Hoofdstuk 24 Verwoesting van de wereld [1 ] Hier* is de heer die de aarde verwoest en vernielt,
Hij keert haar ondersteboven en drijft haar bewoners uiteen. [2 ] Hetzelfde lot treft priester en volk, heer en slaaf,
meesteres en slavin, verkoper en koper, borgsteller en lener, schuldeiser en schuldenaar. [3 ] De aarde wordt totaal verwoest, helemaal leeggeplunderd:
de heer heeft dit woord gesproken. [4 ] De aarde treurt en verkommert,
de wereld verwelkt en verkommert,
hemel en aarde verwelken. [5 ] De aarde is ontwijd* door haar bewoners:
zij hebben de wetten geschonden, de geboden overtreden, het eeuwig verbond verbroken. [6 ] Daarom wordt de aarde door een vloek verteerd
en boeten haar bewoners voor hun schuld.
Daarom slinken de bewoners van de aarde in aantal
en blijven slechts weinig mensen gespaard. [7 ] De most verschaalt, de wingerd verwelkt;
de pretmakers kermen. [8 ] Het feestgedreun van de pauken verstomt,
het gejuich van de joelende menigte valt stil,
de muziek van de citers zwijgt. [9 ] Er wordt bij gezang geen wijn meer gedronken,
de drank smaakt de drinkers bitter in de mond. [10 ] De verlaten* stad ligt in puin,
de toegang tot ieder huis is versperd. [11 ] In de straten roept men klagend om wijn;
alle vreugde is verdwenen, al het gejuich is verbannen uit het land. [12 ] De stad is een en al verwoesting,
de poort is aan stukken geslagen. [13 ] Het zal de aarde en alle volken vergaan als bij het afslaan van de laatste olijven,
en het nalezen van de wijngaard. [14 ] Iedereen* roept het uit van vreugde,
en tot in het Westen jubelt men om de grootheid van de heer . [15 ] Verheerlijk de heer in het land* van het licht,
verheerlijk de naam van de heer , Israëls God, op de eilanden* van de zee. [16 ] Vanaf* het uiteinde van de aarde horen wij liederen zingen:
‘Hulde aan de Rechtvaardige.’
Maar ik zeg:
‘Ik ben uitgeput, ik kan niet meer, wee mij!
Geweldenaars plegen geweld,
geweldenaars plegen steeds weer geweld!’ [17 ] Ontzetting, kuilen en valstrikken wachten u,
bewoners van de aarde: [18 ] wie vlucht voor schrikwekkend geraas valt in een kuil,
en wie uit de kuil weet te klimmen,
wordt in een valstrik gevangen.
De sluizen* van de hemel worden opengezet,
de aarde wankelt op haar grondvesten. [19 ] De aarde splijt gapend open,
de aarde schudt en siddert,
de aarde wankelt vervaarlijk. [20 ] De aarde waggelt als een dronkaard,
zij schudt heen en weer als een hut.
Zo zwaar weegt haar zonde,
dat zij valt en niet meer opstaat. [21 ] Op die dag rekent de heer af:
in de hemel met het leger* van de hemel,
op de aarde met de koningen van de aarde. [22 ] Ze worden bijeengedreven,
gevangengezet in een kuil,
opgesloten in een kerker,
en jaren later nog gestraft. [23 ] De bleke maan wordt rood van schaamte
en de gloeiende zon bloost,
omdat de heer van de machten als koning heerst
op de berg Sion en in Jeruzalem:
voor de oudsten verschijnt zijn verhevenheid.
Hoofdstuk 24 Oordeel over de aarde [1 ] De HEER verwoest de aarde en slaat haar kaal,
hij ontwricht haar en verstrooit haar bewoners. [2 ] Priester en volk treft hetzelfde lot,
meester en slaaf,
meesteres en slavin,
verkoper en koper,
wie te leen krijgt en wie te leen geeft,
schuldenaar en schuldeiser. [3 ] De aarde wordt geheel verwoest
en volkomen leeggeplunderd
– want de HEER heeft aldus gesproken. [4 ] De aarde treurt en verwelkt,
de wereld verwelkt en kwijnt weg.
