De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Het evangelie volgens Marcus
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 6
Gebrek aan vertrouwen
[1] Hij ging daar weg en kwam in zijn vaderstad, en zijn leerlingen volgden Hem. [2] Toen het sabbat was, begon Hij in de synagoge onderricht te geven. Veel toehoorders waren verbaasd en zeiden: ‘Waar heeft Hij dat vandaan, wat voor wijsheid is Hem gegeven, en dan die machtige daden die door zijn handen totstandkomen? [3] Dat is toch de timmerman, de zoon van Maria en de broer* van Jakobus en Joses en Juda en Simon? Zijn zusters wonen toch hier bij ons?’ En ze namen aanstoot aan Hem. [4] Jezus zei hun: ‘Een profeet wordt overal geëerd, behalve in zijn vaderstad, bij zijn familie en in zijn eigen huis.’ [5] Hij kon daar helemaal geen machtige daden* verrichten, behalve dat Hij enkele zieken de handen oplegde en hen genas. [6] En Hij was verbaasd over hun gebrek aan vertrouwen. Hij trok door de dorpen in de omgeving om onderricht te geven.

Zending van de twaalf
     [7] Hij riep de twaalf bij zich, en begon hen twee aan twee uit te zenden, en Hij gaf hun macht over de onreine geesten. [8] Hij gebood hun om niets* mee te nemen voor onderweg dan een stok – geen brood, geen reistas, geen geld in de beurs – [9] wel sandalen aan te doen, maar geen twee stel kleren aan te trekken. [10] Hij zei tegen hen: ‘Als je bij iemand onderdak krijgt, blijf daar dan tot je weer verder reist. [11] En als je ergens niet ontvangen wordt, en ze luisteren niet naar jullie, ga daar dan weg, en stamp het zand van je voeten: een getuigenis tegen hen!’ [12] Ze gingen op weg en riepen op tot bekering. [13] Ze dreven veel demonen uit, zalfden veel zieken met olie en genazen hen.

Het levenseinde van Johannes de Doper
     [14] Koning Herodes* hoorde over Hem, want zijn naam was bekend geworden, en ze zeiden: ‘Johannes de Doper is uit de doden opgewekt. Daarom zijn die krachten in Hem werkzaam.’ [15] Maar anderen zeiden: ‘Het is Elia*’, en weer anderen: ‘Het is een profeet als andere profeten.’ [16] Toen Herodes dat hoorde, zei hij: ‘Die Johannes, die ik heb laten onthoofden, is uit de doden opgewekt.’ [17] Want zelf had Herodes Johannes laten arresteren en in de gevangenis laten zetten vanwege Herodias*, de vrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar getrouwd had. [18] Want Johannes had tegen Herodes gezegd: ‘Het is u niet geoorloofd de vrouw van uw broer te bezitten.’ [19] Herodias was daarom op hem gebeten en wilde hem uit de weg ruimen, maar ze had daartoe niet de macht. [20] Want Herodes had ontzag voor Johannes, in het besef dat deze een rechtvaardige en heilige man was, en hij nam hem in bescherming. Als hij naar hem luisterde, raakte hij steeds in verlegenheid, en toch hoorde hij hem graag. [21] Er kwam een gunstige dag toen Herodes op zijn verjaardag een feestmaal gaf voor zijn hofhouding, de legerleiding en de hoge heren van Galilea. [22] De* dochter van hem en Herodias kwam binnen en met haar dans deed ze Herodes en zijn gasten een groot genoegen. De koning zei tegen het meisje: ‘Vraag me wat je maar wilt, ik zal het je geven.’ [23] En hij deed er zelfs een eed op: ‘Wat je me ook vraagt, ik zal het je geven, al was het de helft van mijn koninkrijk.’ [24] Ze ging weg en zei tegen haar moeder: ‘Wat moet ik vragen?’ Die zei: ‘Het hoofd van Johannes de Doper.’ [25] Haastig ging ze recht op de koning af en vroeg: ‘Ik wil dat u mij terstond op een schotel het hoofd van Johannes de Doper geeft.’ [26] De koning werd bedroefd, maar vanwege zijn eed en omwille van zijn gasten wilde hij het haar niet weigeren. [27] Meteen stuurde de koning iemand van zijn lijfwacht en gaf het bevel om het hoofd van Johannes te brengen. Die ging weg en onthoofdde hem in de gevangenis. [28] Hij bracht zijn hoofd op een schotel en gaf het aan het meisje, en het meisje gaf het aan haar moeder. [29] Toen zijn leerlingen het hoorden, kwamen ze zijn lijk halen en legden het in een graf.

Jezus geeft vijfduizend mensen te eten
     [30] De apostelen kwamen terug bij Jezus, en ze vertelden Hem alles wat ze hadden gedaan en hoe ze onderricht gegeven hadden. [31] Hij zei tegen hen: ‘Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en wat uit te rusten.’ Want er kwamen en gingen zoveel mensen, dat ze niet eens de gelegenheid hadden om te eten. [32] Ze gingen in de boot weg naar een eenzame plaats om alleen te zijn. [33] Men zag hen weggaan en velen herkenden hen. Uit alle steden haastten ze zich te voet daarheen en kwamen er eerder aan dan zij. [34] Toen Hij van boord ging, zag Hij een grote menigte, en Hij had zeer met hen te doen, omdat ze als schapen zonder herder waren, en Hij begon hen uitvoerig te onderrichten. [35] Het was al laat geworden toen zijn leerlingen Hem kwamen zeggen: ‘Dit is een eenzame plaats, en het is al laat. [36] Stuur de mensen weg, dan kunnen ze zelf op de hoeven en in de dorpen in de omgeving iets te eten gaan kopen.’ [37] Hij antwoordde hun: ‘Jullie moeten hun te eten geven.’ Ze zeiden tegen Hem: ‘Moeten we voor tweehonderd denariën* brood gaan kopen en hun te eten geven?’ [38] Maar Hij zei hun: ‘Hoeveel broden hebben jullie? Ga eens kijken.’ En toen ze het waren nagegaan, zeiden ze: ‘Vijf, en nog twee vissen.’ [39] Hij* zei dat ze allemaal in groepen in het groene gras moesten gaan zitten. [40] Ze gingen zitten in groepjes van honderd en van vijftig. [41] Hij nam die vijf broden en twee vissen, keek op naar de hemel, sprak de zegenbede uit, brak de broden en gaf ze aan zijn leerlingen om ze onder hen uit te delen; ook de twee vissen verdeelde Hij onder allen. [42] Allemaal hadden ze volop te eten. [43] Ze haalden twaalf korven vol brokken op, en ook wat van de vis over was. [44] Het waren vijfduizend man die van het brood gegeten hadden.

Tegenwind op het meer
     [45] Meteen daarna dwong Hij zijn leerlingen om aan boord te gaan en alvast over te steken naar Betsaïda*; dan zou Hij intussen de menigte wegsturen. [46] Toen Hij afscheid van hen genomen had, ging Hij de berg op om te bidden. [47] Het was al avond toen de boot midden op het meer was, en Hij alleen aan land. [48] Hij zag hoe ze zich afbeulden met roeien, want ze hadden de wind tegen, en tegen* het einde van de nacht ging Hij lopend over het meer naar hen toe. Hij wilde hun voorbijgaan. [49] Toen ze Hem op het meer zagen lopen, dachten ze dat het een spook was, en ze begonnen te schreeuwen. [50] Want allemaal zagen ze Hem en ze raakten in paniek. Meteen begon Hij met hen te spreken: ‘Rustig maar, Ik ben het. Wees niet bang.’ [51] En Hij stapte bij hen in de boot*, en de wind ging liggen. Ze raakten helemaal buiten zichzelf, [52] want ze hadden van de broden niets begrepen; hun hart was versteend.
     [53] Ze staken over en kwamen aan land in Gennesaret*, waar ze aanlegden. [54] Ze gingen van boord en meteen herkenden de mensen Hem, [55] en ze trokken heel dat gebied rond. Men begon de zieken op bedden naar de plek te brengen waar ze hoorden dat Hij was. [56] Waar Hij ook heen ging, naar dorpen of steden of hoeven, ze legden de zieken op de markt neer, en ze vroegen Hem om tenminste de zoom van zijn kleed te mogen aanraken. En wie Hem aanraakte, werd gered.
Hoofdstuk 6
[1] Hij vertrok weer en ging naar zijn vaderstad, gevolgd door zijn leerlingen. [2] Toen de sabbat was aangebroken, gaf hij onderricht in de synagoge, en vele toehoorders waren stomverbaasd en zeiden: ‘Waar haalt hij dat allemaal vandaan? Wat is dat voor wijsheid die hem gegeven is? En dan die wonderen die zijn handen tot stand brengen! [3] Hij is toch die timmerman, de zoon van Maria en de broer van Jakobus en Joses en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?’ En ze namen aanstoot aan hem. [4] Jezus zei tegen hen: ‘Nergens wordt een profeet zo miskend als in zijn eigen stad, onder zijn verwanten en huisgenoten.’ [5] Hij kon daar geen enkel wonder doen, behalve dat hij een paar zieken de handen oplegde en hen genas. [6] Hij stond verbaasd over hun ongeloof. Hij trok rond langs de dorpen in de omtrek en onderwees de mensen.

