De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Rechters
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 16
Simson in Gaza
[1] Op zekere dag ging Simson naar Gaza; daar zag hij een hoer en hij ging bij haar binnen. [2] Toen de inwoners van Gaza ter ore kwam dat Simson in de stad was, zetten zij overal posten uit en bleven de hele nacht bij de stadspoort op hem loeren. Zolang het nacht was, deden zij verder niets; ze dachten: ‘Als het licht wordt, vermoorden we hem.’ [3] Tot middernacht bleef Simson slapen, maar toen stond hij op, pakte de beide deuren van de stadspoort vast, met de twee deurposten, rukte ze los, met grendel en al, en droeg ze op zijn schouders naar de top van de berg nabij Hebron.

Simson en Delila
     [4] Enige tijd later werd hij verliefd op een vrouw uit het Sorek-dal; zij heette Delila. [5] De vorsten van de Filistijnen gingen naar haar toe en zeiden: ‘Probeer er eens achter te komen wat het geheim is van zijn grote kracht, en hoe wij hem kunnen overmeesteren om hem in de boeien te slaan en machteloos te maken; dan krijgt u elfhonderd sikkel zilver van ieder van ons.’ [6] Delila zei dus tegen Simson: ‘Toe, vertel me toch wat het geheim is van je grote kracht. Waarmee zou men je moeten boeien om je machteloos te maken?’ [7] Simson antwoordde: ‘Als men mij bindt met zeven verse pezen die nog niet zijn gedroogd, dan ben ik even zwak als ieder ander.’ [8] De vorsten van de Filistijnen bezorgden haar zeven verse pezen die nog niet gedroogd waren. Daarmee bond zij hem vast, [9] terwijl enkele mannen zich in het vertrek verborgen hielden. Toen riep zij naar Simson: ‘Daar zijn de Filistijnen!’ Maar hij rukte de touwen stuk; ze knapten af als een vlasstreng die te dicht bij het vuur komt. En het geheim van zijn kracht bleef verborgen.
     [10] Toen zei Delila tegen Simson: ‘Je hebt me voor de gek gehouden. Je hebt tegen me gelogen! Zeg me waarmee je geboeid zou moeten worden.’ [11] Hij antwoordde: ‘Als men mij stevig bindt met nieuwe koorden, die nog niet zijn gebruikt, dan ben ik even zwak als ieder ander.’ [12] Delila nam dus nieuwe koorden en bond hem daarmee, terwijl enkele mannen zich in het vertrek verborgen hielden. Toen riep zij: ‘Simson! Daar zijn de Filistijnen!’ Maar hij rukte de koorden van zijn armen, alsof het draadjes waren.
     [13] Delila zei: ‘Je hebt me weer voor de gek gehouden! Je hebt me weer belogen! Zeg toch waarmee je vastgebonden zou moeten worden.’ Hij antwoordde: ‘Je moet de zeven vlechten van mijn hoofdhaar door de schering van het weefgetouw halen.’ [14] Zij zette dus zijn vlechten vast aan een pin van de weefstoel en riep: ‘Simson! De Filistijnen!’ Hij werd wakker en rukte de pin los, met schering en al.
     [15] Daarop zei Delila: ‘Je zegt wel dat je van mij houdt, maar in je hart geef je niets om mij. Dit is nu al de derde keer dat je me voor de gek houdt en me niet vertelt wat het geheim is van je grote kracht.’ [16] Toen zij hem bleef lastigvallen en dag in dag uit maar aanhield, kon hij het niet meer harden [17] en vertelde haar de waarheid: ‘Mijn hoofdhaar is nog nooit afgeschoren, omdat ik aan God gewijd ben, van de moederschoot af. Als mijn haren worden afgeschoren verlies ik mijn kracht en ben ik even zwak als ieder ander. ‘ [18] Delila begreep dat hij nu de waarheid gesproken had. Zij liet de vorsten van de Filistijnen roepen en zei hun: ‘Nu moet u komen, want nu heeft hij de waarheid gesproken.’ Zij kwamen naar haar toe en hadden het geld bij zich. [19] Zij liet Simson op haar knieën inslapen, en riep toen iemand binnen om de zeven vlechten van zijn hoofdhaar af te scheren. Zo slaagde zij erin hem machteloos te maken; hij was zijn kracht kwijt. [20] Zij riep: ‘Simson! Daar zijn de Filistijnen!’ Hij werd wakker en dacht: ‘Ik kom er wel uit, net als de vorige keren; ik schud ze wel van mij af.’ Hij wist echter niet dat de heer hem verlaten had. [21] De Filistijnen grepen hem, staken hem de ogen uit, brachten hem naar Gaza en legden hem met twee bronzen kettingen vast. In de gevangenis moest hij de molen draaien. [22] Maar zijn hoofdhaar dat afgeschoren was begon direct weer te groeien.

Simsons dood
     [23] De vorsten van de Filistijnen kwamen bijeen om een plechtig offer te brengen aan hun god Dagon* en om feest te vieren; ze zeiden:
   ‘Onze god heeft Simson,
onze vijand, aan ons uitgeleverd!’
[24] Toen de mensen Simson zagen, loofden zij hun god en zeiden:
   ‘De grote vijand die ons land verwoestte
en velen van ons gedood heeft,
is door onze god aan ons uitgeleverd.’
[25] Toen zij in een vrolijke stemming waren gekomen, zeiden ze: ‘Ga Simson halen, dan kunnen wij lachen met hem.’ Zij haalden Simson uit de gevangenis en zij lachten en spotten met hem. Toen zij hem daarna tussen de zuilen zetten, [26] zei hij tegen de knecht die hem bij de hand hield: ‘Laat mij los; ik houd mij wel vast aan de zuilen waarop de tempel rust.’ [27] De tempel was vol mannen en vrouwen, en ook alle vorsten van de Filistijnen waren er; op het dak bevonden zich ongeveer drieduizend mannen en vrouwen. Ze lachten allemaal om hem en bespotten hem. [28] Toen riep Simson de heer aan: ‘Heer god, denk aan mij! O God, geef mij nog één keer mijn kracht terug en laat mij met één slag mijn beide ogen op de Filistijnen wreken.’ [29] Daarop tastte Simson naar de twee middelste zuilen waarop de tempel rustte en steunde met zijn rechterhand tegen de ene zuil en met zijn linkerhand tegen de andere. [30] Terwijl hij dacht: ‘Laat mij maar met de Filistijnen sterven’, duwde hij uit alle macht, en de tempel stortte in, op de vorsten en op al het volk dat zich daar bevond. Zo liet hij bij zijn dood meer mensen sterven dan tijdens heel zijn leven. [31] Zijn verwanten, zijn hele familie, kwamen het lijk halen en begroeven het tussen Sora en Estaol in het graf van zijn vader Manoach. Twintig jaar was Simson rechter geweest over Israël.
Hoofdstuk 16
Simson en Delila
[1] Op een keer was Simson in Gaza. Daar viel zijn oog op een hoer en hij ging bij haar naar binnen. [2] De inwoners van Gaza kwamen erachter dat Simson in de stad was. De waakzaamheid in de stad werd verhoogd en bij de stadspoort hield een aantal mannen zich gereed om hem te overmeesteren; verder deden ze die nacht nog niets. ‘Zodra het licht wordt zullen we hem doden,’ zeiden ze. [3] Maar Simson sliep niet langer dan tot middernacht, toen stond hij op. Bij de stadspoort gekomen greep hij de beide deurposten vast en rukte ze los met deuren en sluitbalk en al; hij nam het hele gevaarte op zijn schouders en droeg het weg, helemaal naar een van de bergtoppen tegenover Hebron.
     [4] Enige tijd later begon Simson een verhouding met een vrouw uit het Sorekdal, een zekere Delila. [5] De Filistijnse stadsvorsten gingen naar Delila toe en zeiden tegen haar: ‘Haal Simson over om u te vertellen waarin zijn geweldige kracht schuilt en wat we moeten doen om hem weerloos te maken. Dan kunnen we hem gevangennemen, zodat we geen last meer van hem hebben, en krijgt u van ieder van ons elfhonderd sjekel zilver.’ [6] Dus vroeg Delila aan Simson: ‘Vertel me eens: waarin schuilt toch je geweldige kracht? Hoe kan iemand je zo boeien dat je weerloos wordt?’ [7] Simson antwoordde: ‘Als ik geboeid word met zeven verse, soepele pezen, dan ben ik even zwak als ieder ander.’ [8] De Filistijnse vorsten stuurden Delila zeven verse, soepele pezen. Daarmee bond ze hem vast, [9] terwijl in het vertrek ernaast een aantal Filistijnen klaarstond om hem te overmeesteren. Toen riep ze: ‘De Filistijnen komen je halen, Simson!’ Maar hij liet de pezen knappen als hennepvezels die te dicht bij het vuur komen. Het geheim van zijn kracht bleef in raadselen gehuld. [10] ‘Wat is dat nu?’ zei Delila tegen Simson. ‘Je hebt me voor de gek gehouden en leugens opgedist! Vertel me nu echt hoe je geboeid moet worden.’ [11] Simson antwoordde: ‘Als ik word vastgebonden met nieuwe, ongebruikte touwen, dan ben ik even zwak als ieder ander.’ [12] Toen nam Delila nieuwe touwen en bond hem daarmee vast. Weer riep ze: ‘De Filistijnen komen je halen, Simson!’ Maar terwijl de Filistijnen al klaarstonden om hem te overmeesteren, liet Simson de touwen als draadjes van zijn armen knappen. [13] ‘Je hebt me weer voor de gek gehouden en met leugens afgescheept!’ zei Delila. ‘Vertel me nu eindelijk hoe je geboeid moet worden.’ En Simson zei: ‘Als je mijn zeven haarvlechten inweeft in het weefgetouw en ze met een pin vastzet in de wand, dan ben ik even zwak als ieder ander.’ Zodra hij in slaap was gevallen, weefde Delila zijn zeven haarvlechten door de schering van haar weefgetouw* [14] en stak het weefsel vast met een pin. Toen riep ze: ‘De Filistijnen komen je halen, Simson!’ Simson werd wakker, rukte de pin los en trok zijn haarvlechten uit het weefgetouw, met schering en al. [15] ‘Hoe kun je zeggen dat je van me houdt?’ zei Delila. ‘Je vertrouwt me niet eens! Tot drie keer toe heb je me voor de gek gehouden in plaats van me te vertellen waarin je geweldige kracht schuilt.’ [16] Zo bleef ze hem dag in dag uit met verwijten bestoken en drong net zo lang aan tot hij het niet meer uithield en bezweek. [17] ‘Nog nooit heeft een scheermes mijn hoofd aangeraakt,’ vertrouwde hij haar toe. ‘Dat is omdat ik al vanaf de moederschoot als nazireeër aan God gewijd ben. Als mijn hoofdhaar zou worden afgeschoren, zou mijn kracht me in de steek laten en zou ik net zo zwak zijn als ieder ander.’ [18] Delila voelde dat hij ditmaal de waarheid had verteld en stuurde de Filistijnse vorsten de boodschap: ‘Deze keer moet u zelf komen, want nu heeft hij mij de waarheid toevertrouwd.’ Ze kwamen naar haar toe en brachten het geld voor haar mee. [19] Zodra Simson in haar schoot in slaap was gevallen liet ze een van de Filistijnen binnenkomen, en in diens bijzijn schoor ze Simsons zeven haarvlechten af. Daardoor week zijn kracht en zo maakte zij hem weerloos. [20] ‘De Filistijnen zijn er om je te halen, Simson!’ riep ze. Simson werd wakker en wilde opspringen en zich losrukken, net als de vorige keren, want hij wist niet dat de HEER hem verlaten had. [21] Maar de Filistijnen grepen hem, staken zijn ogen uit en voerden hem mee naar Gaza, geboeid met bronzen ketenen. In Gaza werd hij in de gevangenis gezet, waar hij meel moest malen. [22] Maar zijn afgeschoren haar begon meteen weer aan te groeien.
     [23] ‘Onze god heeft onze vijand Simson aan ons uitgeleverd,’ verklaarden de Filistijnse vorsten, en daarom hielden ze een groot offerfeest ter ere van hun god Dagon.
  [24] Bij het zien van Simson juichte het volk: ‘Geloofd zij onze god, want hij levert aan ons uit
onze vijand, die ons land verwoestte,
onze vijand, die zovelen van ons doodde.’

     [25] Ze waren in een steeds vrolijker stemming geraakt, en ten slotte had iemand voorgesteld: ‘Laten we Simson erbij halen, dan kunnen we lachen.’ Simson werd uit de gevangenis gehaald en moest om de feestgangers te vermaken tussen de zuilen van de tempel gaan staan. [26] Hij vroeg aan de jongen die hem geleidde: ‘Zet me zo neer dat ik de zuilen kan aanraken waarop de tempel rust, dan kan ik daartegen steunen.’ [27] De tempel was vol mensen, onder wie de Filistijnse stadsvorsten, en er waren ook nog zo’n drieduizend mannen en vrouwen op het dak geklommen om naar Simson te kijken en hem uit te jouwen. [28] Maar Simson riep de HEER om hulp en bad: ‘HEER, mijn God, denk toch aan mij! Geef me alstublieft nog eenmaal genoeg kracht, zodat ik me voor minstens een van mijn beide ogen op de Filistijnen kan wreken.’ [29] Voorzichtig betastte hij de twee middelste steunpilaren van de tempel, zette zich met beide handen schrap [30] en riep uit: ‘Mijn dood zal de dood zijn van de Filistijnen!’ Toen duwde hij uit alle macht. De tempel stortte in en alle aanwezigen, ook de stadsvorsten, werden bedolven. Zo maakte Simson bij zijn dood meer slachtoffers dan tijdens zijn hele leven.
     [31] Zijn verwanten, zijn hele familie van vaderskant, kwamen naar Gaza om zijn lichaam op te halen. Ze namen het mee en begroeven het tussen Sora en Estaol, in het graf van zijn vader Manoach. Twintig jaar lang had hij Israël geleid.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties