De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Jesaja
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 66
 
IJdele eredienst
  [1] Zo spreekt de heer:
‘De* hemel is mijn troon
en de aarde is mijn voetenbank;
wat voor huis zou u voor Mij willen bouwen,
en welk heiligdom zou mijn rustplaats zijn?
  [2] Dit alles heb Ik met eigen handen gemaakt,
dit alles is mijn eigendom – godsspraak van de heer.
 
  [2] Mijn ogen rusten op de mens die gekwetst en berouwvol is, en die beeft voor mijn woord.
  [3] Iemand die voor mij een rund slacht, denkt ook een mens te mogen doden,
en wie een schaap offert, wurgt ook een hond*;
wie een meeloffer brengt, schrikt niet terug voor varkensbloed,
wie wierook offert, vereert ook een afgod.
Zoals zij de voorkeur geven aan hun eigen wegen
en genoegen scheppen in hun gruwelen,
  [4] zo zal Ik er de voorkeur aan geven om hen te kwellen
en wat ze vrezen over hen brengen.
Want toen Ik riep, heeft niemand geantwoord,
en toen Ik sprak, heeft niemand geluisterd.
Zij deden wat kwaad is in mijn ogen
en gaven de voorkeur aan wat Mij mishaagt.’

Verheug u over Jeruzalem
  [5] Hoor het woord van de heer,
u die beeft voor zijn woord!
Uw eigen broeders, die u haten,
die u verstoten omwille van mijn naam,
hebben gezegd:
‘Laat de heer zijn heerlijkheid tonen,
wij zullen graag uw vreugde zien!
Zij zullen beschaamd staan.’
 
  [6] Luister, uit de stad klinkt rumoer en uit de tempel lawaai:
de stem van de heer die met zijn vijanden afrekent.
  [7] Nog voordat zij* weeën krijgt moet zij baren,
nog voordat de pijnen haar overvallen, baart zij een zoon.
  [8] Wie heeft ooit zoiets gehoord, wie heeft ooit zoiets gezien?
Werd ooit een land in één dag ter wereld gebracht,
een volk in één keer gebaard?
Maar nauwelijks is zij in haar weeën,
of Sion baart haar kinderen.
  [9] ‘Zou* Ik de schoot openen en niet laten baren?’ zegt de heer.
‘Of zou Ik laten baren en dan de schoot sluiten?’ zegt uw God.
  [10] Verheug u, samen met Jeruzalem,
en juich om haar, u allen die haar liefhebben.
Jubel met haar van blijdschap,
u allen die om haar treuren.
  [11] U mag zuigen en u verzadigen
aan haar borsten vol van troost,
u mag met volle teugen drinken
van haar volle moederborst.
  [12] ‘Want’, zo spreekt de heer,
‘Ik laat vrede naar haar toestromen als een rivier,
en de roem van de volken als een beek
die buiten zijn oevers treedt.
Haar zuigelingen worden op de heup gedragen
en op de knieën vertroeteld.
  [13] Zoals een moeder haar kind troost,
zo zal Ik u troosten:
in Jeruzalem zult u getroost worden.
  [14] Zielsblij zult u het aanschouwen,
en uw gebeente* zal ontluiken als het groen.
De hand van de heer zal zich openbaren aan zijn dienaren,
maar zijn woede zal over zijn vijanden komen.
  [15] Want kijk, de heer komt met vuur,
zijn wagen is als een orkaan.
Hij komt om zijn toorn in een gloed uit te vieren,
zijn bedreiging met laaiende vlammen.
  [16] Want te vuur en te zwaard komt de heer met zijn oordeel over al wat leeft:
en talrijk zijn de slachtoffers van de heer.
 
  [17] Zij* die zich heiligen en zuiveren
om naar de tuinen* te gaan,
iemand volgend die in hun midden is,
zij die het vlees* van varkens eten,
van afschuwwekkende dieren en muizen,
hun werken en hun gedachten zullen vergaan – godsspraak van de heer.

Slotwoord
  [18] Maar Ik kom om alle volken en talen te verzamelen; zij zullen komen en mijn glorie zien.
  [19] Ik geef hun een teken, en hun overlevenden* zend Ik naar de volken, naar Tarsis*, Put*, Lud*, Mesek*, Ros*, Tubal* en Jawan*, naar de verre* eilanden, die mijn roem nog niet hebben gehoord en mijn heerlijkheid nog niet hebben gezien; zij zullen mijn heerlijkheid onder de volken verkondigen.
  [20] Dan brengen zij al uw broeders uit de volken mee, als een offer voor de heer, op paarden, wagens, huifkarren, muildieren en draagstoelen, naar mijn heilige berg Jeruzalem, zoals Israëls zonen in reine vaten hun gaven naar het huis van de heer brengen’, zegt de heer.
  [21] ‘En ook uit* hen zal Ik priesters en Levieten kiezen’, zegt de heer.
  [22] ‘Want zoals de nieuwe hemel
en de nieuwe aarde die Ik ga maken voor Mij blijven bestaan
– godsspraak van de heer.
zo blijven uw nakomelingen en uw naam voor Mij bestaan.
  [23] Van nieuwe maan tot nieuwe maan,
van sabbat tot sabbat,
komt al wat leeft om voor Mij neer te buigen’, zegt de heer.
  [24] ‘Wanneer zij naar buiten* gaan
zullen zij de lijken zien
van de mensen die tegen Mij in opstand zijn gekomen:
hun worm zal niet sterven,
en hun vuur zal niet uitgaan;
en zij zullen weerzinwekkend zijn
voor alle levenden.’
Hoofdstuk 66
 
