Zo spreekt de heer:
‘De* hemel is mijn troon
en de aarde is mijn voetenbank;
wat voor huis zou u voor Mij willen bouwen,
en welk heiligdom zou mijn rustplaats zijn?
Iemand die voor mij een rund slacht, denkt ook een mens te mogen doden,
en wie een schaap offert, wurgt ook een hond*;
wie een meeloffer brengt, schrikt niet terug voor varkensbloed,
wie wierook offert, vereert ook een afgod.
Zoals zij de voorkeur geven aan hun eigen wegen
en genoegen scheppen in hun gruwelen,
zo zal Ik er de voorkeur aan geven om hen te kwellen
en wat ze vrezen over hen brengen.
Want toen Ik riep, heeft niemand geantwoord,
en toen Ik sprak, heeft niemand geluisterd.
Zij deden wat kwaad is in mijn ogen
en gaven de voorkeur aan wat Mij mishaagt.’
Hoor het woord van de heer,
u die beeft voor zijn woord!
Uw eigen broeders, die u haten,
die u verstoten omwille van mijn naam,
hebben gezegd:
‘Laat de heer zijn heerlijkheid tonen,
wij zullen graag uw vreugde zien!
Zij zullen beschaamd staan.’
Wie heeft ooit zoiets gehoord, wie heeft ooit zoiets gezien?
Werd ooit een land in één dag ter wereld gebracht,
een volk in één keer gebaard?
Maar nauwelijks is zij in haar weeën,
of Sion baart haar kinderen.
‘Want’, zo spreekt de heer,
‘Ik laat vrede naar haar toestromen als een rivier,
en de roem van de volken als een beek
die buiten zijn oevers treedt.
Haar zuigelingen worden op de heup gedragen
en op de knieën vertroeteld.
Zielsblij zult u het aanschouwen,
en uw gebeente* zal ontluiken als het groen.
De hand van de heer zal zich openbaren aan zijn dienaren,
maar zijn woede zal over zijn vijanden komen.
Want kijk, de heer komt met vuur,
zijn wagen is als een orkaan.
Hij komt om zijn toorn in een gloed uit te vieren,
zijn bedreiging met laaiende vlammen.
Zij* die zich heiligen en zuiveren
om naar de tuinen* te gaan,
iemand volgend die in hun midden is,
zij die het vlees* van varkens eten,
van afschuwwekkende dieren en muizen,
hun werken en hun gedachten zullen vergaan – godsspraak van de heer.
Ik geef hun een teken, en hun overlevenden* zend Ik naar de volken, naar Tarsis*, Put*, Lud*, Mesek*, Ros*, Tubal* en Jawan*, naar de verre* eilanden, die mijn roem nog niet hebben gehoord en mijn heerlijkheid nog niet hebben gezien; zij zullen mijn heerlijkheid onder de volken verkondigen.
Dan brengen zij al uw broeders uit de volken mee, als een offer voor de heer, op paarden, wagens, huifkarren, muildieren en draagstoelen, naar mijn heilige berg Jeruzalem, zoals Israëls zonen in reine vaten hun gaven naar het huis van de heer brengen’, zegt de heer.
‘Want zoals de nieuwe hemel
en de nieuwe aarde die Ik ga maken voor Mij blijven bestaan
– godsspraak van de heer.
zo blijven uw nakomelingen en uw naam voor Mij bestaan.
‘Wanneer zij naar buiten* gaan
zullen zij de lijken zien
van de mensen die tegen Mij in opstand zijn gekomen:
hun worm zal niet sterven,
en hun vuur zal niet uitgaan;
en zij zullen weerzinwekkend zijn
voor alle levenden.’
Dit zegt de HEER:
De hemel is mijn troon, de aarde mijn voetenbank.
Waar zouden jullie een huis voor mij kunnen bouwen?
En wat zou mij als rustplaats dienen?
Dit alles heb ik met eigen handen gemaakt,
zo is dit alles ontstaan – spreekt de HEER.
Toch sla ik acht op wie verdrukt wordt,
op mensen met een gebroken geest,
op ieder die huivert voor mijn woorden.
Wie echter een stier slacht maar ook een mens doodt,
wie een schaap offert maar ook een hond de nek breekt,
wie een graanoffer brengt mét het bloed van een zwijn,
wie wierook brandt als deel van het graanoffer
maar tegelijk een afgod looft –
zoals zo iemand zijn eigen wegen kiest
en van zulke gruwelijkheden geniet,
zo zal ik kiezen hoe ik hem zal kwellen,
zijn grootste angsten laat ik uitkomen.
Want ik heb geroepen, maar niemand gaf antwoord,
ik heb gesproken, maar zij luisterden niet;
zij deden wat slecht is in mijn ogen,
en zij verkozen wat ik niet wil.
Luister naar de woorden van de HEER,
jullie die voor zijn woorden huiveren.
Er wordt gezegd door jullie volksgenoten,
die jullie haten en verstoten:
‘Dankzij ons staat de HEER in aanzien.
Toon ons dan eens hoe blij je bent.’
Maar zij zullen zelf te schande staan.
Wie heeft ooit zoiets gehoord?
Wie heeft ooit zoiets gezien?
Kan een land in één dag worden gebaard,
kan een volk in één keer worden geboren?
Maar Sion baart haar kinderen
terwijl de weeën net begonnen zijn.
Want dit zegt de HEER:
Ik laat de vrede als een rivier naar haar toe stromen,
de rijkdom van alle volken als een overlopende beek,
en jullie zullen ervan drinken.
Je zult op de heup gedragen worden
en worden gewiegd op haar schoot.
Wat jullie daar zien, zal je hart verblijden,
je botten zullen gedijen als het jonge groen.
De HEER zal zijn dienaren zijn macht tonen
en zijn vijanden zijn verbolgenheid.
Zij die zich wijden en reinigen
om zich naar de tuinen te begeven,
iemand uit de kring achterna,
en zij die vlees van zwijnen en muizen
of ander onrein gedierte eten,
samen zullen zij ten onder gaan – spreekt de HEER.
[18] Want ik ken hun daden en hun gedachten.
De tijd is gekomen om alle landen en volken bijeen te brengen. Ze zullen komen en mijn luister zien. [19] Ik zal onder hen een teken verrichten: sommigen zal ik sparen en naar vreemde volken sturen – naar Tarsis, Pul en Lydië, volken van boogschutters, naar Tubal en Griekenland, naar de verste eilanden, waar mijn faam nog niet is doorgedrongen en mijn luister nog niet is gezien – en zij zullen mijn majesteit tegenover al deze volken verkondigen. [20] Uit alle volken zullen zij jullie ballingen terugbrengen – zegt de HEER –, met paarden en wagens, met overhuifde wagens, op muildieren en kamelen, naar mijn heilige berg, naar Jeruzalem, als een offer voor de HEER, net zoals de Israëlieten hun offers in rein vaatwerk naar de tempel van de HEER brengen. [21] Zelfs zal ik sommigen van hen aanstellen als priester of Leviet – zegt de HEER. [22] Zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde die ik maak zullen voortbestaan – spreekt de HEER –, zo zullen jullie naam en jullie nageslacht voortbestaan. [23] Elke nieuwemaan en elke sabbat opnieuw zal alles wat leeft hierheen komen om zich voor mij neer te buigen – zegt de HEER. [24] Bij het verlaten van de stad zien ze de lijken van hen die tegen mij in opstand kwamen: de worm die aan hen knaagt zal niet sterven, en het vuur waarin ze branden zal niet doven; ze worden verafschuwd door alles wat leeft.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.