Hoofdstuk 6 De val van Jericho [1] Intussen* had Jericho zijn poorten gesloten en zij bleven gesloten uit angst voor de Israëlieten. Niemand kon de stad in of uit. [2] Toen sprak de heer tot Jozua: ‘Ik lever Jericho, zijn koning en zijn soldaten aan u uit. [3] U moet met alle weerbare mannen één keer om de stad trekken, zes dagen lang. [4] Daarbij moeten zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark uit gaan. Op de zevende dag moet u zeven keer om de stad trekken, terwijl de priesters op de hoorns blazen. [5] Als dan de ramshoorns geblazen worden en u het signaal hoort, moet het hele volk uit alle macht beginnen te schreeuwen. Dan stort de stadsmuur in en moet het volk naar boven klimmen, ieder recht voor zich uit.’ [6] Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters en zei hun: ‘Neem de ark van het verbond op en laat zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark uit gaan.’ [7] Tegen het volk zei hij: ‘Trek rond de stad, en de gewapende mannen moeten voor de ark van de heer uit gaan.’ [8] Zodra Jozua dit gezegd had, trokken zeven priesters voor de heer uit en bliezen op zeven ramshoorns; de ark van het verbond van de heer kwam achter hen aan. [9] De gewapende mannen liepen voor de priesters die de hoorns bliezen, de overigen liepen achter de ark. Tijdens de hele tocht werd er op de hoorns geblazen. [10] Jozua had het volk opgedragen: ‘U mag niet roepen en u niet laten horen; er mag geen geluid over uw lippen komen tot de dag waarop ik beveel om te schreeuwen. Dan moet u schreeuwen.’ [11] Hij liet de ark van de heer één keer rond de stad dragen. Daarna keerde men terug naar het kamp om er de nacht door te brengen. [12] In alle vroegte stond Jozua op. De priesters namen de ark van de heer; [13] de zeven priesters met de zeven ramshoorns gingen voor de ark van de heer uit, terwijl zij voortdurend op de hoorns bliezen. De gewapende mannen liepen voor hen uit, de overigen liepen achter de ark. En tijdens de hele tocht werd er op de hoorns geblazen. [14] Ook de tweede dag trokken zij één keer om de stad: daarna keerden zij terug in het kamp. Zo deden zij zes dagen achtereen. [15] In de ochtend van de zevende dag, bij het aanbreken van de dag, trokken zij op de voorgeschreven wijze zeven keer om de stad. [16] En toen de priesters de zevende keer op de ramshoorns bliezen, zei Jozua tegen het volk: ‘Nu schreeuwen! De heer levert de stad aan u uit. [17] De stad met alles wat erin is moet voor de heer aan de vernietiging gewijd worden; alleen de hoer Rachab en iedereen die bij haar in huis is mag in leven blijven, omdat zij de verkenners die wij gestuurd hadden heeft verborgen. [18] Blijf dus af van wat aan de vernietiging gewijd is, anders valt u zelf ook onder de vernietiging. Als u er iets van wegneemt, valt het kamp van Israël onder de vernietiging en stort u het in het ongeluk. [19] Het goud en het zilver en alle voorwerpen van brons of ijzer zijn voor de heer bestemd; ze moeten bij de schat van de heer gevoegd worden.’ [20] Toen begon het volk te schreeuwen en werden de hoorns geblazen. Bij het schallen van de hoorns begon het volk uit alle macht te schreeuwen. De muur stortte in, het volk klom naar boven, ieder recht voor zich uit, en zij veroverden de stad. [21] Alles in de stad wijdden zij aan de vernietiging, mannen en vrouwen, kinderen en grijsaards, runderen, schapen en ezels, alles een prooi voor het zwaard. [22] Tegen de twee mannen die het land hadden verkend, had Jozua gezegd: ‘Ga naar het huis van Rachab en haal de vrouw met al haar familieleden eruit, zoals u haar onder ede beloofd hebt.’ [23] De verkenners gingen daar dus heen en brachten Rachab, haar vader en moeder, haar broers en overige familieleden met al hun verwanten de stad uit; zij wezen hun een verblijfplaats aan buiten het kamp van Israël. [24] De stad met alles wat erin was staken zij in brand; al het goud en zilver en de voorwerpen van brons en ijzer voegden zij bij de schat van het huis van de heer. [25] Rachab met heel haar ouderlijk huis, iedereen die bij haar hoorde, liet Jozua in leven. Zij wonen in Israël, tot op de dag van vandaag, omdat Rachab de mannen had verborgen die Jozua had uitgezonden om Jericho te verkennen. [26] Bij die gelegenheid heeft Jozua gezworen: ‘Vervloek bij de heer de man die het waagt om deze stad – Jericho – te herbouwen. De fundamenten die hij legt kosten* hem zijn oudste zoon, de poorten die hij opricht zijn jongste.’ [27] En de heer was met Jozua; zijn roem ging door het hele land.
