Hoofdstuk 33 De etappen in de woestijn [1] Dit zijn de etappen van de Israëlieten waarin zij onder leiding van Mozes en Aäron in groepen uit Egypte zijn vertrokken. [2] Op bevel van de heer heeft Mozes de vertrekplaatsen van de etappen opgeschreven. En dit zijn de etappen met de plaatsen van vertrek. [3] Zij vertrokken van Raämses op de vijftiende dag van de eerste maand. De dag na Pasen trokken de Israëlieten onder de machtige bescherming van de heer voor de ogen van de Egyptenaren weg, [4] terwijl dezen bezig waren de eerstgeborenen die de heer bij hen gedood had, te begraven. Ook bij hun goden had de heer zijn vonnis uitgevoerd. [5] De Israëlieten vertrokken dus vanuit Raämses en sloegen hun kamp op in Sukkot. [6] Ze vertrokken uit Sukkot en sloegen hun kamp op in Etam, aan de rand van de woestijn. [7] Ze vertrokken uit Etam in de richting van Pi-Hachirot, dat dicht bij Baäl-Sefon ligt, en sloegen hun kamp op voor Migdol. [8] Ze vertrokken uit Pi-Hachirot, gingen door de zee heen de woestijn in, trokken drie dagreizen de woestijn van Etam door en sloegen hun kamp op in Mara. [9] Ze vertrokken uit Mara en kwamen in Elim. In Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmen. Daar sloegen ze hun kamp op. [10] Ze vertrokken van Elim en sloegen hun kamp op aan de Rietzee. [11] Ze vertrokken vanaf de Rietzee en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin. [12] Ze vertrokken vanuit de woestijn Sin en sloegen hun kamp op in Dofka. [13] Ze vertrokken vanuit Dofka en sloegen hun kamp op in Alus. [14] Ze vertrokken uit Alus en sloegen hun kamp op in Refidim. Daar had het volk geen water om te drinken. [15] Ze vertrokken uit Refidim en sloegen hun kamp op in de Sinaiwoestijn. [16] Ze vertrokken van de Sinaiwoestijn en sloegen hun kamp op in Kibrot-Hattaäwa. [17] Ze vertrokken uit Kibrot-Hattaäwa en sloegen hun kamp op in Chaserot. [18] Ze vertrokken uit Chaserot en sloegen hun kamp op in Ritma. [19] Ze vertrokken uit Ritma en sloegen hun kamp op in Rimmon-Peres. [20] Ze vertrokken uit Rimmon-Peres en sloegen hun kamp op in Libna. [21] Ze vertrokken uit Libna en sloegen hun kamp op in Rissa. [22] Ze vertrokken uit Rissa en sloegen hun kamp op in Kehelata. [23] Ze vertrokken uit Kehelata en sloegen hun kamp op bij de berg Safer. [24] Ze vertrokken van de berg Safer en sloegen hun kamp op in Charada. [25] Ze vertrokken uit Charada en sloegen hun kamp op in Makhelot. [26] Ze vertrokken uit Makhelot en sloegen hun kamp op in Tachat. [27] Ze vertrokken uit Tachat en sloegen hun kamp op in Terach. [28] Ze vertrokken uit Terach en sloegen hun kamp op in Mitka. [29] Ze vertrokken uit Mitka en sloegen hun kamp op in Chasmona. [30] Ze vertrokken uit Chasmona en sloegen hun kamp op in Moserot. [31] Ze vertrokken uit Moserot en sloegen hun kamp op in Bene-Jaäkan. [32] Ze vertrokken uit Bene-Jaäkan en sloegen hun kamp op in Chor-Haggidgad. [33] Ze vertrokken uit Chor-Haggidgad en sloegen hun kamp op in Jotbata. [34] Ze vertrokken uit Jotbata en sloegen hun kamp op in Abrona. [35] Ze vertrokken uit Abrona en sloegen hun kamp op in Esjon-Geber. [36] Ze vertrokken uit Esjon-Geber en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin, in Kades. [37] Ze vertrokken uit Kades en sloegen hun kamp op bij de berg Hor aan de grens van Edom. [38] Op bevel van de heer besteeg daar de priester Aäron de berg Hor en stierf hij in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, op de eerste dag van de vijfde maand. [39] Aäron was honderddrieëntwintig jaar toen hij op de berg Hor stierf. [40] De Kanaänieten in de Negeb in Kanaän, met name de koning van Arad, hoorden van de komst van de Israëlieten. [41] Ze vertrokken vanaf de berg Hor en sloegen hun kamp op in Salmona. [42] Ze vertrokken uit Salmona en sloegen hun kamp op in Punon. [43] Ze vertrokken uit Punon en sloegen hun kamp op in Obot. [44] Ze vertrokken uit Obot en sloegen hun kamp op in Ijje-Haäbarim aan de grens van Moab. [45] Ze vertrokken uit Ijje-Haäbarim en sloegen hun kamp op in Dibon-Gad. [46] Ze vertrokken uit Dibon-Gad en sloegen hun kamp op in Almon-Diblataïm. [47] Ze vertrokken uit Almon-Diblataïm en sloegen hun kamp op in het Abarimgebergte vlakbij Nebo. [48] Ze vertrokken van het Abarimgebergte en sloegen hun kamp op in de vlakte van Moab aan de Jordaan bij Jericho. [49] Ze sloegen hun kamp op langs de Jordaan van Bet-Hajjesimot tot aan Abel-Hassittim in de vlakte van Moab.
De verdeling van het land [50] De heer sprak tot Mozes in de vlakte van Moab aan de Jordaan, bij Jericho: [51] ‘Zeg tegen de Israëlieten: Wanneer u de Jordaan oversteekt naar Kanaän, [52] moet u alle bewoners uit het land verdrijven*. Al hun stenen beelden en al hun metalen beelden moet u vernietigen en u moet al hun offerhoogten verwoesten. [53] Dan zult u het land in bezit nemen om er te wonen, want Ik geef het u in bezit. [54] U moet het land door loting onder uw geslachten verdelen. Aan een groot geslacht moet u een groot stuk grond toewijzen, aan een klein geslacht een klein stuk. Volgens de aanwijzing van het lot krijgt ieder zijn deel. De verdeling moet gebeuren naar de stammen van uw vaderen. [55] Wanneer u echter de bewoners niet uit het land verdrijft, dan zullen degenen die u overlaat, doorns in uw ogen en stekels in uw zijden worden. In het land waar u gaat wonen, zullen zij u onderdrukken. [56] Dan zal Ik met u doen wat Ik hun had toegedacht.’
Hoofdstuk 33 Lijst van pleisterplaatsen [1] Dit zijn de pleisterplaatsen die de Israëlieten aandeden, nadat ze onder leiding van Mozes en Aäron, geordend in legerafdelingen, waren weggetrokken uit Egypte. [2] Op bevel van de HEER heeft Mozes de plaatsen waar ze hun kamp hadden opgeslagen genoteerd. Ze trokken als volgt van de ene pleisterplaats naar de andere: [3] Op de vijftiende dag van de eerste maand verlieten de Israëlieten Rameses; voor de ogen van de Egyptenaren trokken ze de dag na het pesachmaal onbevreesd weg. [4] De Egyptenaren waren toen hun eerstgeborenen, die de HEER gedood had, aan het begraven; hun goden waren door de HEER van hun voetstuk gestoten. [5] Nadat de Israëlieten Rameses verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Sukkot. [6] Nadat ze Sukkot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Etam, aan de rand van de woestijn. [7] Nadat ze Etam verlaten hadden, keerden ze terug naar Pi-Hachirot, tegenover Baäl-Sefon, en sloegen ze hun kamp op voor Migdol. [8] Nadat ze Pi-Hachirot verlaten hadden,* trokken ze dwars door de zee naar de woestijn. Ze trokken drie dagreizen ver de woestijn van Etam in en sloegen hun kamp op in Mara. [9] Nadat ze Mara verlaten hadden, kwamen ze in Elim. In Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig dadelpalmen; daar sloegen ze hun kamp op. [10] Nadat ze Elim verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op aan de Rode Zee. [11] Nadat ze de Rode Zee verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in de woestijn van Sin. [12] Nadat ze de woestijn van Sin verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Dofka. [13] Nadat ze Dofka verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Alus. [14] Nadat ze Alus verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Refidim; daar was geen drinkwater voor het volk. [15] Nadat ze Refidim verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in de Sinaiwoestijn. [16] Nadat ze de Sinaiwoestijn verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Kibrot-Hattaäwa. [17] Nadat ze Kibrot-Hattaäwa verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Chaserot. [18] Nadat ze Chaserot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Ritma. [19] Nadat ze Ritma verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Rimmon-Peres. [20] Nadat ze Rimmon-Peres verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Libna. [21] Nadat ze Libna verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Rissa. [22] Nadat ze Rissa verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Kehelata. [23] Nadat ze Kehelata verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op bij de Seferberg. [24] Nadat ze de Seferberg verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Charada. [25] Nadat ze Charada verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Makhelot. [26] Nadat ze Makhelot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Tachat. [27] Nadat ze Tachat verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Terach. [28] Nadat ze Terach verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Mitka. [29] Nadat ze Mitka verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Chasmona. [30] Nadat ze Chasmona verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Moserot. [31] Nadat ze Moserot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Bene-Jaäkan. [32] Nadat ze Bene-Jaäkan verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Chor-Haggidgad. [33] Nadat ze Chor-Haggidgad verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Jotbata. [34] Nadat ze Jotbata verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Abrona. [35] Nadat ze Abrona verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Esjon-Geber. [36] Nadat ze Esjon-Geber verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in de woestijn van Sin, en wel in Kades. [37] Nadat ze Kades verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op bij de Hor, een berg aan de grens van Edom. [38] Toen ging de priester Aäron op bevel van de HEER de berg op, en hij stierf daar, op de Hor, in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, op de eerste dag van de vijfde maand. [39] Aäron was honderddrieëntwintig jaar toen hij op de Hor stierf. [40] De Kanaänitische koning van Arad, die in de Negev in Kanaän woonde, vernam dat de Israëlieten in aantocht waren. [41] Nadat ze de Hor verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Salmona. [42] Nadat ze Salmona verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Punon. [43] Nadat ze Punon verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Obot. [44] Nadat ze Obot verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op bij Ijje-Haäbarim aan de grens van Moab. [45] Nadat ze Ijje-Haäbarim verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Dibon-Gad. [46] Nadat ze Dibon-Gad verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in Almon-Diblataïm. [47] Nadat ze Almon-Diblataïm verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in het Abarimgebergte, bij de Nebo. [48] Nadat ze het Abarimgebergte verlaten hadden, sloegen ze hun kamp op in de vlakte van Moab, bij de Jordaan, tegenover Jericho; [49] ze sloegen hun tenten op langs de Jordaan, van Bet-Hajjesimot tot aan Abel-Hassittim, in de vlakte van Moab.
Verdeling van Kanaän [50] In de vlakte van Moab, aan de Jordaan ter hoogte van Jericho, zei de HEER tegen Mozes: [51] ‘Zeg tegen de Israëlieten: “Wanneer jullie de Jordaan oversteken naar Kanaän, [52]moeten jullie de bewoners van dat land verdrijven. Vernietig al hun stenen met afbeeldingen en al hun gegoten beelden, en verwoest de offerplaatsen. [53] Neem het land in bezit en ga er wonen, ik geef jullie dit land in eigendom. [54] Jullie moeten het land door middel van loting onder de verschillende geslachten verdelen. Geef een groot geslacht een groot stuk grond in bezit, een klein geslacht een klein stuk. Het lot bepaalt wat elk geslacht krijgt. Zo moeten jullie het land onder de verschillende stammen verdelen. [55] Maar als jullie de bewoners ervan niet verdrijven, zullen degenen die je van hen overlaat zich vijandig tegenover je opstellen wanneer jullie eenmaal in het land wonen; ze zullen tot stekels in je zij en tot dorens in je ogen worden. [56] En dan zal ik met jullie doen wat ik van plan was met hen te doen.”’
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.