Wee* Ariël*, Ariël,
de stad waar David zijn tenten opsloeg.
Dat het ene jaar bij het andere mag aansluiten,
en de kringloop van de feesten zal voortduren.
Dan* komt uw spreken diep uit de aarde
en klinkt uw woord gedempt uit het stof;
uw stem komt uit de aarde als die van de geest van een dode;
uw woord klinkt piepend uit het stof.
Als een droom, een nachtelijk visioen,
zijn dan de horden van de volken
die tegen Ariël strijden,
tegen al zijn strijders en zijn burcht,
die hem in het nauw drijven.
Als een uitgehongerde die droomt dat hij eet,
maar als hij wakker wordt nog even onvoldaan is,
als een dorstige die droomt dat hij drinkt,
maar als hij wakker wordt nog even uitgeput is van de dorst,
zo zal het de horden van de volken vergaan
die de Sionsberg bestrijden.
Elk visioen is voor u als de woorden in een verzegeld boek. Als men het aan iemand die kan lezen geeft met het verzoek ‘Lees dit eens’, dan zal hij zeggen: ‘Dat kan ik niet, het is verzegeld.’
De Heer zegt:
‘Dit volk nadert Mij wel met de mond,
en eert Mij wel met de lippen,
maar zijn hart is ver van Mij
en zijn vrees voor Mij is niet meer dan een wet van mensen,
die door mensen wordt aangeleerd.
Daarom zal Ik opnieuw wonderen doen voor dit volk, het ene na het andere.
Dan gaat de wijsheid van zijn wijzen verloren
en verdwijnt het verstand van de verstandigen.’
[15] Wee* degenen die hun plannen voor de heer diep willen verbergen
en alles in het duister doen,
en zeggen: ‘Wie ziet ons? Wie weet van ons?’ [16] Zo keert men de zaken om.
Wordt de pottenbakker* soms met het leem gelijkgesteld?
Kan het maaksel over zijn maker zeggen:
‘Hij heeft mij niet gemaakt?’
Zegt het aardewerk over de pottenbakker:
‘Hij kan er niets van?’
degenen die door hun getuigenis anderen helpen veroordelen,
die de rechters* in de poort proberen te strikken,
en die onschuldigen zonder grond hun recht onthouden.
‘Daarom’, zo spreekt de heer,
de God van het huis van Jakob,
Hij die Abraham heeft verlost:
‘Nu zal Jakob niet meer beschaamd worden,
zijn gezicht zal niet meer verbleken.
Als hij en zijn kinderen
zien wat Ik doe in hun midden,
zullen zij de heiligheid van mijn naam erkennen.
Zij zullen de heiligheid van Jakobs Heilige erkennen,
ontzag hebben voor de God van Israël.
Je zult roepen van diep onder de grond,
wat je uit het stof laat horen, klinkt gedempt;
het klinkt als de stem van een geest uit de diepte,
het stof laat slechts gefluister horen.
Want de HEER van de hemelse machten zal ingrijpen,
met donder, aardschokken en oorverdovend lawaai,
met wervelende stormen en een verterende vlammenzee.
Als een angstdroom, een visioen in de nacht,
verdwijnt de menigte volken die optrekt tegen Ariël,
die de stad bestrijdt, belegert en in het nauw drijft.
Zoals de droom van iemand die honger heeft:
hij droomt over eten, maar is bij het ontwaken nog hongerig;
of van iemand die dorst lijdt en droomt dat hij drinkt,
maar bij het ontwaken nog dorstig is en uitgedroogd –
zo zal het ook de volken vergaan,
de menigte die optrekt tegen de Sion.
Jullie staan daar verdwaasd,* alsof jullie blind zijn.
Wees maar verdwaasd en wees maar blind.
De profeten zijn dronken, maar niet van de wijn,
de priesters waggelen, maar niet door de drank.
Want een geest van diepe slaap
heeft de HEER over jullie uitgestort:
hij heeft jullie ogen, de profeten, gesloten
en jullie verstand, de zieners, verduisterd.
[11] Elk visioen is voor jullie als de tekst van een verzegeld boek, dat aan iemand die kan lezen wordt voorgelegd met de vraag: ‘Lees dit eens,’ waarop hij antwoordt: ‘Dat gaat niet, het is verzegeld.’ [12] Of als het wordt voorgelegd aan iemand die niet lezen kan: ‘Lees dit eens,’ dan zal hij zeggen: ‘Ik kan niet lezen.’
De Heer zegt:
Omdat dit volk mij naar de mond praat,
mij slechts met de lippen dient,
terwijl hun hart ver bij mij vandaan is;
omdat hun ontzag voor mij louter plicht is,
slechts aangeleerd en door mensen opgelegd –
daarom zal ik opnieuw wonderen verrichten voor dit volk,
indrukwekkende wonderen en grootse daden.
De wijsheid van wijzen zal hun dan niet baten,
het verstand van verstandigen houdt zich verborgen.
Wee degenen die hun ware bedoelingen
diep verborgen houden voor de HEER;
die alles doen in duisternis en zeggen:
‘Wie ziet ons? Wie weet wat wij doen?’
Jullie draaien de zaken om!
Is de klei soms meer dan de pottenbakker?
Kan het maaksel over zijn maker zeggen:
‘Hij heeft mij niet gemaakt’?
Of het aardewerk over de pottenbakker:
‘Hij brengt er weinig van terecht’?
Daarom – dit zegt de HEER,
die Abraham bevrijd heeft,
over de nakomelingen van Jakob:
Jakob zal niet meer te schande staan,
zijn gezicht niet meer van schaamte verbleken.
Want wanneer zijn kinderen zien
wat ik in hun midden heb verricht,
zullen zij eerbied hebben voor mijn naam,
de heiligheid erkennen van de Heilige van Jakob
en de God van Israël vrezen.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.