Hoofdstuk 10 Tola en Jaïr [1] Na Abimelek trad Tola*, de zoon van Pua*, de zoon van Dodo uit Issakar, op om Israël te bevrijden. Hij woonde in Samir in het gebergte van Efraïm. [2] Drieëntwintig jaar was hij rechter over Israël. Toen stierf hij. Hij werd begraven in Samir. [3] Na hem trad Jaïr* op, een Gileadiet; tweeentwintig jaar was hij rechter over Israël. [4] Hij had dertig zonen, die dertig steden bestuurden. De dertig steden die zij bezaten heten tot op de dag van vandaag de Dorpen van Jaïr; ze liggen in Gilead. [5] Jaïr stierf en werd in Kamon begraven.
Nieuwe onderdrukking van de Israëlieten [6] De* Israëlieten deden opnieuw wat de heer mishaagt; zij dienden de baäls en de astarten, de goden van Aram en de goden van Sidon, de goden van Moab en de goden van de Ammonieten, en de goden van de Filistijnen; zij verlieten de heer en vereerden Hem niet meer. [7] De toorn van de heer ontbrandde tegen de Israëlieten en Hij leverde hen uit aan de Filistijnen en de Ammonieten. [8] In die tijd begonnen zij de Israëlieten te onderdrukken en te terroriseren, achttien jaar aan één stuk, vooral de Israëlieten in Gilead aan de overkant van de Jordaan, in het gebied van de Amorieten. [9] De Ammonieten staken zelfs de Jordaan over en vielen ook Juda en Benjamin en het huis van Efraïm lastig, zodat Israël in grote moeilijkheden kwam. [10] Weer riepen de Israëlieten de heer aan: ‘Wij hebben gezondigd tegen U; wij hebben onze God verlaten en hebben de baäls vereerd.’ [11] De heer antwoordde: ‘Ik heb u uit de macht van de Egyptenaren, de Amorieten, de Ammonieten en de Filistijnen bevrijd. [12] En ook toen de Sidoniërs, Amalek en Maon u onderdrukten en u Mij aanriep, heb Ik u uit hun macht bevrijd. [13] Toch hebt u mij verlaten en bent u andere goden gaan vereren; daarom zal Ik u voortaan niet meer bevrijden. [14] Roep de goden maar aan die u hebt gekozen; laten die u maar bevrijden, nu u in nood verkeert.’ [15] Daarop zeiden de Israëlieten tegen de heer: ‘Wij hebben gezondigd, doe met ons wat U wilt, als U ons nu maar bevrijdt.’ [16] Daarna deden zij afstand van de vreemde goden en vereerden de heer. Toen kon de heer de ellende van Israël niet langer aanzien. [17] De Ammonieten verzamelden zich en sloegen in Gilead hun kamp op. Ook de Israëlieten verzamelden zich en sloegen in Mispa hun kamp op. [18] De mensen – de leiders van Gilead – zeiden tegen elkaar: ‘Wie de strijd met de Ammonieten aandurft, wordt de leider van alle Gileadieten.’
Hoofdstuk 10 Tola en Jaïr [1] Na Abimelech kwam Tola, die optrad als bevrijder van Israël. Hij was een zoon van Pua, de zoon van Dodo, en behoorde tot de stam Issachar. Maar hij woonde in Samir, in het bergland van Efraïm. [2] Drieëntwintig jaar was hij rechter over Israël. Toen stierf hij en werd begraven in Samir. [3] Na hem kwam Jaïr uit Gilead. Tweeëntwintig jaar was hij rechter over Israël. [4] Hij had dertig zonen, die allemaal een ezelshengst als rijdier hadden en aan het hoofd van een nederzetting stonden. Tot op de dag van vandaag worden deze dorpen in Gilead de Dorpen van Jaïr genoemd. [5] Na zijn dood werd Jaïr begraven in Kamon.
Jefta als leider aangezocht [6] Weer deden de Israëlieten wat slecht is in de ogen van de HEER: weer begonnen ze de Baäls en Astartes te vereren, en ook de goden van Aram, Sidon en Moab en de goden van de Ammonieten en de Filistijnen. Ze keerden de HEER de rug toe en dienden hem niet meer. [7] De HEER ontstak in woede en leverde hen uit aan de Filistijnen en de Ammonieten. [8] Nog datzelfde jaar begonnen zij Israël te knechten en te knevelen: achttien jaar lang onderdrukten ze de Israëlieten die aan de overkant van de Jordaan woonden, in Gilead, het gebied dat ooit aan de Amorieten had toebehoord. [9] Uiteindelijk staken de Ammonieten zelfs de Jordaan over om de strijd aan te binden met Juda, Benjamin en Efraïm. De Israëlieten kregen het zo zwaar te verduren [10] dat ze de HEER te hulp riepen en zeiden: ‘We hebben tegen u, onze God, gezondigd door u de rug toe te keren en de Baäls te dienen.’ [11] De HEER antwoordde: ‘Ik heb jullie vaak genoeg gered: van de Egyptenaren en de Amorieten, en van de Ammonieten en de Filistijnen. [12] Ook toen jullie onderdrukt werden door de Sidoniërs, de Amalekieten en de Maonieten hebben jullie mij te hulp geroepen en heb ik jullie uit hun greep bevrijd. [13] Maar telkens keren jullie mij weer de rug toe om andere goden te dienen. Daarom bevrijd ik jullie niet meer. [14] Roep die goden maar te hulp aan wie jullie de voorkeur hebben gegeven. Laten zij jullie nu maar uitkomst brengen!’ [15] Toen zeiden de Israëlieten tot de HEER: ‘Wij hebben gezondigd. Doe met ons wat u goeddunkt, alleen, bevrijd ons nog deze ene keer.’ [16]En ze deden de vreemde goden weg en dienden de HEER. Toen kon de HEER niet langer aanzien hoe moeilijk Israël het had. [17] De Ammonieten brachten een leger op de been en sloegen hun kamp op in Gilead. De Israëlieten verzamelden zich en sloegen hun kamp op in Mispa. [18] De leiders van Gilead zeiden tegen elkaar: ‘Degene die als eerste de strijd durft aan te binden met de Ammonieten, komt aan het hoofd te staan van heel Gilead.’
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.