De bijbel De bijbel
 
..........
 
 De Psalmen
WB 
  NBV 
 
Psalm 106
 
Wij hebben gezondigd zoals onze vaderen
  [1] Halleluja.
Prijs de heer, want Hij is goed,
zijn liefde* kent geen grenzen.
  [2] Wie kan de machtige daden van de heer verwoorden,
toereikend zijn lof verkondigen?
  [3] Gelukkig wie zijn bestel eerbiedigt,
wie altijd gerechtigheid doet.
  [4] Denk aan mij heer, U die uw volk bemint,
kom mij te hulp en red mij.
  [5] Laat mij delen in het geluk van uw uitverkorenen,
in de vreugde van uw volk,
in de glorie van het volk dat U toebehoort.
  [6] Wij hebben gezondigd zoals onze vaderen,
afgedwaald zijn we, we hebben misdreven.
  [7] Zij hebben uw wonderen in Egypte miskend,
geen aandacht geschonken aan uw talloze gunsten:
bij de Rietzee bedroefden zij U.
  [8] Toch redde Hij hen omwille van zijn naam,
om zijn grote macht te laten blijken.
  [9] Hij bezwoer de Rietzee, en zij viel droog:
Hij loodste hen door de watervloed als door een woestijn.
  [10] Hij redde hen uit de macht van hun haters,
bevrijdde hen uit de macht van hun vijand.
  [11] En boven hun belagers sloot zich het water:
niet één bleef er over, niet één.
  [12] Toen pas vertrouwden zij op zijn woord;
zij zongen een loflied op Hem.
  [13] Zij vergaten weer snel wat Hij had gedaan,
zij zagen geen heil in zijn beleid.
  [14] In de woestijn dachten zij alleen nog aan eten,
zij daagden God uit door hun gedrag in de steppe.
  [15] Toch schonk Hij hun alles waar zij om vroegen,
zo veel zelfs dat het hun tegenstond.
  [16] Sommigen in het kamp werden jaloers op Mozes
en op Aäron, de gewijde van de heer.
  [17] De aarde spleet open en verzwolg Datan,
boven de aanhang van Abiram sloot zich de aarde.
  [18] Vuur verslond hun aanhang totaal,
vlammen verteerden de schuldigen.
  [19] Een stierenbeeld richtten zij op bij de Horeb,
zij bogen diep voor dat metalen maaksel.
  [20] Zij ruilden hun heerlijke God voor een beeld,
voor het beeld van een rund dat gras vreet.
  [21] Zij vergaten de God die hen had gered,
die in Egypte machtige daden verrichtte,
  [22] die wonderen deed in het land van Cham*,
indrukwekkende wonderen bij de Rietzee.
  [23] Daarom had Hij besloten hen uit te roeien,
als niet Mozes, zijn uitverkorene,
tegenover Hem op de bres was gaan staan
om zijn dodelijke toorn te keren.
  [24] Zij keken neer op zijn land, dat prachtige land,
en vertrouwden niet op zijn woorden.
  [25] Zij spraken opstandige taal in hun tent
en wilden niet luisteren naar de bevelen van de heer.
  [26] Toen strekte de heer zijn hand tegen hen uit:
zij zouden verloren gaan in de woestijn,
  [27] hun nazaten zouden onder de volken verloren gaan,
verspreid worden in alle landen.
  [28] Zij lieten zich in met Baäl-Peor,
namen deel aan dodenoffers.
  [29] Zij daagden Hem zo uit door deze praktijken,
dat een hevige plaag bij hen uitbrak.
  [30] Pinechas greep toen als scherprechter in
en de plaag werd tot stilstand gebracht.
  [31] Dat werd hem als gerechtigheid aangerekend
van generatie op generatie, voor altijd.
  [32] Zij wekten Gods woede weer op bij Meriba’s water;
zelfs Mozes brachten zij ongeluk.
  [33] Zo bitter hadden zij hem gestemd,
dat hij zijn woorden niet in bedwang had.
  [34] Zij roeiden de Kanaänieten niet uit,
al had de heer hun dat bevolen.
  [35] Zij knoopten betrekkingen aan met hen
en namen hun praktijken over.
  [36] Aan hun afgoden brachten zij goddelijke eer;
dat werd hun valstrik en ongeluk.
  [37] Zij offerden hun zonen en dochters,
als een offer voor die idolen.
  [38] Onschuldig bloed vergoten zij,
het bloed van hun zonen en dochters,
als offer aan de goden van Kanaän,
zodat hun land door dit bloed werd ontwijd.
  [39] Zo werden zij zelf onrein:
door die riten pleegden zij ontucht.
  [40] Toen ontstak de heer in woede tegen hen,
Hij moest van zijn eigen volk gruwen.
  [41] Daarom leverde Hij hen aan de vreemden uit:
hun vijanden werden hun meesters.
  [42] Zij vielen ten prooi aan hun tirannie,
voor hun overmacht moesten zij bukken.
  [43] Hoe dikwijls heeft Hij hen gered,
maar zij verzetten zich tegen zijn leiding,
steeds dieper zakten zij weg in hun schuld.
  [44] Maar nauwelijks vernam Hij hun jammerlijk klagen,
of Hij kreeg weer oog voor hun nood.
  [45] Hij dacht terug aan zijn verbond met hen;
zo groot is zijn liefde, dat Hij zich ontfermde.
  [46] Zij vonden genade dankzij Hem
bij mensen die hen hadden weggevoerd.
  [47] Red ons, heer onze God,
breng ons bijeen, bij de vreemden vandaan.
Dan zullen wij uw heilige naam prijzen,
met fiere stem uw lof verkondigen.
 