Uitzending van de twaalf leerlingen
     [7] Hij riep de twaalf bij zich en zond hen twee aan twee uit, en gaf hun macht over de onreine geesten. [8] Hij droeg hun op niets mee te nemen voor onderweg, geen brood, geen reistas en geen geld, alleen een stok. [9] Sandalen mochten ze wel dragen. ‘Maar,’ zei hij, ‘trek geen extra kleren aan.’ [10] En ook zei hij: ‘Als jullie ergens onderdak krijgen, moet je daar blijven tot je verder reist. [11] Maar als jullie ergens niet welkom zijn en de mensen niet naar jullie willen luisteren, moet je daar weggaan en het stof van je voeten schudden ten teken dat je niets meer met hen te maken wilt hebben.’ [12] Ze gingen op weg en maakten het goede nieuws bekend om de mensen tot inkeer te brengen, [13] en ze dreven veel demonen uit en zalfden veel zieken met olie en genazen hen.

De dood van Johannes
     [14] Koning Herodes hoorde van hem, want zijn naam was overal bekend geworden. Sommigen zeiden: ‘Johannes de Doper is opgewekt uit de dood en daardoor beschikt hij over zulke wonderbaarlijke krachten.’ [15] Maar anderen zeiden: ‘Het is Elia,’ en weer anderen zeiden: ‘Hij is een profeet zoals die er vroeger waren.’ [16] Toen Herodes dit allemaal hoorde, zei hij: ‘Het is Johannes, die ik heb onthoofd, die weer is opgestaan.’ [17] Want Herodes had Johannes gevangen laten nemen en hem, aan handen en voeten geketend, laten opsluiten vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, met wie hij getrouwd was. [18] Johannes had namelijk tegen Herodes gezegd: ‘U mag niet trouwen met de vrouw van uw broer.’ [19] Sindsdien had Herodias het op hem gemunt en wilde ze hem uit de weg ruimen, maar ze kreeg er de kans niet toe, [20] want Herodes had ontzag voor Johannes, omdat hij wist dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hij nam hem in bescherming. En hoewel hij altijd in grote onzekerheid verkeerde als hij naar hem geluisterd had, bleef hij hem toch graag horen. [21] Op een keer deed zich echter een gunstige gelegenheid voor, toen Herodes op zijn verjaardag een feestmaal gaf voor zijn hovelingen en de hoge militairen en de voornaamste inwoners van Galilea. [22] De dochter van Herodias* kwam binnen om voor Herodes en zijn gasten te dansen, wat bij hen erg in de smaak viel. De koning zei tegen het meisje: ‘Vraag me wat je maar wilt, en ik zal het je geven.’ [23] En hij bezwoer haar: ‘Wat je ook vraagt, ik zal het je geven, al was het de helft van mijn koninkrijk!’ [24] Ze ging naar haar moeder en vroeg: ‘Wat zal ik vragen?’ Haar moeder zei: ‘Het hoofd van Johannes de Doper.’ [25] Haastig ging ze weer naar binnen, stapte recht op de koning af en zei tegen hem: ‘Ik wil dat u me nu meteen op een schaal het hoofd van Johannes de Doper geeft.’ [26] Deze vraag bedroefde de koning zeer, maar hij wilde het haar niet weigeren omdat hij in het bijzijn van zijn gasten een eed had gezworen. [27] Hij stuurde iemand van zijn garde weg met het bevel hem het hoofd te brengen. De soldaat ging naar de gevangenis en onthoofdde Johannes. [28] Hij bracht het hoofd binnen op een schaal en gaf het aan het meisje, en zij gaf het aan haar moeder. [29] Toen zijn leerlingen hiervan hoorden, gingen ze zijn lijk halen en legden het in een graf.

Het teken van de broden
     [30] De apostelen kwamen weer terug bij Jezus en vertelden hem over alles wat ze gedaan hadden en wat ze de mensen onderwezen hadden. [31] Hij zei tegen hen: ‘Ga nu mee naar een eenzame plaats om alleen te zijn en een tijdje uit te rusten.’ Want het was een voortdurend komen en gaan van mensen, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te eten.
     [32] Ze voeren met de boot naar een afgelegen plaats, om daar alleen te kunnen zijn. [33] Maar hun vertrek werd opgemerkt en velen hoorden ervan, en uit alle steden haastten de mensen zich over land naar die plaats en kwamen er nog eerder aan dan Jezus en de apostelen. [34] Toen hij uit de boot stapte, zag hij een grote menigte en voelde medelijden met hen, omdat ze leken op schapen zonder herder, en hij onderwees hen langdurig. [35] Toen er al veel tijd was verstreken, kwamen zijn leerlingen naar hem toe en zeiden: ‘Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. [36] Stuur hen weg, dan kunnen ze naar de dorpen en gehuchten in de omtrek gaan om eten te kopen.’ [37] Maar hij zei: ‘Geven jullie hun maar te eten!’ Ze vroegen hem: ‘Moeten wij dan voor tweehonderd denarie brood gaan kopen om hun te eten te geven?’ [38] Toen zei hij: ‘Hoeveel broden hebben jullie bij je? Ga eens kijken.’ En nadat ze waren gaan kijken wat ze bij zich hadden, zeiden ze: ‘Vijf, en twee vissen.’ [39] Hij zei tegen hen dat ze de mensen opdracht moesten geven om in groepen in het groene gras te gaan zitten. [40] Ze gingen zitten in groepen van honderd en groepen van vijftig. [41] Hij nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak het zegengebed uit, brak de broden en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte uit te delen; ook de twee vissen verdeelde hij onder allen die er waren. [42] Iedereen at en werd verzadigd. [43] Ze haalden de overgebleven stukken brood op, waar wel twaalf manden mee konden worden gevuld, en ook wat er over was van de vissen. [44] Vijfduizend mensen hadden van de broden gegeten.

Naar de overkant van het meer
     [45] Meteen daarna gelastte hij zijn leerlingen in de boot te stappen en alvast naar de overkant te varen, naar Betsaïda; intussen zou hijzelf de menigte wegsturen. [46] Nadat hij afscheid van de mensen had genomen, ging hij de berg op om er te bidden. [47] Bij het vallen van de avond was de boot midden op het meer, en hij was alleen aan land. [48] Toen hij zag dat de leerlingen door de hevige tegenwind maar nauwelijks vooruitkwamen, hoe hard ze ook roeiden, liep hij tegen het einde van de nacht over het meer naar hen toe, en hij wilde hen voorbijlopen. [49] Toen ze hem over het water zagen lopen, dachten ze dat hij een geestverschijning was en ze schreeuwden het uit. [50] Ze hadden hem allemaal gezien en raakten in paniek. Maar hij sprak hen meteen aan en zei: ‘Blijf kalm! Ik ben het, wees niet bang.’ [51] Hij stapte bij hen in de boot en de wind ging liggen. Zijn leerlingen waren helemaal van hun stuk gebracht. [52] Ze waren niet tot inzicht gekomen door wat er met de broden was gebeurd, omdat ze hardleers waren.
     [53] Nadat ze waren overgestoken, kwamen ze bij Gennesaret aan land en daar legden ze aan. [54] Toen ze uit de boot stapten, werd hij meteen herkend. [55] In het hele gebied ontstond een druk komen en gaan van mensen, die zieken op draagbedden meenamen naar elke plaats waarvan ze hoorden dat hij daar was. [56] Overal waar hij kwam, in dorpen, steden en gehuchten, legden ze de zieken op het plein. Ze smeekten hem of ze ten minste de zoom van zijn kleed mochten aanraken. En iedereen die hem aanraakte, werd gered en genas.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties