Hoofdstuk 20 De strijd tegen de Benjaminieten [1] Toen gingen alle Israëlieten, van* Dan tot Berseba, en ook uit Gilead, op weg en als één man kwam de hele gemeenschap samen bij de heer in Mispa. [2] De leiders van heel het volk, van alle stammen van Israël namen deel aan de vergadering van het volk van God: vierhonderdduizend* man voetvolk met zwaarden gewapend. [3] De Benjaminieten hoorden dat de Israëlieten naar Mispa waren getrokken. De Israëlieten zeiden: ‘Vertel ons hoe het misdrijf heeft plaatsgevonden.’ [4] De Leviet, de man van wie de vrouw vermoord was, nam het woord en zei: ‘Ik was met mijn bijvrouw naar Gibea in Benjamin gegaan om daar de nacht door te brengen. [5] Maar de burgers van Gibea kwamen op mij af en omsingelden ’s nachts het huis. Ze wilden mij vermoorden, ze hebben mijn bijvrouw verkracht en zij is gestorven. [6] Toen heb ik haar lijk in stukken gesneden en die naar alle delen van het gebied van Israël gestuurd, omdat er een misdaad begaan was, een schanddaad in Israël. [7] Israëlieten, u bent nu hier , overleg met elkaar en neem een beslissing.’ [8] Heel het volk stond als één man op en verklaarde: ‘Niemand van ons gaat terug naar zijn tent, niemand gaat naar huis! [9] En dit doen wij met Gibea: We trekken tegen de stad op. [10] Uit alle stammen van Israël wijzen wij door het lot mannen aan, tien op de honderd, honderd op de duizend, duizend op de tienduizend, om proviand te halen voor het leger. Dat leger zal dan aan Gibea en Benjamin de schanddaad vergelden die ze in Israël begaan hebben.’ [11] Zo sloten alle Israëlieten zich aaneen, om gezamenlijk tegen de stad op te trekken. [12] De stammen van Israël stuurden boden door heel de stam Benjamin en lieten zeggen: ‘Hoe kon zoiets ergs bij u gebeuren! [13] Lever die onverlaten uit Gibea aan ons uit, dan brengen wij hen ter dood en roeien het kwaad in Israël uit.’ Maar de Benjaminieten wilden niet luisteren naar de Israëlieten, hun broeders. [14] Uit al hun steden kwamen zij naar Gibea om te vechten tegen de Israëlieten. [15] Bij de telling van de Benjaminieten die toen werd gehouden, bleken er uit de andere steden zesentwintigduizend gewapende mannen te zijn, de zevenhonderd weerbare mannen van Gibea zelf niet meegerekend. [16] In dat leger waren zevenhonderd linkshandige soldaten, slingeraars, die met hun steen zo haarfijn konden mikken dat ze nooit misten. [17] Ook de andere Israëlieten, zonder Benjamin, werden geteld: het waren veertigduizend gewapende mannen, allen dappere soldaten. [18] De Israëlieten trokken naar Betel en wendden zich tot God met de vraag: ‘Wie van ons moet voorop gaan als wij tegen Benjamin optrekken?’ De heer antwoordde: ‘Juda gaat voorop.’ [19] De volgende ochtend sloegen de Israëlieten hun kamp op voor Gibea. [20] De Israëlieten trokken uit tegen Benjamin en stelden zich op voor de aanval, [21] maar de Benjaminieten kwamen de stad uit en sloegen die dag tweeëntwintigduizend Israëlieten neer. [22] De Israëlieten hielden vol en stelden zich weer op voor de strijd, op dezelfde plaats als de vorige dag. [23] Zij gingen naar de heer en klaagden tot de avond hun leed voor het aangezicht van de heer. Ten slotte raadpleegden zij de heer en vroegen: ‘Moet ik opnieuw de zonen van mijn broeder Benjamin aanvallen?’ En de heer zei: ‘Ja, val hen aan.’ [24] De volgende dag gingen de Israëlieten weer tot de aanval over, [25] maar ook die tweede dag kwam Benjamin de stad uit en opnieuw sloeg hij achttienduizend gewapende Israëlieten neer. [26] Toen gingen alle Israëlieten, het hele leger, naar Betel. Zij zetten zich neer voor de heer en klaagden daar. Zij vastten die dag tot de avond en droegen aan de heer brand- en slachtoffers op. [27] Ten slotte raadpleegden ze de heer. In die tijd stond de ark van het verbond van God in Betel; Pinechas, zoon van Eleazar, de zoon van Aäron, deed er dienst. [28] Zij vroegen: ‘Moet ik nu nog eens uittrekken tegen de zonen van mijn broeder Benjamin of moet ik het opgeven?’ De heer antwoordde: ‘Ruk uit: morgen lever Ik hen aan u uit.’ [29] Toen legden de Israëlieten rondom Gibea hun troepen in een hinderlaag. [30] De derde dag rukten de Israëlieten uit tegen de Benjaminieten en stelden zich weer op voor de strijd tegen Gibea, net als de vorige keren. [31] Ook nu kwamen de Benjaminieten uit de stad, het leger tegemoet; zij lieten zich daarbij ver van de stad weglokken. Eerst ging het net als de vorige keren: zij sloegen enige Israëlieten neer op de weg die door het open veld van Gibea naar Betel voert, ongeveer dertig man. [32] Toen dachten de Benjaminieten: ‘Wij hebben hen alweer verslagen, net als de vorige keren.’ Maar de Israëlieten hadden afgesproken: ‘Wij gaan op de vlucht en lokken hen van de stad weg, de wegen op.’ [33] Zo maakten de Israëlieten een terugtrekkende beweging en stelden zich in Baäl-Tamar weer op. Intussen kwamen de verdekt opgestelde Israëlieten uit hun schuilplaatsen bij Gibea tevoorschijn. [34] Zij drongen door tot vlak voor Gibea, tienduizend weerbare mannen uit heel Israël. De strijd was hevig en de Benjaminieten zagen niet dat hun ondergang nabij was. [35] De heer sloeg Benjamin onder de ogen van Israël, en de Israëlieten doodden die dag vijfentwintigduizend honderd gewapende Benjaminieten. [36] De Benjaminieten zagen dat zij verslagen waren. De Israëlieten trokken zich terug, omdat zij rekenden op de troepen die zij bij Gibea in een hinderlaag hadden gelegd. [37] Deze troepen kwamen snel op Gibea af, overrompelden de stad en doodden alle inwoners met het zwaard. [38] Zij hadden met de Israëlieten afgesproken dat ze vanuit de stad een rooksignaal zouden geven. [39] Nadat het gevecht begonnen was, weken de Israëlieten terug. De Benjaminieten, die al een dertigtal van hen gedood hadden, dachten: ‘Wij hebben hen opnieuw verslagen, net als in het eerste gevecht.’ [40] Toen begon uit de stad een rookkolom op te stijgen, het afgesproken signaal. De Benjaminieten keken op en zagen de hele stad in vlammen opgaan. [41] De Israëlieten gingen opnieuw tot de aanval over; de Benjaminieten raakten in paniek, want ze zagen dat hun ondergang nabij was. [42] Zij sloegen voor de Israëlieten op de vlucht, de kant van de woestijn uit. Ze konden echter de strijd niet ontlopen. De Israëlieten uit de stad sneden hun de pas af en sloegen hen neer. [43] Zij sloten de Benjaminieten in, achtervolgden hen en joegen hen voort tot aan de oostzijde van Gibea, zonder hun rust te gunnen. [44] Achttienduizend Benjaminieten sneuvelden, allen strijdbare mannen. [45] De Benjaminieten sloegen op de vlucht, de woestijn in, naar de rots van Rimmon, maar op de weg daarheen wisten de Israëlieten nog vijfduizend man van hen te doden. Bij de achtervolging tot Gibeon sloegen zij tweeduizend Benjaminieten neer. [46] Van Benjamin sneuvelden op die dag in totaal vijfentwintigduizend gewapende mannen, allen dappere soldaten. [47] Zeshonderd mannen sloegen op de vlucht, de woestijn in, naar de rots van Rimmon, en op die rots hielden zij vier maanden lang stand. [48] De Israëlieten keerden terug naar de Benjaminieten in de stad en sloegen hen met het zwaard, mensen en dieren, alles wat er te vinden was. Ook alle andere steden werden in brand gestoken.