Het oordeel van de HEER
  [1] Dit zegt de HEER:
De hemel is mijn troon, de aarde mijn voetenbank.
Waar zouden jullie een huis voor mij kunnen bouwen?
En wat zou mij als rustplaats dienen?
  [2] Dit alles heb ik met eigen handen gemaakt,
zo is dit alles ontstaan – spreekt de HEER.
Toch sla ik acht op wie verdrukt wordt,
op mensen met een gebroken geest,
op ieder die huivert voor mijn woorden.
  [3] Wie echter een stier slacht maar ook een mens doodt,
wie een schaap offert maar ook een hond de nek breekt,
wie een graanoffer brengt mét het bloed van een zwijn,
wie wierook brandt als deel van het graanoffer
maar tegelijk een afgod looft –
zoals zo iemand zijn eigen wegen kiest
en van zulke gruwelijkheden geniet,
  [4] zo zal ik kiezen hoe ik hem zal kwellen,
zijn grootste angsten laat ik uitkomen.
Want ik heb geroepen, maar niemand gaf antwoord,
ik heb gesproken, maar zij luisterden niet;
zij deden wat slecht is in mijn ogen,
en zij verkozen wat ik niet wil.
  [5] Luister naar de woorden van de HEER,
jullie die voor zijn woorden huiveren.
Er wordt gezegd door jullie volksgenoten,
die jullie haten en verstoten:
‘Dankzij ons staat de HEER in aanzien.
Toon ons dan eens hoe blij je bent.’
Maar zij zullen zelf te schande staan.
 
  [6] Er klinkt tumult in de stad,
een luide stem uit de tempel:
het is de stem van de HEER,
die zijn vijanden vergeldt naar hun daden.
  [7] Nog voor Sion weeën heeft, moet ze bevallen;
voor de barensnood over haar komt,
brengt ze een zoon ter wereld.
 
  [8] Wie heeft ooit zoiets gehoord?
Wie heeft ooit zoiets gezien?
Kan een land in één dag worden gebaard,
kan een volk in één keer worden geboren?
Maar Sion baart haar kinderen
terwijl de weeën net begonnen zijn.
  [9] Zou ik de moederschoot openen
en niet laten baren? – zegt de HEER.
Of zou ik laten baren
en de schoot gesloten houden? – zegt jullie God.
  [10] Laat allen die Jeruzalem liefhebben
zich met haar verheugen en juichen om haar,
laat allen die om haar treuren
nu samen met haar jubelen.
  [11] Aan haar vertroostende moederborst
zullen jullie drinken en verzadigd worden,
haar rijke, volle borsten
zullen je zogen en verkwikken.
  [12] Want dit zegt de HEER:
Ik laat de vrede als een rivier naar haar toe stromen,
de rijkdom van alle volken als een overlopende beek,
en jullie zullen ervan drinken.
Je zult op de heup gedragen worden
en worden gewiegd op haar schoot.
  [13] Zoals een moeder haar zoon troost,
zo zal ik jullie troosten;
in Jeruzalem zul je troost vinden.
  [14] Wat jullie daar zien, zal je hart verblijden,
je botten zullen gedijen als het jonge groen.
De HEER zal zijn dienaren zijn macht tonen
en zijn vijanden zijn verbolgenheid.
  [15] De HEER zal komen in een vuur,
met zijn wagens als een wervelstorm.
Hij komt zijn toorn uitvieren in vlammen,
zijn dreiging in een vuurgloed.
 
  [16] De HEER zal over al wat leeft
een oordeel vellen, te vuur en te zwaard,
en tallozen worden door hem doorboord.
  [17] Zij die zich wijden en reinigen
om zich naar de tuinen te begeven,
iemand uit de kring achterna,
en zij die vlees van zwijnen en muizen
of ander onrein gedierte eten,
samen zullen zij ten onder gaan – spreekt de HEER.

[18] Want ik ken hun daden en hun gedachten.
De tijd is gekomen om alle landen en volken bijeen te brengen. Ze zullen komen en mijn luister zien.
     [19] Ik zal onder hen een teken verrichten: sommigen zal ik sparen en naar vreemde volken sturen – naar Tarsis, Pul en Lydië, volken van boogschutters, naar Tubal en Griekenland, naar de verste eilanden, waar mijn faam nog niet is doorgedrongen en mijn luister nog niet is gezien – en zij zullen mijn majesteit tegenover al deze volken verkondigen. [20] Uit alle volken zullen zij jullie ballingen terugbrengen – zegt de HEER –, met paarden en wagens, met overhuifde wagens, op muildieren en kamelen, naar mijn heilige berg, naar Jeruzalem, als een offer voor de HEER, net zoals de Israëlieten hun offers in rein vaatwerk naar de tempel van de HEER brengen. [21] Zelfs zal ik sommigen van hen aanstellen als priester of Leviet – zegt de HEER.
     [22] Zoals de nieuwe hemel en de nieuwe aarde die ik maak zullen voortbestaan – spreekt de HEER –, zo zullen jullie naam en jullie nageslacht voortbestaan. [23] Elke nieuwemaan en elke sabbat opnieuw zal alles wat leeft hierheen komen om zich voor mij neer te buigen – zegt de HEER. [24] Bij het verlaten van de stad zien ze de lijken van hen die tegen mij in opstand kwamen: de worm die aan hen knaagt zal niet sterven, en het vuur waarin ze branden zal niet doven; ze worden verafschuwd door alles wat leeft.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties