Hoofdstuk 25 Slot van het eerste deel [1] Dit* woord kwam tot Jeremia, voor heel het volk van Juda. Het was in het vierde* jaar van de regering van Jojakim, zoon van Josia, de koning van Juda, in het jaar dat Nebukadnessar koning van Babel werd. [2] De profeet Jeremia sprak tot heel het volk van Juda en alle inwoners van Jeruzalem: [3] ‘Vanaf het dertiende jaar dat Josia, zoon van Amon, koning van Juda was, tot op de dag van vandaag, drieëntwintig jaar lang, is het woord van de heer tot mij gekomen. Onophoudelijk heb ik tegen u gesproken, maar u hebt niet geluisterd. [4] De heer heeft zijn dienaren, de profeten naar u gezonden, telkens weer, maar u hebt niet geluisterd, u hebt mij niet gehoorzaamd. [5] Ik zei steeds: “Laat uw slecht gedrag en uw zondig leven varen. Dan blijft u wonen op de grond die de heer aan u en uw voorvaderen voor altijd heeft gegeven. [6] Loop geen andere goden na, dien ze niet, vereer ze niet. Beledig Mij niet met uw zelfgemaakte beelden, anders laat Ik u doodgaan. [7] Maar u hebt niet naar Mij geluisterd – godsspraak van de heer. U hebt Mij beledigd met uw zelfgemaakte beelden, voor uw eigen slechtheid. [8] Daarom”, zo spreekt de heer van de machten, “omdat u niet naar Mij hebt geluisterd, [9] roep Ik alle volken van het noorden* op, samen met koning Nebukadnessar van Babel, mijn dienaar – godsspraak van de heer. Ik stuur hen af op dit land, op zijn bewoners en op alle volken in de omgeving. Ik wijd hen aan de vernietiging en maak hen voor altijd tot een schrikbeeld, een mikpunt van spot en vernedering. [10] Ik laat hun kreten van blijdschap en vreugde verdwijnen, het zingen voor bruidegom en bruid, het knarsen van de molensteen, het licht van de lamp. [11] Het hele land wordt een verschrikkelijke puinhoop. De volken zullen de koning van Babel dienen, zeventig* jaar. [12] Maar na die zeventig jaar zal Ik de koning van Babel en zijn volk hun misdaden vergelden – godsspraak van de heer. Het land van de Chaldeeën maak Ik voor altijd tot een woestijn. [13] Alles wat Ik tegen dit land heb aangekondigd, laat Ik in vervulling gaan, alles wat in dit boek staat geschreven.” ’
[14] ‘Machtige volken en grote koningen zullen hen op hun beurt onderwerpen. Ik vergeld hun hun misdaden.’ [15] Zo spreekt de heer, de God van Israël. ‘Neem deze beker* uit mijn hand en laat alle volken naar wie Ik u zend de wijn van de woede drinken. [16] Laat hen drinken tot ze waggelen als dwazen, door het zwaard dat Ik op hen afzend.’ [17] Ik nam de beker uit de hand van de heer en liet alle volken tot wie Hij mij zond eruit drinken: [18] Jeruzalem en de steden van Juda met hun koningen en edelen, om er een puinhoop, een schrikbeeld, een mikpunt van spot en een vloek van te maken, [19] de farao*, de koning van Egypte met zijn hovelingen, zijn edelen, zijn volk [20] en alle vreemdelingen; de koningen van Us; de Filistijnse koningen van Askelon, Gaza, Ekron en Asdod, voor zover het nog bestaat; [21] Edom, Moab en Ammon; [22] de koningen van Tyrus, van Sidon, van de overzeese gebieden; [23] Dedan*, Tema*, Buz* en alle mensen met kortgeknipt haar; [24] de koningen van Arabië en alle woestijnbewoners; [25] de koningen van Zimri, van Elam en van Medië; [26] de koningen in het noorden, zowel dichtbij als veraf, in één woord alle koninkrijken op de hele aarde, waar dan ook. Als laatste van allen drinkt de koning van Sesak* eruit. [27] ‘Dan moet u tegen hen zeggen: “Zo spreekt de heer van de machten, de God van Israël: Drink u dronken aan het zwaard dat Ik u stuur, tot u ervan braakt, tot u erbij neervalt en niet meer opstaat.” [28] En als ze de beker die u hun aanbiedt weigeren, dan moet u hun zeggen: “Zo spreekt de heer van de machten: Drinken zult u! [29] De rampen die Ik breng over de stad die mijn naam draagt, zijn pas het begin – en u denkt te kunnen ontsnappen? Nee, u zult niet ontsnappen! Ik roep het zwaard op tegen alle bewoners van de aarde – godsspraak van de heer van de machten.”
U moet hun verkondigen:
“De heer briest uit de hemel,
uit zijn heilige woning dondert zijn stem.
Hij buldert tegen zijn stad,
zoals de druivenpersers schreeuwt Hij
tegen alle bewoners van de aarde.
De strijdkreet dringt door
tot het einde van de aarde:
de heer vonnist over de volken,
Hij oordeelt over alle mensen
en levert de goddelozen uit aan het zwaard
– godsspraak van de heer.”
Zij die door de heer op die dag zijn geveld,
liggen van het ene eind van de aarde tot het andere.
Niemand rouwt over hen, niemand brengt hen bijeen, niemand begraaft hen:
ze blijven liggen als mest op de akkers.
Als een leeuw kwam Hij uit zijn schuilplaats
en hun land werd een wildernis door de woede,
de brandende toorn van de heer.” ’
Hoofdstuk 25 Profetieën over de volken [1] In het vierde regeringsjaar van koning Jojakim van Juda, de zoon van Josia (dit was het eerste regeringsjaar van koning Nebukadnessar van Babylonië), richtte de HEER zich tot Jeremia over de inwoners van Juda en Jeruzalem. De profeet Jeremia sprak toen tot hen: [3] ‘Vanaf het dertiende regeringsjaar van koning Josia van Juda, de zoon van Amon, tot op de dag van vandaag, drieëntwintig jaar lang, heb ik telkens weer namens de HEER tot jullie gesproken, maar jullie hebben niet geluisterd. [4] Steeds opnieuw heeft de HEER zijn dienaren, de profeten, naar jullie gezonden, maar jullie hebben niet geluisterd; jullie wilden hen niet eens aanhoren. [5] Ze zeiden: “Geef je verdorven levenswandel op, breek met je kwalijke praktijken, dan mogen jullie in het land blijven wonen dat de HEER jullie en je voorouders gegeven heeft. Zo is het altijd geweest, zo zal het dan altijd zijn. [6] Loop niet achter andere goden aan, dien ze niet en buig je niet voor hen neer, krenk mij niet met wat je zelf gemaakt hebt, dan zal ik jullie niet met onheil treffen.” [7] Maar jullie hebben niet naar mij geluisterd – spreekt de HEER –, jullie hebben mij gekrenkt met wat jullie zelf gemaakt hebben, tot jullie eigen ondergang. [8] Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten: Omdat jullie niet naar mij hebben geluisterd, [9] zal ik alle volken van het noorden met mijn dienaar, koning Nebukadnessar van Babylonië, ontbieden – spreekt de HEER. Ik stuur ze op de inwoners van dit land af en op alle omringende volken. Ik breng alle inwoners om; ze zullen afschuw en ontzetting wekken, en dit land zal voor altijd in puin liggen. [10] Ik laat de vreugdezangen verstommen, bruid en bruidegom zullen niet langer van vreugde zingen, het geluid van de handmolens zal versterven en het licht van de lampen zal doven. [11] Heel dit land valt in puin en wordt een woestenij, en ook de omringende volken zullen de koning van Babylonië dienen, zeventig jaar lang. [12] Maar als die zeventig jaar voorbij zijn, zal ik de koning van Babylonië en zijn volk voor hun misdaden laten boeten – spreekt de HEER. Ik maak het land van de Chaldeeën voor altijd tot een woestenij. [13] Ik breng over dat land het onheil dat ik het aangekondigd heb, alles wat in dit boek geschreven staat en door Jeremia tegen alle volken geprofeteerd is. [14] Dan zullen de Chaldeeën zelf door vele volken en machtige koningen worden onderworpen. Zo zal ik hun vergelden wat ze hebben misdaan.’ [15] Vervolgens zei de HEER, de God van Israël, tegen mij: ‘Neem deze beker van mij aan en laat daaruit alle volken waarheen ik je zend de wijn van mijn woede drinken. [16] Als ze die drinken worden ze dronken van angst voor het zwaard dat ik op hen afstuur.’ [17] Ik nam van de HEER de beker aan en gaf alle volken waarheen hij mij zond daaruit te drinken: [18] Jeruzalem en de steden van Juda, die in puin zouden vallen; de koningen en leiders, die afschuw en ontzetting zouden wekken, van wie de namen als een vloek zouden worden gebruikt, zoals nu al gebeurt; [19] de farao, de koning van Egypte, zijn hof, zijn raadsheren en heel zijn volk, [20] en alle vreemdelingen die er woonden; alle koningen van het land Us; alle koningen van het land van de Filistijnen: die van Askelon, Gaza, Ekron en wat er nog over was van Asdod; [21] Edom, Moab en Ammon; [22] de koningen van Tyrus, de koningen van Sidon en die van de overzeese gebieden; [23] Dedan, Tema en Buz, en alle volken met kaalgeschoren slapen; [24] de koningen van Arabië en de koningen van de andere volken die in de woestijn woonden; [25] de koningen van Zimri, de koningen van Elam en de koningen van Medië; [26] en de koningen van het noorden, de een na de ander, of ze nu dichtbij of veraf woonden. Alle koninkrijken op aarde moesten uit de beker drinken; de koning van Sesach* als laatste. [27] De HEER zei: ‘Zeg tegen hen: Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Drink, duizel en braak; als ik het zwaard op jullie afstuur, storten jullie neer en kunnen jullie niet meer opstaan. [28] En als ze weigeren de beker aan te nemen, zeg dan tegen hen: Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Drinken zul je! [29] Ik sta op het punt de stad waaraan mijn naam verbonden is ten onder te laten gaan. Zouden jullie dan ongestraft blijven? Nee! Ik roep het zwaard op tegen alle bewoners van de aarde – spreekt de HEER van de hemelse machten.
En jij – profeteer dit alles, zeg tegen hen:
De HEER brult uit de hoge hemel,
hij gromt vanuit zijn heilige woning,
hij buldert over zijn kudde.
Als een druiventreder schreeuwt hij
tegen de bewoners van de aarde.
Tot aan de einden der aarde klinkt krijgsrumoer,
want de HEER klaagt alle volken aan,
hij voert een rechtszaak tegen al wat leeft.
Die boosdoeners levert hij uit aan het zwaard
– spreekt de HEER.
De slachtoffers van de HEER liggen over de aarde verspreid.
Ze worden niet betreurd, niet weggehaald en niet begraven,
maar blijven liggen als mest op het land.
Herders, jammer, schreeuw het uit!
Leiders van de kudde, wentel je in het stof!
Nu worden jullie geslacht,
jullie vallen in stukken als een kostbare kruik,
jullie worden verstrooid.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.