Hoofdstuk 20 Gibea en Benjamin gestraft [1] Uit heel Israël, van Dan tot Berseba, en zelfs uit Gilead, kwamen de Israëlieten naar het heiligdom van de HEER in Mispa om daar een volksvergadering te houden. [2] Deze vergadering van het volk van God, vierhonderdduizend man die de wapens konden hanteren, werd geleid door de aanvoerders van het volk, de hoofden van de stammen van Israël. [3] Het bleef in Benjamin niet onopgemerkt dat de andere Israëlieten naar Mispa waren gekomen. De Israëlieten vroegen: ‘Wie kan ons vertellen hoe dit misdrijf heeft plaatsgevonden?’ [4] De Leviet, de man van de vermoorde vrouw, nam het woord en zei: ‘Toen ik met mijn bijvrouw op doorreis was in Gibea in Benjamin, [5] kwamen de burgers van de stad mij lastigvallen. Ze liepen ’s nachts te hoop bij het huis waar we onderdak hadden gekregen. Mij bedreigden ze met de dood en mijn vrouw hebben ze zo gruwelijk verkracht dat ze het niet heeft overleefd. [6] Ik heb haar lichaam in stukken gesneden en die naar alle delen van het gebied van Israël gestuurd om te laten zien dat er een misdaad is begaan die voor Israël geldt als een schandelijk en ontoelaatbaar vergrijp. [7] U bent hier bijeengekomen, Israëlieten, om gezamenlijk te beslissen wat er moet gebeuren.’ [8] Hierop stond het hele volk als één man op en verklaarde: ‘Niemand van ons gaat terug naar zijn tent of huis. [9] We zullen Gibea niet ongemoeid laten! Door loting [10] zullen tien op de honderd van elke stam van Israël worden aangewezen, ofwel honderd op de duizend of duizend op de tienduizend. Die moeten proviand bijeenbrengen voor het leger dat in Gibea de schanddaad zal vergelden die de inwoners ervan Israël hebben aangedaan.’ [11] Zo sloten de Israëlieten zich aaneen om als één man tegen Gibea op te trekken. [12] De stammen van Israël stuurden boden uit die in heel Benjamin moesten vragen: ‘Hoe heeft er bij u zo’n misdaad kunnen plaatsvinden? [13] Lever die onverlaten in Gibea aan ons uit, dan zullen we hen doden en zo afrekenen met het kwaad dat in Israël werd begaan.’ Maar de Benjaminieten gaven geen gehoor aan de oproep van hun volksgenoten. [14] Uit alle steden in hun stamgebied kwamen ze naar Gibea om de strijd aan te binden tegen de andere Israëlieten. [15] Afgezien van de inwoners van Gibea zelf meldden zich uit de steden van Benjamin zesentwintigduizend man die de wapens konden hanteren. Zevenhonderd van hen waren uitzonderlijk goede krijgslieden: [16] dat waren zevenhonderd linkshandige slingeraars die zo haarscherp konden mikken dat ze hun doel nooit misten. [17] De overige Israëlieten, met uitzondering dus van Benjamin, telden vierhonderdduizend man die de wapens konden hanteren; het waren stuk voor stuk ervaren krijgslieden. [18] Voor de aanvang van de strijd gingen de Israëlieten naar Betel om God te raadplegen: ‘Wie van ons moet als eerste oprukken tegen de Benjaminieten?’ vroegen ze. ‘Juda,’ antwoordde de HEER. [19] De volgende morgen vroeg sloegen de Israëlieten hun kamp op bij Gibea. [20] Ze rukten uit tegen de Benjaminieten en stelden zich in slagorde op om de stad aan te vallen. [21] Het leger van Benjamin deed een uitval vanuit de stad en doodde die dag tweeëntwintigduizend man van Israëls leger. [22] Maar de Israëlieten gaven de moed niet op en stelden op dezelfde plaats als de keer daarvoor nieuwe linies op. [23] Ze waren na afloop van de slag naar Betel gegaan en hadden daar tot de avond viel ten overstaan van de HEER hun leed geklaagd. Ten slotte hadden ze de HEER geraadpleegd en gevraagd of ze hun broeders, de Benjaminieten, opnieuw moesten aanvallen. ‘Ja,’ had de HEER geantwoord, ‘val hen aan.’ [24] Toen de Israëlieten op de tweede dag nogmaals tot de aanval overgingen, [25] deden de Benjaminieten opnieuw een uitval vanuit de stad en doodden nog eens achttienduizend bedreven Israëlitische krijgslieden. [26] Daarop ging het voltallige leger van de Israëlieten naar Betel. Ze vastten de hele dag en klaagden op de grond gezeten hun leed ten overstaan van de HEER. Toen de avond was gevallen, brachten ze de HEER brandoffers en vredeoffers. [27] Daarna raadpleegden ze de HEER. De ark van het verbond met God bevond zich in die tijd namelijk in Betel, [28] en de priester Pinechas, die een zoon was van Eleazar, de zoon van Aäron, deed er dienst in het heiligdom. ‘Moeten we onze broeders, de Benjaminieten, nog een keer aanvallen of moeten we het opgeven?’ vroegen ze, en de HEER antwoordde: ‘Val aan, morgen lever ik hen aan jullie uit.’ [29] Enkele Israëlitische eenheden stelden zich verdekt op rondom Gibea. [30] Ook op de derde dag rukte de hoofdmacht op tegen de Benjaminieten, en net als de vorige keren stelde men zich in slagorde op om de stad aan te vallen. [31] Weer deden de Benjaminieten een uitval naar het leger van Israël, maar nu werden ze weggelokt van de stad. Even buiten de stad, bij de splitsing van de weg naar Gibea en de weg naar Betel kwam het tot een eerste treffen, waarbij net als de vorige keren slachtoffers vielen onder het leger van Israël, ongeveer dertig man. [32] De Benjaminieten dachten al dat ze voor de derde maal de overwinning hadden behaald, maar de Israëlieten hadden afgesproken om te doen alsof ze vluchtten en zo de Benjaminieten via de gebaande wegen van de stad weg te lokken. [33] Terwijl de hoofdmacht van de Israëlieten zich terugtrok en zich in slagorde opstelde bij Baäl-Tamar, kwamen de mannen die zich aan de onbeschermde kant van Gibea schuilhielden te voorschijn [34] en rukten op naar de stad: tienduizend van de beste Israëlitische krijgslieden. Bij Baäl-Tamar brandde de strijd nu in alle hevigheid los; de Benjaminieten wisten nog niet welk onheil hun boven het hoofd hing. [35] Die dag schonk de HEER de overwinning aan Israël: de Israëlieten doodden vijfentwintigduizend en honderd bewapende Benjaminieten. [36] De Benjaminieten moesten ondervinden dat de strijd voor hen verloren was. De Israëlieten waren immers zo ver teruggeweken omdat ze rekenden op de mannen die zich bij Gibea verdekt hadden opgesteld. [37] Die hadden ondertussen een verrassingsaanval op de stad uitgevoerd en alle inwoners gedood. [38] Met de hoofdmacht van het leger was afgesproken dat er rook uit de stad zou opstijgen* wanneer het zover was. [39] De hoofdmacht van het leger week dus terug, en de Benjaminieten zagen kans om onder de Israëlieten meteen zo’n dertig slachtoffers te maken. Daarom dachten ze al dat ze de slag gewonnen hadden, net als de vorige keren. [40] Maar op dat moment begonnen uit de stad dikke rookwolken op te stijgen. Toen de Benjaminieten omkeken, zagen ze hoe achter hen de hele stad in vlammen opging. [41] Op hetzelfde moment stortte de hoofdmacht van het Israëlitische leger zich op hen. Nu begrepen de Benjaminieten welk onheil hun boven het hoofd hing. In paniek [42] sloegen ze voor de Israëlieten op de vlucht, de kant van de woestijn uit. Maar ze konden de strijd niet ontlopen, want de Israëlieten uit Gibea* sneden hun de pas af en sloegen hen neer. [43] Ze sloten de Benjaminieten in en achtervolgden hen; zonder hun rust te gunnen* joegen ze hen op tot ver ten oosten van Gibea. [44] Er sneuvelden achttienduizend Benjaminieten, stuk voor stuk moedige krijgslieden. [45] De overigen probeerden te ontkomen in de richting van de woestijn, naar de rotsen van Rimmon. Maar de Israëlieten haalden hen in en doodden nog eens vijfduizend man. Ter hoogte van Gidom versloegen ze er nog tweeduizend. [46] Al met al sneuvelden er die dag vijfentwintigduizend bedreven Benjaminitische soldaten, zonder uitzondering moedige krijgslieden. [47] Slechts zeshonderd Benjaminieten wisten te ontkomen naar de woestijn, waar ze zich vier maanden lang schuilhielden in de rotsholen van Rimmon. [48] Het leger van Israël ging terug om af te rekenen met de Benjaminieten die niet aan de strijd hadden deelgenomen. Ze trokken van stad tot stad en doodden er mens en dier zonder ook maar iets of iemand te ontzien. En elke stad waar ze geweest waren, lieten ze in vlammen opgaan.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.