingen van Abraham [31] Tegen die Joden* die in Hem geloofden, zei Jezus: ‘Als u vasthoudt aan mijn woord, dan bent u werkelijk leerlingen van Mij; [32] dan zult u de waarheid leren kennen, en de waarheid* zal u vrij maken.’ [33] Toen wierpen ze tegen: ‘We zijn toch afstammelingen* van Abraham en nooit iemands slaaf geweest! Hoe kunt U dan zeggen dat we vrij moeten worden?’ [34] Jezus gaf hun ten antwoord: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: wie zonde* doet is een slaaf, een slaaf van de zonde. [35] Een slaaf* blijft niet voorgoed in huis, de zoon blijft voorgoed. [36] Als de Zoon u vrijmaakt, zult u echt vrij zijn. [37] Natuurlijk bent u afstammelingen van Abraham! Maar toch bent u eropuit om Mij te doden, want mijn woord vindt geen weerklank bij u. [38] Ik verkondig niets anders dan wat Ik bij de Vader heb gezien, en u doet niets anders dan wat u van uw vader hebt gehoord.’ [39] ‘Onze vader is Abraham!’ antwoordden ze. Daarop zei Jezus: ‘Als u werkelijk kinderen van Abraham bent, zou u doen* wat Abraham deed. [40] In plaats daarvan bent u eropuit om Mij te doden, iemand nog wel die u de waarheid heeft verkondigd die Hij van God heeft vernomen. Zoiets zou Abraham nooit gedaan hebben. [41] Nee, u hebt een andere* vader, en u doet zoals hij.’ – ‘Wij zijn geen onechte kinderen’, antwoordden ze. ‘We hebben maar één Vader, en dat is God!’ [42] ‘Als God uw vader was,’ zei Jezus, ‘dan zou u Mij liefhebben*, want Ik ben van God uitgegaan en van Godswege ben Ik hier: Ik ben niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden. [43] Weet u waarom u mijn taal niet verstaat? Omdat u niet in staat bent te luisteren naar mijn woord. [44] U bent zonen van de duivel, die is uw vader, en u doet niets liever dan uitvoeren wat uw vader in de zin heeft. Vanaf* het begin stond hij de mens naar het leven en bevond hij zich buiten de waarheid, omdat er in hem geen waarheid is. Als hij leugentaal spreekt, spreekt hij zoals hij geaard is: hij is een geboren leugenaar. [45] Maar Mij, iemand die de waarheid zegt, gelooft u niet. [46] Kan iemand van u aantonen dat Ik mij aan bedrog bezondig? Als Ik dus de waarheid verkondig, hoe komt het dan dat u Mij niet gelooft? [47] Alleen degene die uit God is, luistert naar de woorden van God. En daarom luistert u niet, omdat u niet uit God bent.’ [48] Hierop antwoordden de Joden: ‘Hebben we geen gelijk als we zeggen dat U een Samaritaan* bent en van de duivel bezeten?’ [49] ‘Nee,’ zei Jezus, ‘Ik ben niet van de duivel bezeten; integendeel, Ik eer mijn Vader; maar u doet Mij in mijn eer tekort. [50] Niet dat Ik zelf voor mijn eer wil opkomen, dat kan Ik aan een ander overlaten en die zal uitspraak doen. [51] Waarachtig, Ik verzeker u: wie zich houdt aan mijn woord, zal de dood niet zien.’ [52] De Joden zeiden daarop: ‘Nu weten we zeker dat U bezeten bent. Zelfs Abraham is gestorven, en ook de profeten, en U beweert: “Wie zich houdt aan mijn woord, zal de dood nooit proeven.” [53] Bent U soms groter dan onze vader Abraham en dan de profeten, die toch allemaal gestorven zijn? Wie denkt U wel dat U bent?’ [54] Jezus hernam: ‘Als Ik mijzelf verheerlijk heeft dat niets te betekenen. Mijn heerlijkheid komt van de Vader. U noemt Hem “Onze God”, [55] maar u weet niet over wie u het hebt. Ik ken Hem wel. Als Ik zou zeggen dat Ik Hem niet ken, zou Ik een leugenaar zijn zoals u. Maar Ik ken Hem en Ik houd me aan zijn woord. [56] En wat uw vader Abraham betreft: hij verheugde* zich erop dat hij mijn dag zou zien, en toen hij die zag was hij vol vreugde.’ [57] Toen zeiden de Joden: ‘U bent nog geen vijftig jaar en U hebt Abraham nog gezien?’ [58] Jezus antwoordde: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: van voordat Abraham werd geboren, ben Ik*.’ [59] Toen scheelde het niet veel of ze hadden Hem gestenigd, maar Hij wist te ontkomen en verliet de tempel.
Hoofdstuk 8 Een vrouw op overspel betrapt [1] Jezus ging naar de Olijfberg, [2] en vroeg in de morgen was hij weer in de tempel. Het hele volk kwam naar hem toe, hij ging zitten en gaf hun onderricht. [3] Toen brachten de schriftgeleerden en de Farizeeën een vrouw bij hem die op overspel betrapt was. Ze zetten haar in het midden en [4] zeiden tegen Jezus: ‘Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt toen ze overspel pleegde. [5] Mozes draagt ons in de wet op zulke vrouwen te stenigen. Wat vindt u daarvan?’ [6] Dit zeiden ze om hem op de proef te stellen, om te zien of ze hem konden aanklagen. Jezus bukte zich en schreef met zijn vinger op de grond. [7] Toen ze bleven aandringen, richtte hij zich op en zei: ‘Wie van jullie zonder zonde is, laat die als eerste een steen naar haar werpen.’ [8] Hij bukte zich weer en schreef op de grond. [9] Toen ze dat hoorden gingen ze weg, een voor een, de oudsten het eerst, en ze lieten hem alleen, met de vrouw die in het midden stond. [10] Jezus richtte zich op en vroeg haar: ‘Waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld?’ [11] ‘Niemand, heer,’ zei ze. ‘Ik veroordeel u ook niet,’ zei Jezus. ‘Ga naar huis, en zondig vanaf nu niet meer.’
Jezus getuigt over zichzelf [12] Jezus nam opnieuw het woord. Hij zei: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft.’ [13] De Farizeeën wierpen tegen: ‘Uw getuigenis is niet betrouwbaar, want u getuigt over uzelf.’ [14] Maar Jezus ging verder: ‘Ook al getuig ik over mezelf, toch is mijn getuigenis betrouwbaar, omdat ik weet waar ik vandaan gekomen ben en waar ik naartoe ga. Maar u weet niet waar ik vandaan kom of waar ik naartoe ga. [15] U oordeelt met menselijke maatstaven, maar ik oordeel over niemand. [16] En wanneer ik toch een oordeel vel, is mijn oordeel betrouwbaar, omdat ik niet alleen ben, maar samen met de Vader die mij gezonden heeft. [17] In uw wet staat geschreven dat het getuigenis van twee mensen betrouwbaar is. [18] Wel, ik getuig over mezelf, en de Vader die mij gezonden heeft, getuigt over mij.’ [19] Toen vroegen ze: ‘Waar is uw vader dan?’ ‘U kent noch mij, noch mijn Vader,’ antwoordde Jezus. ‘Als u mij zou kennen zou u mijn Vader ook kennen.’ [20] Dit zei hij in de schatkamer van de tempel, waar hij onderricht gaf. Niemand greep hem, want zijn tijd was nog niet gekomen. [21] Hij nam opnieuw het woord en zei: ‘Ik ga weg, en u zult me zoeken. Maar u zult in uw zonde sterven. Waar ik naartoe ga, daar kunt u niet komen.’ [22] De Joden zeiden: ‘Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat hij zegt dat hij ergens naartoe gaat waar wij niet kunnen komen?’ [23] Jezus vervolgde: ‘U bent van beneden, ik ben van boven; u hoort bij deze wereld, ik hoor niet bij deze wereld. [24] Ik heb tegen u gezegd dat u in uw zonden zult sterven, want als u niet gelooft dat ik het ben, zult u inderdaad in uw zonden sterven.’ [25] ‘Wie bent u dan?’ vroegen ze. Jezus zei: ‘Wat ik vanaf het begin al tegen u gezegd heb. [26] Ik heb veel over u te zeggen, en veel in uw nadeel, maar ik zeg tegen de wereld wat ik gehoord heb van hem die mij gezonden heeft, en hij is betrouwbaar.’ [27] De mensen begrepen niet dat hij over de Vader sprak. [28] ‘Wanneer u de Mensenzoon hoog verheven hebt,’ ging Jezus verder, ‘dan zult u weten dat ik het ben, en dat ik niets uit mijzelf doe, maar over deze dingen spreek zoals de Vader het mij geleerd heeft. [29] Hij die mij gezonden heeft is bij mij; hij heeft me niet alleen gelaten, omdat ik altijd doe wat hij wil.’ [30] Toen hij deze dingen zei, kwamen velen tot geloof in hem. [31] En tegen de Joden die in hem geloofden zei Jezus: ‘Wanneer u bij mijn woord blijft, bent u werkelijk mijn leerlingen. [32] U zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden.’ [33] Ze zeiden: ‘Wij zijn nakomelingen van Abraham en we zijn nooit iemands slaaf geweest – hoe kunt u dan zeggen dat wij bevrijd zullen worden?’ [34] Jezus antwoordde: ‘Waarachtig, ik verzeker u: iedereen die zondigt is een slaaf van de zonde. [35] Nu blijft een slaaf niet voor eeuwig in huis, maar de Zoon blijft wel voor eeuwig. [36] Dus wanneer de Zoon u vrij zal maken, zult u werkelijk vrij zijn. [37] Ik weet wel dat u nakomelingen van Abraham bent. Toch wilt u mij doden, omdat er in u geen ruimte is voor wat ik zeg. [38] Ik spreek over wat ik gezien heb bij de Vader, u doet wat u gehoord hebt van uw Vader.’ [39] ‘Onze vader is Abraham,’ zeiden ze. Maar Jezus zei: ‘Als u echt kinderen van Abraham bent, zou u moeten doen wat Abraham deed. [40] Maar nee, u wilt mij, iemand die u de waarheid heeft gezegd die hij van God gehoord heeft, doden – zoiets heeft Abraham niet gedaan. [41] Maar u doet inderdaad wat úw vader deed!’ Ze zeiden: ‘Wij zijn geen bastaardkinderen! We hebben maar één Vader: God.’ [42] ‘Als God uw Vader was,’ zei Jezus tegen hen, ‘zou u mij liefhebben, want ik ben bij God vandaan gekomen toen ik hiernaartoe kwam. Ik ben niet namens mezelf gekomen, maar hij heeft mij gezonden. [43]Waarom begrijpt u niet wat ik zeg? Omdat u mijn woorden niet kunt aanhoren. [44] Uw vader is de duivel, en u doet maar al te graag wat uw vader wil. Hij is vanaf het begin een moordenaar geweest. Hij hoort niet bij de waarheid, omdat er geen waarheid in hem is. Wanneer hij liegt, spreekt hij zoals hij is: een aartsleugenaar, de vader van de leugen. [45] Maar mij gelooft u niet, want ik spreek de waarheid. [46] Kan een van u mij van zonde beschuldigen? Als ik de waarheid spreek, waarom gelooft u me dan niet? [47] Wie van God is, luistert naar de woorden van God. U luistert niet, omdat u niet van God bent.’ [48] De Joden riepen: ‘Zeggen we soms ten onrechte dat u een Samaritaan bent, en dat u bezeten bent?’ [49] ‘Ik ben niet bezeten,’ zei Jezus. ‘Ik eer mijn Vader, maar u eert mij niet. [50] Ik ben niet uit op eigen eer; iemand anders is uit op mijn eer en hij zal oordelen. [51] Waarachtig, ik verzeker u: als iemand mijn woord bewaart zal hij de dood nooit zien.’ [52] Toen zeiden de Joden: ‘Nu weten we zeker dat u bezeten bent! Abraham is gestorven, en de profeten ook, en u zegt: “Wie mijn woord bewaart zal de dood nooit proeven”! [53] Bent u soms meer dan onze vader Abraham, die gestorven is? Ook de profeten zijn gestorven. Wie denkt u wel dat u bent?’ [54] Jezus antwoordde: ‘Wanneer ik mezelf zou eren, zou mijn eer niets betekenen, maar het is de Vader die mij eert, de Vader van wie u zegt dat hij onze God is, [55] hoewel u hem niet kent. Ik ken hem. Als ik zou zeggen dat ik hem niet ken, zou ik een leugenaar zijn, net als u. Maar ik ken hem wel, en ik bewaar zijn woord. [56] Abraham, uw vader, verheugde zich op mijn komst, en toen hij die meemaakte was hij blij.’ [57] De Joden zeiden: ‘U bent nog geen vijftig en u zou Abraham gezien hebben?’ [58] ‘Waarachtig, ik verzeker u,’ antwoordde Jezus, ‘van voordat Abraham er was, ben ik er.’ [59] Toen raapten ze stenen op om naar hem te gooien. Maar Jezus wist onopgemerkt uit de tempel te ontkomen.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.