  [48] De* heer zij gezegend, Israëls God,
van eeuwigheid tot eeuwigheid.
En heel het volk antwoordt: Amen.
Halleluja.
Psalm 106
 
  [1] Halleluja!
Loof de HEER, want hij is goed,
eeuwig duurt zijn trouw.
  [2] Wie kan zijn machtige daden verwoorden,
wie de roem van de HEER laten klinken?
  [3] Gelukkig wie zich houden aan het recht
en doen wat rechtvaardig is, telkens weer.
  [4] Denk aan mij, HEER, uit liefde voor uw volk,
zie naar mij om wanneer u het komt redden,
 
  [5] dan zal ik uw uitverkorenen gelukkig zien,
vreugde vinden in de vreugde van uw volk,
vervuld zijn van trots op uw liefste bezit.
  [6] Wij hebben gezondigd zoals onze voorouders,
wij hebben gefaald en kwaad bedreven.
 
  [7] Toen onze voorouders in Egypte waren,
sloegen zij geen acht op uw wonderen,
dachten zij niet aan uw tekenen van trouw,
en kwamen in opstand aan de oever van de Rietzee.
  [8] Toch redde hij hen, tot eer van zijn naam,
om hun zijn macht te tonen.
 
  [9] Op zijn dreigen viel de Rietzee droog,
hij leidde hen door de diepte als door een woestijn.
  [10] Hij redde hen uit de greep van hun haters,
verloste hen uit de greep van de vijand.
 
  [11] Het water bedekte hun belagers,
niet één van hen bleef in leven.
  [12] Toen hadden zij vertrouwen in zijn woorden
en bezongen ze zijn roem,
 
  [13] maar snel vergaten zij wat hij gedaan had,
ze wachtten niet geduldig zijn plannen af.
  [14] Onverzadigbaar was hun eetlust in de woestijn,
ze daagden God uit in het dorre land.
 
  [15] Hij gaf hun wat zij verlangden,
zo veel dat ze erin stikten.
  [16] In het kamp werden zij afgunstig op Mozes,
en op Aäron, de heilige dienaar van de HEER.
 
  [17] De aarde opende zich: verzwolgen werd Datan
en bedolven de bende van Abiram.
  [18] Vuur verbrandde hun aanhang,
een felle vlam heeft de schuldigen verteerd.
  [19] Zij maakten een stierkalf bij de Horeb
en bogen zich voor een stuk metaal.
 
  [20] God, hun eer, ruilden zij in voor een beeld
van een dier dat gras eet.
  [21] Vergeten waren zij God, hun redder,
die iets groots had verricht in Egypte,
 
  [22] wonderen in het land van Cham,
geduchte daden bij de Rietzee.
  [23] Hij besloot hen uit te roeien,
maar Mozes, de man die hij had gekozen,
verdedigde hen, ging voor hem staan
en wendde zijn dodelijke woede af.
 
  [24] Zij weigerden het begeerlijke land
en stelden geen vertrouwen in zijn woord.
 
  [25] Ze bleven klagend in hun tenten
en wilden niet luisteren naar de HEER.
  [26] Hij hief zijn hand en zwoer
hen te doden in de woestijn,
 
  [27] hun nazaten te verspreiden* onder de volken,
te verstrooien over alle landen.
  [28] Zij verbonden zich aan de Baäl van de Peor
en aten van offers voor de doden.
 
  [29] Ze griefden hem met hun gedrag,
en onder hen brak een plaag uit.
  [30] Pinechas stond op en kwam tussenbeide,
en de plaag werd bedwongen.
 
  [31] Het is hem toegerekend als een rechtvaardige daad,
van geslacht op geslacht, tot in eeuwigheid.
  [32] Zij wekten zijn toorn bij het water van Meriba
en brachten Mozes in moeilijkheden,
 
  [33] want toen zij zich verzetten tegen Gods geest,
sprak hij overhaast en onbezonnen.
  [34] Zij roeiden de volken niet uit
die de HEER hun had aangewezen,
 
  [35] vermengden zich zelfs met hen
en spiegelden zich aan hun daden,
  [36] vereerden hun godenbeelden
en raakten verstrikt in hun netten.
  [37] Zij brachten hun zonen en dochters
ten offer aan de demonen
 
  [38] en vergoten het bloed van onschuldigen,
het bloed van hun zonen en dochters,
geofferd aan de beelden van Kanaän.
Een stroom van bloed ontheiligde het land.
  [39] Zij werden onrein door hun daden,
overspelig was hun gedrag.
  [40] Toen ontstak de HEER in toorn,
hij gruwde van zijn volk, zijn liefste bezit.
 
  [41] Hij gaf het in de macht van vreemde volken,
zij werden overheerst door hun haters,
  [42] onderdrukt door hun vijanden,
en moesten zwichten voor hun macht.
  [43] Vele malen kwam hij hen bevrijden,
maar zij volhardden in opstandig gedrag
en zonken weg door eigen schuld.
 
  [44] Toch zag hij naar hen om, telkens
als hij hen hoorde klagen in hun nood.
  [45] Hij dacht weer aan zijn verbond met hen,
zo trouw was hij dat hij deernis voelde
 
  [46] en medelijden wekte bij allen
die hen hadden weggevoerd.
  [47] Red ons, HEER, onze God,
breng ons bijeen uit de andere volken,
dan loven wij uw heilige naam
en verkondigen trots uw roem.
 
  [48] Geprezen zij de HEER, de God van Israël,
van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Laat het hele volk antwoorden: ‘Amen!’
Halleluja!
 
 



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties