Hoofdstuk 32 De akker in Anatot [1] In het tiende regeringsjaar van koning Sedekia, het achttiende van Nebukadnessar, kwam het woord van de heer tot Jeremia. [2] Het leger van de koning van Babel had toen Jeruzalem omsingeld en de profeet Jeremia zat gevangen in het kwartier van de paleiswacht. [3] Koning Sedekia had hem daar laten opsluiten omdat hij verkondigde: ‘Zo spreekt de heer: Ik geef de stad in de macht van de koning van Babel; hij zal haar innemen. [4] Koning Sedekia van Juda zal niet aan de Chaldeeën ontsnappen. Hij wordt uitgeleverd aan de koning van Babel. Dan kan hij persoonlijk met hem spreken, onder vier ogen. [5] Hij wordt door hem naar Babel gevoerd; daar blijft hij tot Ik mij over hem bekommer – godsspraak van de heer. Ook al verdedigt u zich tegen de Chaldeeën, het is tevergeefs.’ [6] Jeremia zei: ‘Het woord van de heer kwam tot mij: [7] “Chananel, een zoon van uw oom Sallum, komt u vragen: Wil je mijn akker in Anatot kopen? Jij hebt er het eerste recht* op.” [8] Mijn neef Chananel kwam inderdaad bij mij in het kwartier van de wacht zoals de heer gezegd had, en vroeg: “Wil je mijn akker in Anatot kopen? Als oudste familielid heb je daar recht op. Je kunt hem dus kopen.” Toen begreep ik dat dit de wens van de heer was. [9] Ik kocht dus van mijn neef Chananel de akker in Anatot en betaalde de prijs: zeventien zilveren sikkels*. [10] Ik maakte de koopakte op, verzegelde die in tegenwoordigheid van getuigen en woog het geld af. [11] De koopakte, zowel die volgens vast gebruik was verzegeld als de niet verzegelde akte, [12] overhandigde ik in tegenwoordigheid van mijn neef Chananel, van de getuigen die het contract hadden ondertekend, en van alle Joden die in het kwartier van de wacht aanwezig waren, aan Baruch, zoon van Neria en zoon van Machseja. [13] In hun aanwezigheid gaf ik hem de opdracht: [14] “Zo spreekt de heer van de machten, de God van Israël: Leg deze akten, de verzegelde en de niet-verzegelde, in een aarden kruik, zodat ze lange tijd bewaard blijven. [15] Want”, zo spreekt de heer van de machten, de God van Israël, “men zal in dit land weer huizen, akkers en wijngaarden kopen.” [16] Nadat ik de akte aan Baruch, zoon van Neria, had gegeven, bad ik tot de heer: [17] “Ach, Heer god! U hebt de hemel en de aarde gemaakt in uw grote macht, met opgeheven arm. Niets is onmogelijk voor U [18] die aan duizenden genade schenkt maar de ongerechtigheid van de vaders wreekt op hun kinderen. U bent een grote, sterke God, uw naam is de heer van de machten. [19] Uw plannen zijn groot, uw daden machtig. Alles wat de mensen doen, ligt open voor U; U beoordeelt ieder naar zijn gedrag, naar de vrucht van zijn werk. [20] U hebt wondertekenen verricht vanaf het verblijf in Egypte tot op de dag van vandaag, voor Israël en voor heel de mensheid, zodat uw naam nu overal bekend is. [21] U hebt uw volk, Israël, uit Egypte gevoerd met tekenen en wonderen, met sterke hand en opgeheven arm, onder grote verschrikkingen. [22] U hebt hun dit land gegeven, het land van melk en honing, dat U aan hun voorvaderen onder ede beloofd had. [23] Maar toen zij daar aankwamen en het in bezit namen, luisterden ze niet naar U. Ze leefden niet volgens uw voorschriften en voerden uw bevelen niet uit. Daarom hebt U al deze rampen over hen gebracht. [24] De belegeringswallen reiken al tot de stad; ze wordt ingenomen, ze valt in handen van de Chaldeeën die haar bestormen; ze bezwijkt door het zwaard, de honger en de pest. Wat U hebt aangekondigd, gaat nu gebeuren. U ziet het zelf. [25] En toch, Heer god, hebt U tegen mij gezegd: ‘Koop de akker en betaal de prijs in tegenwoordigheid van getuigen.’ En dit, terwijl de stad in handen van de Chaldeeën dreigt te vallen.” ’ [26] Toen kwam het woord van de heer tot Jeremia: [27] ‘Ik ben de heer, de God van al wat leeft. Niets is onmogelijk voor Mij. [28] Daarom’, zo spreekt de heer, ‘lever Ik deze stad over aan de Chaldeeën, aan koning Nebukadnessar van Babel: hij zal haar innemen. [29] De Chaldeeën die de stad belegeren, dringen er binnen, steken haar in brand en leggen haar in as, met al de huizen waar men Mij beledigde door op de daken wierook te branden voor Baäl en plengoffers te brengen aan andere goden. [30] De Israëlieten en de Judeeërs hebben vanaf het begin alleen gedaan wat Mij mishaagt, en Mij beledigd met hun zelfgemaakte beelden – godsspraak van de heer. [31] Vanaf de dag dat deze stad gebouwd werd tot op de dag van vandaag, heeft ze zozeer mijn boosheid en mijn woede opgewekt dat Ik haar laat verdwijnen. [32] De Israëlieten en de Judeeërs hebben Mij allen beledigd door het kwaad dat ze bedreven hebben: hun koningen en edelen, hun priesters en profeten, de bevolking van Juda en de inwoners van Jeruzalem. [33] Ze hebben Mij steeds de rug toegekeerd, niet hun gezicht. Steeds weer heb Ik hen onderwezen maar niemand wilde luisteren of iets van Mij aannemen. [34] Ze hebben het huis dat mijn naam draagt met hun afgodsbeelden onteerd. [35] Ze hebben in het Ben-Hinnomdal* offerhoogten voor Baäl gebouwd en er hun zonen en dochters aan Moloch* geofferd, terwijl Ik dat niet had opgedragen; nooit heb Ik gewild dat ze Juda door een dergelijke wandaad tot zonde zouden verleiden.’ [36] Over de stad waarvan u zegt: ‘Zij is in handen gevallen van de koning van Babel door het zwaard, de honger en de pest’, zo spreekt de heer, Israëls God nu: [37] ‘Haar bewoners breng Ik bijeen uit alle landen waarheen Ik hen in mijn felle toorn en mijn grote boosheid verdreven heb; Ik breng hen terug naar deze plaats en laat hen er veilig wonen. [38] Zij zullen mijn volk zijn en Ik zal hun God zijn. [39] Ik maak hen één van hart en één van zin, zodat ze Mij altijd zullen vereren, voor hun eigen welzijn en dat van hun kinderen. [40] Ik sluit met hen een eeuwig* verbond; Ik keer mij nooit meer van hen af en blijf hen goed behandelen. De eerbied voor Mij leg Ik in hun hart zodat ze Mij nooit meer verlaten. [41] Ik zal er vreugde in vinden om hen gelukkig te maken. Met heel mijn hart en heel mijn ziel plant Ik hen voorgoed in dit land.’
[42] Zo spreekt de heer: ‘Zoals Ik nu zware rampen over dit volk heb gebracht, zo zal Ik de weldaden over hen brengen die Ik beloofde. [43] In dit land waarvan u zegt: “Het is een wildernis, verlaten van mens en dier, het is in handen gevallen van de Chaldeeën”, zullen weer akkers worden gekocht. [44] Men betaalt de prijs, maakt de koopakte op en verzegelt die in tegenwoordigheid van getuigen: in Benjamin, in de omgeving van Jeruzalem, in de steden van Juda, van het bergland, van de Sefela en van de Negeb. Want Ik herstel hen in hun vroegere staat – godsspraak van de heer.’
Hoofdstuk 32 De akker in Anatot [1] In het tiende regeringsjaar van koning Sedekia van Juda (het achttiende regeringsjaar van Nebukadnessar, de koning van Babylonië) richtte de HEER zich tot Jeremia. [2] De troepen van Nebukadnessar belegerden Jeruzalem en de profeet Jeremia zat gevangen in het kwartier van de wacht, dat tot het paleis van de koning van Juda behoorde. [3] Koning Sedekia had hem daar gevangengezet omdat hij had geprofeteerd: ‘Dit zegt de HEER: Ik geef deze stad in handen van de koning van Babylonië; hij zal haar innemen. [4] Koning Sedekia van Juda zal niet aan de Chaldeeën ontsnappen, maar aan de koning van Babylonië worden uitgeleverd. Hij komt oog in oog met hem te staan en zal persoonlijk met hem spreken. [5] Daarna wordt hij naar Babel gevoerd, waar hij zal blijven totdat ik naar hem omzie – spreekt de HEER. Alle verzet tegen de Chaldeeën zal nutteloos zijn.’ [6] Jeremia zei: ‘De HEER richtte zich tot mij met de woorden: [7] “Chanamel, de zoon van je oom Sallum, is naar je onderweg om je te vragen zijn akker in Anatot van hem te kopen, omdat jij als losser de plicht hebt die in de familie te houden.” [8] Het gebeurde zoals de HEER had gezegd. Mijn neef Chanamel kwam naar het kwartier van de paleiswacht en vroeg mij: “Koop alsjeblieft mijn akker in Anatot, in het gebied van Benjamin. Jij hebt als losser het recht van eerste koop, jij kunt hem in de familie houden.” Ik begreep dat dit een opdracht van de HEER was [9] en kocht de akker van mijn neef Chanamel uit Anatot. Ik stelde een koopcontract op, verzegelde dat in aanwezigheid van getuigen en betaalde Chanamel zeventien sjekel zilver, die ik afwoog in een weegschaal. [11] Ik gaf zowel het verzegelde contract, waarin de bepalingen en voorwaarden waren vastgelegd, als het open contract [12] aan Baruch, de zoon van Neria, de zoon van Machseja. Dat deed ik ten overstaan van mijn neef* Chanamel en de getuigen, die het contract mede hadden ondertekend, en in aanwezigheid van alle Judeeërs die zich in het kwartier van de paleiswacht bevonden. [13] In hun bijzijn gaf ik Baruch de volgende opdracht: [14] “Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Stop deze contracten, zowel het gesloten als het open contract, in een kruik; dan blijven ze lange tijd in goede staat. [15] Want dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Eens zullen in dit land opnieuw akkers, huizen en wijngaarden worden gekocht.” [16] Nadat ik het koopcontract aan Baruch, de zoon van Neria, gegeven had, bad ik tot de HEER: [17] “Ach HEER, mijn God, u hebt met uw grote kracht, met uw machtige arm, de hemel en de aarde gemaakt. Voor u is niets onmogelijk. [18] U bewijst uw liefde aan duizenden, u laat voor de schuld van de ouders ook de kinderen boeten, u bent de grote, machtige God, uw naam is HEER van de hemelse machten. [19] Uw besluiten zijn indrukwekkend, uw daden machtig. U let aandachtig op de levensweg van de mensen en beloont ieder naar zijn daden. [20] U hebt in Egypte tekenen en wonderen verricht, en verricht die tot op de dag van vandaag in Israël en onder heel de mensheid, zodat uw naam nu overal gevestigd is. [21] U hebt uw volk Israël met angstaanjagende tekenen en wonderen uit Egypte weggeleid, met sterke hand en opgeheven arm, [22] en u hebt hun dit land gegeven, dat u hun voorouders onder ede had beloofd: een land dat overvloeit van melk en honing. [23] Uw volk trok het binnen en nam het in bezit, maar gehoorzaamde u niet. Ze leefden uw wet niet na, volgden uw geboden niet op. Daarom werd deze ellende hun deel. [24] De belegeringswal reikt al tot de stadsmuur, de stad staat op het punt te worden ingenomen. Ze valt in handen van de Chaldeeën, die haar bestormen. Het zwaard, de honger en de pest brengen haar ten val. Wat u hebt aangekondigd, ziet u nu zelf gebeuren. [25] Toch hebt u, HEER, mijn God, mij gezegd de akker te kopen en in aanwezigheid van getuigen te betalen. En dat terwijl de stad in handen van de Chaldeeën valt.”’ [26] Hierop richtte de HEER zich tot Jeremia: [27] ‘Ik ben de HEER, de God van al wat leeft. Is er ook maar iets dat voor mij onmogelijk is? [28] Dit zegt de HEER: Ik geef deze stad in handen van de Chaldeeën, koning Nebukadnessar van Babylonië zal haar innemen. [29] De Chaldeeën, die de stad bestormen, zullen haar binnendringen en haar platbranden: alle huizen waar de Israëlieten op de daken voor Baäl wierook hebben gebrand en aan andere goden wijnoffers hebben gebracht. Ze hebben me daarmee gekrenkt. [30] Israël en Juda hebben van meet af aan gedaan wat slecht is in mijn ogen. Israël heeft mij voortdurend gekrenkt met wat het zelf gemaakt heeft – spreekt de HEER. [31] Jeruzalem heeft, vanaf de dag dat het werd gebouwd tot op de dag van vandaag, voortdurend mijn toorn gewekt. Daarom vaag ik het weg. [32] Israël en Juda, de koningen, leiders, priesters en profeten, alle inwoners van Juda en Jeruzalem, hebben al het mogelijke kwaad gedaan en mij daarmee gekrenkt. [33] Ze hebben mij niet gehoorzaamd, maar mij de rug toegekeerd. Hoewel ik hen telkens weer onderwees, luisterden ze niet naar mijn terechtwijzingen. [34] Ze hebben de tempel waaraan mijn naam verbonden is met gruwelijke afgodsbeelden ontwijd, [35] en in het Hinnomdal offerhoogten voor Baäl gebouwd om er hun zonen en dochters aan Moloch aan te bieden. Ze hebben Juda met die gruweldaad tot zonde aangezet. Ik heb dat nooit geboden, ik heb dat nooit gewild. [36] Maar toch – dit zegt de HEER, de God van Israël, over deze stad, waarover jullie zeggen: “Door het zwaard, de honger en de pest valt ze de koning van Babylonië in handen”: [37] Ik zal de inwoners samenbrengen uit alle landen waarheen ik ze in mijn grote woede en toorn verdreven heb, ze terugbrengen naar deze stad en ze er in vrede laten wonen. [38] Zij zullen mijn volk zijn en ik zal hun God zijn. [39] Ik zal hen één van hart en één van zin maken, zodat ze altijd ontzag voor mij zullen hebben en het hun en hun nageslacht goed zal gaan. [40] Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, ik keer mij nooit meer van hen af en zal hen altijd zegenen. Ik zal hen met ontzag voor mij vervullen, zodat zij zich nooit meer van mij zullen afkeren. [41] Ik zal er weer vreugde in vinden hen te zegenen en zal hen voorgoed in dit land planten. Met hart en ziel zal ik dat doen. [42] Dit zegt de HEER: Zoals ik over dit volk al dit grote onheil heb gebracht, zo zal ik het al het goede brengen dat ik hun beloof. [43] Jullie zeggen dat dit land een woestenij is, zonder mens of dier, en dat het in handen van de Chaldeeën gegeven is, maar er zullen weer akkers worden gekocht. [44] Men zal ervoor betalen en in aanwezigheid van getuigen koopcontracten opstellen en verzegelen, in het gebied van Benjamin, in het gebied rond Jeruzalem, in de steden van Juda, van het bergland, het heuvelland en de Negev. Want ik zal hun lot ten goede keren – spreekt de HEER.’
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.