Ook de groten der aarde kwijnen weg. [5 ] De aarde is door haar bewoners ontheiligd:
zij hebben de voorschriften overtreden,
zijn aan de wetten voorbijgegaan
en hebben het eeuwig verbond verbroken. [6 ] Daarom verslindt een vloek de aarde
en moeten haar bewoners boeten;
daarom wordt hun aantal zo klein
en blijven er nog weinig mensen over. [7 ] De wijn is verdroogd, de wijnstok kwijnt weg.
De vrolijke feestvierders zuchten. [8 ] De roffelende trommels zwijgen,
het feestgedruis sterft weg,
de jubelende lier verstomt. [9 ] Men drinkt de wijn zonder lied,
de drank smaakt de drinker bitter. [10 ] De stad is één grote woestenij,
de toegang tot ieder huis is versperd. [11 ] Op straat wordt luid gejammerd om de wijnoogst.
Alle blijdschap is gesmoord,
de vreugde van de aardbodem verdwenen. [12 ] Wat van de stad rest, is verwoesting,
troosteloos is de vernielde poort. [13 ] Het zal de aarde en al haar volken vergaan
als bij het leegschudden van een olijfboom,
als bij het nalezen van een wijngaard. [14 ] Daarginds barst men uit in gejuich,
vanaf de zee bejubelt men de majesteit van de HEER . [15 ] Prijs daarom de HEER in het land van de dageraad,
de naam van Israëls God op de eilanden in zee. [16 ] Van het einde der aarde horen wij zingen:
‘Hulde aan de rechtvaardige!’
Maar ik verzucht: ‘Wee mij!
Verloren, verloren ben ik!
Verraders plegen verraad,
hoe verraderlijk is het verraad van verraders.’ [17 ] Verschrikking, valkuil en vangnet
wacht jullie die de aarde bewonen. [18 ] Wie vlucht voor de verschrikking,
zal vallen in de kuil,
wie uit de kuil weet te klimmen,
raakt gevangen in het net.
De sluizen van de hemel worden geopend,
de grondvesten van de aarde beven. [19 ] De aarde kraakt en barst open,
de aarde schokt en schudt heen en weer,
de aarde kantelt en wankelt vervaarlijk. [20 ] De aarde zwalkt en waggelt als een dronkaard,
ze zwaait heen en weer als een hut in de storm.
Haar opstandigheid drukt zwaar op haar,
ze valt en staat niet meer op. [21 ] Op die dag zal de HEER afrekenen
in de hemel met de machten van de hemel,
en op aarde met de vorsten van de aarde. [22 ] Dan worden zij bijeengedreven,
gevangen in een kuil, opgesloten in een kerker.
En na lange tijd zullen zij hun straf ontvangen. [23 ] Dan zal de heldere maan zich schamen,
de stralende zon van schaamte verbleken.
Want de HEER van de hemelse machten heerst op de Sion,
in Jeruzalem wordt zijn luister getoond
aan de oudsten van zijn volk.
Inhoudsopgave Inleiding Hoofdstuk 1 Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 7 Hoofdstuk 8 Hoofdstuk 9 Hoofdstuk 10 Hoofdstuk 11 Hoofdstuk 12 Hoofdstuk 13 Hoofdstuk 14 Hoofdstuk 15 Hoofdstuk 16 Hoofdstuk 17 Hoofdstuk 18 Hoofdstuk 19 Hoofdstuk 20 Hoofdstuk 21 Hoofdstuk 22 Hoofdstuk 23 Hoofdstuk 24 Hoofdstuk 25 Hoofdstuk 26 Hoofdstuk 27 Hoofdstuk 28 Hoofdstuk 29 Hoofdstuk 30 Hoofdstuk 31 Hoofdstuk 32 Hoofdstuk 33 Hoofdstuk 34 Hoofdstuk 35 Hoofdstuk 36 Hoofdstuk 37 Hoofdstuk 38 Hoofdstuk 39 Hoofdstuk 40 Hoofdstuk 41 Hoofdstuk 42 Hoofdstuk 43 Hoofdstuk 44 Hoofdstuk 45 Hoofdstuk 46 Hoofdstuk 47 Hoofdstuk 48 Hoofdstuk 49 Hoofdstuk 50 Hoofdstuk 51 Hoofdstuk 52 Hoofdstuk 53 Hoofdstuk 54 Hoofdstuk 55 Hoofdstuk 56 Hoofdstuk 57 Hoofdstuk 58 Hoofdstuk 59 Hoofdstuk 60 Hoofdstuk 61 Hoofdstuk 62 Hoofdstuk 63 Hoofdstuk 64 Hoofdstuk 65 Hoofdstuk 66 Inhoudsopgave Inleiding op het boek Jesaja De domme kinderen van de HEER De straf van Juda Beter gerechtigheid dan offers Klaaglied over Jeruzalem De cultus onder de heilige eiken Bedevaart naar Jeruzalem Een dag van de HEER Anarchie in Jeruzalem De HEER klaagt aan Wee de trotse vrouwen Nood van de weduwen De heilige rest Het lied van de wijngaard Weespreuken tegen het onrecht De opgeheven hand van de HEER Roepingsvisioen van Jesaja Immanuël De Assyrische overweldiger Vruchteloze plannen De HEER als struikelblok Een helder licht Gods opgeheven hand Assurs aanmatiging Een rest keert terug De vijand voor de poort Een telg van Isaï Terugkeer van de rest Loflied van de geredden Tegen Babel Terugkeer uit de ballingschap Val van de koning van Babel Nederlaag van Assur Tegen de Filistijnen Tegen afgoderij Tegen Kus Bekering van Egypte en Assur De profeet loopt naakt rond De val van Babel Tegen de vreugde van Jeruzalem Tegen Sebna Verwoesting van de wereld Danklied Het feest op de Sion De sterke stad Psalm Goddelijke beloften Tegen de leiders Tegen verdragen met Egypte De wijsheid van de boer Jeruzalem belegerd en bevrijd God zal straffen De betere toekomst Roep Egypte niet te hulp De onwillige toehoorders Bedreiging van Assur Tegen hulp uit Egypte Tegen Assur Een rechtvaardig bestuur Tegen de zelfingenomen vrouwen Een psalm Het komende heil Edom wordt verwoest Verlost uit de ballingschap Jeruzalem bedreigd door Sanherib Eerste voorspelling Sanherib waarschuwt Hizkia Gebed van Hizkia Tweede voorspelling De bevrijding Ziekte en genezing van Hizkia De afgezanten uit Babel Roeping van de profeet De HEER komt De onvergelijkbare God De veroveraar uit het Oosten Vrees niet Terugtocht en herstel Uitdaging aan de volken De dienaar Zegelied De HEER grijpt in Israël gestraft Wees niet bang De HEER alleen is God De nieuwe uittocht Waarom de HEER zijn volk strafte Wees niet bang De HEER alleen is God Dwaasheid van de beeldenverering Hymne Roeping van Kores Bekering van de volken De HEER en de goden Ondergang van Babel De openbarende God De dienaar van de HEER De wonderbare terugkeer Vertroosting van Sion Straf en verlossing Een belijdenis van vertrouwen Het herstel van Sion De vreugdebode De dienaar van de HEER Heil voor Jeruzalem Het eeuwig verbond Wie behoort tot de gemeente? De ontrouwe wachters Veroordeling van afgoderij Straf en vergeving Het vasten dat de HEER verlangt De ware sabbat Gods arm is niet te kort Het nieuwe Jeruzalem Zending van de profeet De goddelijke wraak Een smeekpsalm Beschuldiging De beloften van de HEER IJdele eredienst Verheug u over Jeruzalem Slotwoord
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.
U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch . Hartelijk dank!