Hoofdstuk 6 [1]Jericho was toen al volkomen afgegrendeld uit angst voor de Israëlieten, er kon niemand in of uit. [2] De HEER zei tegen Jozua: ‘Ik lever Jericho met zijn koning en al zijn dappere helden aan je uit. [3] Jullie moeten om de stad trekken; alle weerbare mannen moeten eenmaal om de stad gaan, en dat zes dagen achter elkaar. [4] Er moeten zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark van het verbond uit gaan. Maar op de zevende dag moeten jullie zevenmaal om de stad trekken. De priesters moeten op de ramshoorns blazen, [5] en als het volk die hoort klinken moet het uitbarsten in luid geschreeuw. De muur van de stad zal dan instorten en iedereen zal de stad binnenklimmen vanaf de plaats waar hij zich bevindt.’ [6] Jozua, de zoon van Nun, liet toen de priesters komen en gaf hun de opdracht: ‘Neem de ark van het verbond op. Zeven priesters moeten met zeven ramshoorns voor de ark van de HEER uit gaan.’ [7] En tegen het volk zei hij: ‘Trek op naar de stad, trek eromheen en laat de voorhoede van het leger voor de ark van de HEER uit gaan.’ [8] Het gebeurde zoals Jozua het volk had opgedragen. Zeven priesters gingen met zeven ramshoorns voor de HEER uit; ze trokken al blazend op de ramshoorns op naar de stad. De ark van het verbond met de HEER kwam achter hen aan, [9] de voorhoede ging voor de priesters uit die op de ramshoorns bliezen en de rest van het volk kwam achter de ark. De ramshoorns klonken onophoudelijk, [10] maar Jozua had strijdkreten verboden. ‘Laat uw stem niet horen,’ had hij gezegd, ‘slaak geen enkele kreet tot het moment waarop ik u dat beveel.’ [11] Jozua liet de ark van de HEER eenmaal om de hele stad trekken. Daarna ging het volk terug naar het kamp, waar het overnachtte. [12] De volgende dag stond Jozua in alle vroegte op. De priesters namen de ark van de HEER op, [13] de zeven priesters met de zeven ramshoorns trokken al blazend op de hoorns voor de ark van de HEER uit, de voorhoede ging voor hen uit en de rest van het volk kwam achter de ark van de HEER. Onophoudelijk klonken de ramshoorns. [14] De Israëlieten trokken ook op de tweede dag eenmaal om de stad en gingen daarna terug naar het kamp. Zo deden ze zes dagen. [15] Op de zevende dag stonden ze bij dageraad op en trokken op dezelfde wijze zevenmaal om de stad. Alleen op deze dag trokken ze zevenmaal om de stad, [16] en bij de zevende maal, toen de priesters de ramshoorns lieten klinken, riep Jozua tegen het volk: ‘Schreeuw, want de HEER heeft u Jericho in handen gegeven! [17] Maar op de stad en alles wat erin is rust de ban van de HEER: ze is onvoorwaardelijk aan de HEER gewijd en moet vernietigd worden. Alleen de hoer Rachab mag in leven blijven, samen met iedereen die bij haar in huis is, want zij heeft onze verkenners een schuilplaats gegeven. [18] Maar denk eraan dat op al het andere een ban rust. Dus vernietig de stad maar maak niets buit, zodat u niet Israëls eigen kamp aan de vernietiging prijsgeeft en Israël in het ongeluk stort. [19] Al het zilver en goud en alle voorwerpen van koper, brons en ijzer zijn aan de HEER gewijd; alles gaat naar de schatkamer van de HEER.’ [20] Toen de ramshoorns klonken, brak het volk uit in een donderend geschreeuw. De muur stortte in en iedereen klom de stad binnen vanaf de plaats waar hij zich bevond. Ze namen de stad in [21] en doodden alles wat erin was, zowel mannen als vrouwen, zowel kinderen als bejaarden, zowel runderen en schapen als ezels. [22] Maar Jozua zei tegen de twee mannen die het gebied hadden verkend: ‘Ga naar het huis van die hoer en breng haar met haar hele familie naar buiten, zoals jullie haar hebben gezworen.’ [23] De verkenners brachten Rachab naar buiten, samen met haar vader en moeder, broers en verdere familie. Kortom, ze brachten haar met al haar verwanten naar buiten en gaven hun een verblijfplaats buiten het kamp van Israël. [24] De Israëlieten lieten de stad met alles wat erin was in vlammen opgaan; alleen het zilver en goud en de koperen, bronzen en ijzeren voorwerpen brachten ze in de schatkamer van het heiligdom van de HEER. [25] Maar de hoer Rachab werd door Jozua gespaard, samen met iedereen die tot haar familie behoorde. Hun nakomelingen wonen tot op de dag van vandaag onder de Israëlieten, want Rachab had de mannen die in opdracht van Jozua Jericho moesten verkennen een schuilplaats gegeven. [26] Jozua liet het volk de volgende eed zweren: ‘Wij vervloeken ten overstaan van de HEER iedere man die het waagt deze stad, Jericho, weer op te bouwen. Hij zal de fundamenten leggen ten koste van zijn oudste zoon en de poortdeuren bevestigen ten koste van zijn jongste zoon.’ [27] En de HEER stond Jozua bij en zijn roem ging door het hele land.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.