Hoofdstuk 26 Zegen en vloek [1] U* mag in uw land geen afgodsbeelden maken, geen gehouwen godenbeelden of wijstenen oprichten en geen stenen met beeldwerk plaatsen om u daarvoor neer te buigen. Ik ben de heer uw God. [2] Onderhoud mijn sabbatten en heb eerbied voor mijn heiligdom. Ik ben de heer. [3] Als u uw leven naar mijn wetten richt en mijn geboden nauwgezet volbrengt, [4] dan zal Ik u regen geven op de juiste tijd, zodat uw land rijke oogst oplevert en uw boomgaarden overvloedig vrucht dragen. [5] Dan duurt het dorsen tot aan het plukken van de druiven, en het druiven plukken tot de zaaitijd. Dan zult u volop te eten hebben en ongestoord wonen in uw land. [6] Dan breng Ik vrede over het land en kunt u slapen zonder dat iemand u opschrikt. Wilde dieren houd Ik weg uit uw land en het zwaard dringt er niet door. [7] Uw vijanden jaagt u op de vlucht; zij vallen door het zwaard. [8] Vijf van u achtervolgen er honderd, honderd achtervolgen er tienduizend; de vijanden vallen door uw zwaard. [9] Ik blijf u mijn gunsten schenken; Ik maak u vruchtbaar en talrijk. Mijn verbond met u blijf Ik trouw. [10] Terwijl u nog eet van de vorige oogst, zult u uw voorraden al weg moeten doen voor de nieuwe oogst. [11] Midden onder u plaats Ik mijn verblijfplaats; Ik keer mij nooit van u af. [12] Overal ga Ik met u mee: Ik zal uw God zijn en u zult mijn volk zijn. [13] Ik ben de heer uw God, die u uit Egypte heeft geleid, zodat u geen slaaf meer hoeft te zijn. Ik heb de stangen van uw juk gebroken en u rechtop laten lopen. [14] Maar als u Mij niet gehoorzaamt en deze geboden niet onderhoudt, [15] u van mijn wetten niets aantrekt en mijn verordeningen afwijst, als u mijn geboden niet onderhoudt en ontrouw wordt aan mijn verbond, [16] weet dan wat Ik met u ga doen. Ellende breng Ik over u. Tering en brandende koorts ontnemen uw ogen het licht en tasten uw levenskracht aan. Als u zaait, dan is het voor niets; uw vijanden eten het op. [17] Ikzelf treed tegen u op, zodat u valt onder de slagen van de vijand. Die u haten, heersen over u. U slaat op de vlucht, ook als niemand u achtervolgt. [18] En als u Mij ondanks dat alles nog niet gehoorzaamt, zal Ik u zevenvoudig straffen vanwege uw zonden. [19] Uw trotse kracht zal Ik breken. De hemel boven u maak Ik als ijzer, de aarde beneden u als koper. [20] Vergeefs put u uw krachten uit; uw land brengt niets op, uw boomgaard evenmin. [21] En blijft u zich dan nog tegen Mij verzetten en weigeren om Mij te gehoorzamen, dan zal Ik u opnieuw zevenvoudig slaan vanwege uw zonden. [22] Wilde dieren stuur Ik op u af, die u van uw kinderen beroven en uw vee verscheuren. Zij dunnen uw rijen zo uit, dat uw wegen verlaten zijn. [23] En als u dan door dit alles nog niet wijzer bent geworden en u tegen Mij blijft verzetten, [24] dan zal Ik ook hard tegen u zijn. Ik zal u zevenvoudig slaan vanwege uw zonden. [25] Het zwaard roep Ik tegen u op om de schending van mijn verbond te wreken. U zult bijeen kruipen in uw steden, en Ik laat de pest op u los, zodat u in de macht van uw vijanden valt. [26] En als Ik voor u geen brood op de plank heb, zullen tien vrouwen in één oven bakken en het brood in porties verdelen. U zult wel eten, maar niet genoeg krijgen. [27] Gehoorzaamt u ondanks dat alles nog niet en blijft u zich tegen Mij verzetten, [28] dan blijf Ik in mijn toorn ook hard tegen u. Zevenvoudig tuchtig Ik u vanwege uw zonden. [29] U zult het vlees eten van uw zonen en dochters. [30] Uw offerhoogten verwoest Ik, uw wierookaltaren haal Ik omver, uw gedenktekens smijt Ik op één hoop met die van uw afgoden, want Ik walg van u. [31] Van uw steden maak Ik een woestijn, van uw heiligdommen een puinhoop. De geur van uw gaven kan Ik niet meer uitstaan. [32] Als Ik eenmaal het land ga verwoesten, staan zelfs de vijanden die er wonen verbijsterd. [33] Ik verspreid u onder de volken en kom met getrokken zwaard achter u aan. Uw land wordt een woestenij, uw steden een puinhoop. [34] Zolang het land verwoest ligt en u bij uw vijanden woont, haalt het land zijn sabbatjaren in; het komt tot rust en haalt zijn sabbatjaren in. [35] Al de tijd dat het in puin ligt, haalt het de rust in voor de sabbatjaren die het gemist heeft toen u er nog woonde. [36] Die het overleven, sla Ik in het land van hun vijanden met schrik en beven. Als ze een opwaaiend blad horen ritselen, slaan zij al op de vlucht als voor het zwaard. Zij vallen neer, ofschoon niemand hen achtervolgt. [37] Zij struikelen over elkaar alsof zij op de vlucht gingen voor het zwaard, al zit er niemand achter hen aan. U kunt tegen uw vijanden geen stand houden. [38] U komt om onder de volken; het land van uw vijanden zal u verslinden. [39] En die dat nog overleven, kwijnen in het land van hun vijanden weg vanwege hun schuld en die van hun voorvaderen. [40] Dan zullen zij hun schuld en die van hun voorouders bekennen, hoe zij Mij ontrouw zijn geweest en tegen Mij in zijn gegaan [41] zodat ook Ik tegen hen ben ingegaan en hen in het land van hun vijanden gebracht heb. En als hun onbesneden hart zo vernederd is en zij voor hun schuld boeten, [42] dan zal Ik weer denken aan mijn verbond met Jakob, denken aan mijn verbond met Isaak en Abraham, en aan het land. [43] Het land zal verlaten zijn en, zolang het door hun afwezigheid braak ligt, de sabbatjaren inhalen. Zij boeten ondertussen voor hun schuld, omdat zij mijn uitspraken hebben veracht en mijn wetten hebben verworpen. [44] Maar zelfs als zij in het land van hun vijanden zijn, zal Ik in mijn verachting en afschuw tegenover hen niet zo ver gaan dat Ik hen vernietig en mijn verbond met hen verbreek. Ik ben de heer uw God. [45] Ik zal weer denken aan het verbond met hun voorvaderen, die Ik, onder de ogen van de volken, uit Egypte heb geleid, en Ik zal hun God zijn. Ik, de heer.’ [46] Dat zijn de geboden, wetten en onderrichtingen waarmee de heer, door bemiddeling van Mozes, de verhouding tussen Hem en de Israëlieten vastlegde.
Hoofdstuk 26 [1] Maak geen afgodsbeelden, zet geen godenbeelden neer, richt geen gewijde stenen op en plaats in jullie land geen stenen met afbeeldingen om je daarvoor neer te buigen, want ik, de HEER, ben jullie God. [2] Neem steeds mijn sabbat in acht en heb eerbied voor mijn heiligdom. Ik ben de HEER. [3] Als jullie mijn bepalingen opvolgen, je aan mijn geboden houden en ze naleven, [4] zal ik jullie op gezette tijden regen schenken, zodat het land opbrengst geeft en de bomen vrucht dragen. [5] Dan zal de dorstijd duren tot de druivenpluk, en de druivenpluk tot de zaaitijd. Je zult volop te eten hebben en onbezorgd in je land kunnen wonen. [6] Ik zal het land rust en vrede geven, zodat je kunt slapen zonder te worden opgeschrikt. Ik zal ervoor zorgen dat de wilde dieren je met rust laten en dat het land niet geteisterd wordt door oorlogsgeweld. [7] Jullie zullen je vijanden op de vlucht jagen en zij zullen door jullie zwaard worden geveld. [8] Vijf van jullie zullen volstaan om honderd vijanden te verjagen en met honderd van jullie verjaag je er tienduizend; ze zullen door jullie zwaard worden geveld. [9] Ik zal naar jullie omzien en je vruchtbaar en talrijk maken, en mijn verbond met jullie gestand doen. [10] Je zult van je oogst kunnen eten tot je de nieuwe oogst binnenhaalt en het restant van de oude oogst kunt wegdoen. [11] Mijn woning zal in jullie midden staan en ik zal nooit een afkeer van jullie krijgen. [12] Ik zal in je midden verkeren; ik zal jullie God zijn en jullie mijn volk. [13] Ik ben de HEER, jullie God, die jullie uit Egypte heeft geleid om je uit de slavernij te bevrijden. Ik heb het juk gebroken waaronder je gebukt ging, zodat je weer met opgeheven hoofd kunt rondlopen. [14] Maar als jullie mij niet gehoorzamen en deze geboden niet naleven, [15] als je mijn bepalingen naast je neerlegt en mijn regels minacht, als je door mijn geboden niet na te leven het verbond met mij verbreekt, [16] dan zal ik van mijn kant jullie het volgende aandoen: Ik zal een verschrikkelijk onheil over jullie brengen, tering en slopende koortsen zullen het licht in je ogen doven en je de adem afknijpen. Je zult je land inzaaien, maar voor niets, want je vijanden zullen ervan eten. [17] Ik zal mij tegen jullie keren, zodat jullie door je vijanden verslagen worden. Jullie zullen worden overheerst door mensen die je haten, en op de vlucht slaan, zelfs als niemand je verjaagt. [18] Als jullie mij dan nog niet willen gehoorzamen, zal ik de straf voor jullie zonden zevenmaal zo zwaar maken: [19] Ik zal de kracht waarop jullie je beroemen breken. De hemel boven je hoofd zal van ijzer zijn en de grond onder je voeten van koper. [20] Je zult je afmatten, maar voor niets, want je land zal geen opbrengst geven en je bomen zullen geen vrucht dragen. [21] Als jullie tegen mij in blijven gaan en mij niet willen gehoorzamen, zal ik de straf voor jullie zonden nog zevenmaal zo zwaar maken: [22] Ik zal wilde dieren op je afsturen, die je van je kinderen zullen beroven en je vee zullen verscheuren. Ze zullen het volk zo uitdunnen dat de wegen er verlaten bij liggen. [23] Als jullie hieruit geen lering trekken en tegen mij in blijven gaan, [24] zal ik op mijn beurt ook tegen jullie in gaan. Zevenmaal zo streng zal ik jullie voor je zonden straffen: [25] Ik zal jullie met het zwaard treffen om de schending van het verbond te wreken. Wanneer jullie je dan in de steden verschansen, zal ik de pest op je loslaten, zodat je aan je vijand overgeleverd bent. [26] Het brood dat jullie staande houdt wordt schaars: tien vrouwen zullen aan één oven genoeg hebben om er hun brood in te bakken en ze zullen met afgepaste rantsoenen thuiskomen. Jullie zullen te eten hebben, maar nooit verzadigd raken. [27] Als jullie hierna nog niet naar mij willen luisteren en tegen mij in blijven gaan, [28] zal ik van mijn kant nog eens zo hard tegen jullie in gaan en je zevenvoudig voor je zonden straffen: [29] Jullie zullen je eigen zonen en dochters opeten, [30] ik zal je offerplaatsen vernietigen, je wierookaltaren omverhalen en jullie lijken neergooien op de lege sokkels van jullie godenbeelden. Ik zal een afkeer van jullie hebben. [31] Ik zal je steden in puin leggen, je heilige plaatsen verwoesten en me niet laten behagen door de geur die van jullie offers opstijgt. [32] Ik zal van het land een woestenij maken, tot ontsteltenis van je vijanden, die het zullen bezetten. [33] En jullie zal ik onder vreemde volken verstrooien; je zult moeten vluchten voor het getrokken zwaard. Je land zal een woestenij zijn en je steden zullen in puin liggen. [34] Zo, doordat het land braak ligt terwijl jullie naar het land van je vijanden verdreven zijn, wordt het schadeloos gesteld voor de rust die het heeft moeten ontberen. Dan zal het rusten ter vergoeding van de sabbatsjaren. [35] Zolang het land braak ligt, heeft het de rust die jullie het, toen je er woonde, tijdens de sabbatsjaren niet hebben gegund. [36] En wie van jullie nog in leven zijn, zal ik in het land van hun vijanden zo schrikachtig maken dat ze al op de vlucht slaan wanneer ze een blaadje horen ritselen. Ze zullen vluchten alsof ze door het zwaard worden achtervolgd, en neervallen hoewel niemand hen opjaagt. [37] Ze zullen over elkaar struikelen alsof ze zich voor het zwaard uit de voeten maken, terwijl er niemand is die hen opjaagt. Jullie zullen je tegenover je vijanden niet staande kunnen houden [38] en te midden van vreemde volken ten onder gaan. Het land van je vijanden zal jullie verslinden. [39] Wie van jullie dan nog in leven zijn, zullen vanwege hun eigen zonden en die van hun voorouders wegrotten in het land van hun vijanden. [40] Wanneer zij echter hun zonden en die van hun voorouders openlijk uitspreken, namelijk dat ze mij ontrouw zijn geweest en bovendien tegen mij in zijn gegaan [41] – juist daarom zal ik van mijn kant tegen hen in gaan en hen verdrijven naar het land van hun vijanden –, wanneer ze dus hun koppigheid laten varen en zich verootmoedigen en voor hun schuld boeten, [42] dan zal ik weer denken aan mijn verbond met Jakob en aan mijn verbond met Isaak en met Abraham, en dan zal ik ook weer denken aan mijn land. [43] Wanneer het land eenmaal door hen verlaten is, kan het tijdens hun afwezigheid braak liggen ter vergoeding van de sabbatsjaren, en intussen boeten zij ervoor dat ze mijn regels naast zich neergelegd hebben en mijn bepalingen hebben geminacht. [44] Maar zelfs terwijl ze in het land van hun vijanden verblijven, zal ik hen niet verwerpen en hen niet uit afkeer aan de vernietiging prijsgeven. Ik zal mijn verbond met hen niet verbreken, want ik ben de HEER, hun God. [45] Ik zal denken aan het verbond dat ik sloot met hun voorouders, die ik voor de ogen van alle volken uit Egypte heb weggeleid om hun God te zijn. Ik ben de HEER.”’ [46] Dit zijn de bepalingen, regels en voorschriften waarin de HEER de betrekkingen tussen hem en de Israëlieten heeft vastgelegd, en die hij op de Sinai aan Mozes heeft bekendgemaakt.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.