De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Rechters
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 6
De roeping van Gideon
[1] De Israëlieten deden opnieuw wat de heer mishaagt, en hij leverde hen zeven jaar lang over aan de Midjanieten*, [2] zodat die Israël in hun macht kregen. Uit vrees voor de Midjanieten richtten de Israëlieten in het gebergte schuilplaatsen in, in holen en vestingen. [3] Telkens als de Israëlieten gezaaid hadden, rukten de Midjanieten met de Amalekieten en andere oosterlingen* tegen hen op. [4] Zij sloegen hun kamp op tegen hen en vernielden de oogst in heel het land, tot Gaza toe. Zij lieten in Israël geen voedsel meer over, ook geen schapen, geen ossen en geen ezels. [5] Want zij kwamen aan met hun kudden en hun tenten, zo talrijk als sprinkhanen, een ontelbare massa mannen en kamelen; zij vielen het land binnen en verwoestten het. [6] Toen de Israëlieten door de Midjanieten tot grote armoede waren gebracht, begonnen zij de heer aan te roepen.
     [7] En toen de Israëlieten onder druk van de Midjanieten de heer aanriepen, [8] zond Hij hun een profeet, die hun zei: ‘Zo spreekt de heer, de God van Israël: Ik heb u uit Egypte geleid en u weggehaald uit dat slavenhuis. [9] Ik heb u bevrijd uit de macht van de Egyptenaren en van al uw onderdrukkers. Ik heb hen voor u verdreven en u hun land gegeven. [10] Ik heb u gezegd: “Ik ben de heer, uw God; ook al woont u in het land van de Amorieten, u mag hun goden niet vereren.” Maar u hebt niet naar mijn stem geluisterd.’
     [11] Toen kwam de engel* van de heer en ging zitten onder de terebint van Ofrat, die het eigendom was van Joas, van Abiëzer. Zijn zoon Gideon was bezig tarwe uit te kloppen in een perskuip, om niet door de Midjanieten gezien te worden. [12] De engel van de heer verscheen daar voor hem en zei: ‘De heer is met u, dappere held.’ [13] Gideon antwoordde: ‘Neem me niet kwalijk, heer: als de heer inderdaad met ons is, waarom is ons dit alles dan overkomen? Waar zijn de wonderen waarover onze voorvaderen ons verteld hebben; zij zeiden toch: “De heer heeft ons uit Egypte geleid.” Maar nu heeft de heer ons verstoten en ons aan de Midjanieten overgeleverd.’ [14] Toen richtte de heer zich tot hem en zei: ‘Trek op tegen de Midjanieten! U bent sterk genoeg om Israël uit hun macht te bevrijden. Ik ben het die u zendt.’
     [15] En Gideon zei: ‘Neem me niet kwalijk, Heer: hoe zou ik Israël kunnen bevrijden? Mijn stamhuis is het armste van heel Manasse en ik ben de jongste van de familie.’ [16] Maar de heer zei: ‘Ik zal bij u zijn; u zult de Midjanieten verslaan alsof het maar één enkele man was.’ [17] Maar Gideon hield aan: ‘Als ik genade heb gevonden in uw ogen, geef mij dan een teken dat U het bent, die met mij spreekt. [18] En ga niet weg voor ik terug ben en U een geschenk heb aangeboden.’ De heer antwoordde: ‘Ik blijf hier tot u terug bent.’ [19] Gideon ging naar huis, maakte een geitenbokje klaar en een efa ongezuurde broden. Hij deed het vlees in een mand en de saus in een kom; die bracht hij naar Hem toe onder de terebint en bood ze Hem aan. [20] De engel van God sprak: ‘Leg het vlees en de ongezuurde broden daar op dat rotsblok en giet de saus erover uit.’ Gideon deed dat. [21] De engel van de heer stak de stok die Hij in zijn hand had uit naar het vlees en de ongezuurde broden, en raakte die met de punt van de stok aan; toen laaide er uit het rotsblok een vuur op dat het vlees en de ongezuurde broden verteerde. Daarop verdween de engel van de heer uit zijn ogen. [22] Nu begreep Gideon dat het de engel van de heer was geweest. Hij zei: ‘Wee mij, Heer god, want ik heb oog in oog gestaan met de engel van de heer.’ [23] Maar de heer verzekerde hem: ‘Vrede is met u; wees niet bang, u zult niet sterven.’ [24] Toen bouwde Gideon daar een altaar voor de heer en noemde het: ‘De heer is vrede.’ Dat altaar staat nog in Ofrat, de stad van Abiëzer, tot op de dag van vandaag.

Vernieling van het altaar van Baäl
     [25] Die* nacht zei de heer tegen Gideon: ‘Neem een stier van uw vader, een vette stier van zeven jaar, verniel het altaar van Baäl dat van uw vader is, en hak de heilige paal om die erbij staat. [26] Richt hier, op de top van de versterkte plaats, een goed gebouwd altaar op voor de heer uw God, en draag de vette stier op als brandoffer, op het hout van de omgehakte paal.’
     [27] Geholpen door tien van zijn knechten voerde Gideon de opdracht van de heer uit. Maar hij durfde het niet overdag te doen; uit angst voor zijn familie en voor de mensen uit de stad deed hij het ’s nachts. [28] De volgende ochtend ontdekten de mensen uit de stad dat het altaar van Baäl vernield was, dat de heilige paal die erbij stond was omgehakt en dat op een nieuw gebouwd altaar een vette stier was geofferd. [29] Zij zeiden tegen elkaar: ‘Wie zou dat gedaan hebben?’ Zij deden navraag, stelden een onderzoek in en stelden vast: ‘Gideon, de zoon van Joas, heeft het gedaan.’ [30] Daarop zeiden de mensen uit de stad tegen Joas: ‘Lever uw zoon uit. Hij moet sterven, want hij heeft het altaar van Baäl vernield en de heilige paal die erbij stond omgehakt.’ [31] Maar Joas zei tegen de omstanders: ‘Wilt u het soms voor Baäl opnemen? Wilt u Baäl redden? Wie het voor hem opneemt, wordt vóór morgenochtend gedood. Als hij god is, laat hij dan zelf voor zijn zaak opkomen, want zijn altaar is vernield.’ [32] Die dag kreeg Gideon de naam Jerubbaäl*, want men zei: ‘Laat Baäl het tegen hem opnemen, omdat hij zijn altaar vernield heeft.’
     [33] De Midjanieten, de Amalekieten en de andere stammen uit het oosten hadden zich aaneengesloten, waren de Jordaan overgetrokken en hadden hun kamp opgeslagen in de vlakte van Jizreël. [34] Toen kwam de geest* van de heer over Gideon; hij blies de bazuin en de mannen van Abiëzer sloten zich bij hem aan. [35] Hij zond boden door heel het gebied van Manasse en ook deze stam sloot zich bij hem aan. Ook naar Aser, Zebulon en Naftali stuurde hij boden, en ook deze stammen sloten zich bij hem aan.
     [36] Gideon sprak tot God: ‘Als U Israël werkelijk door mijn hand wilt bevrijden, zoals U beloofde, [37] laat dan de dauw alleen op de wollen vacht komen die ik hier op de dorsvloer leg, en laat de grond eromheen droog blijven; dan weet ik dat U Israël door mijn hand zult bevrijden, zoals U beloofde.’
     [38] En zo gebeurde het: toen hij de volgende ochtend opstond, wrong hij de dauw uit de vacht: een hele schaal vol water.
     [39] Weer sprak Gideon tot God: ‘Word niet kwaad op mij als ik U nog één keer iets vraag. Ik zou nog een proef willen nemen met de vacht; laat nu alleen de vacht droog blijven, terwijl op de grond rondom de dauw valt.’ [40] En God deed dat de volgende nacht: alleen de vacht bleef droog, en op de grond lag overal dauw.
Hoofdstuk 6
Gideon geroepen
[1] Maar de Israëlieten deden wat slecht is in de ogen van de HEER. Daarom leverde hij hen uit aan het volk van Midjan, dat hen zeven jaar achtereen kwam plunderen. Uit angst voor de Midjanieten richtten de Israëlieten in bergspleten, grotten en op andere moeilijk bereikbare plekken schuilplaatsen in. [3] Elk jaar wanneer het gewas op het veld stond, kwamen de Midjanieten, de Amalekieten en nog andere woestijnvolken uit het oosten aanzetten en vielen ze Israël binnen. [4] Ze sloegen er hun tenten op en vernietigden de oogsten, tot helemaal in Gaza. Niets lieten ze voor de Israëlieten over om van te leven, nog geen schaap, geen rund en geen ezel. [5] Als een zwerm sprinkhanen kwamen ze aanzetten met hun vee en hun tenten: een onafzienbare massa mensen en kamelen die het land binnenviel en alles verwoestte. [6] Door toedoen van Midjan verviel Israël tot bittere armoede, en het volk riep de HEER te hulp.
     [7] Toen de Israëlieten de HEER tegen de Midjanieten te hulp riepen, [8] stuurde hij een profeet, die hun zei: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Ik ben het die jullie uit Egypte heeft geleid, ik heb jullie verlost uit de slavernij. [9] Ik heb jullie bevrijd uit de greep van de Egyptenaren en van de volken die jullie hier bedreigden; die heb ik voor jullie weggejaagd en ik heb jullie hun land gegeven. [10] En ik heb jullie gezegd: Ook al wonen jullie nu in het land van de Amorieten, hun goden mogen jullie niet vereren want ik, de HEER, ben jullie God. Maar jullie hebben niet geluisterd naar wat ik zei.’
     [11] Toen kwam er een engel van de HEER. Hij nam plaats onder de terebint bij Ofra, op het land van Joas, een afstammeling van Abiëzer. Joas’ zoon Gideon was juist bezig tarwe te dorsen. Om te zorgen dat de Midjanieten de tarwe niet zouden zien, deed hij dat in de wijnpers. [12] De engel van de HEER vertoonde zich aan hem en zei: ‘De HEER zij met je, dappere krijgsman.’ [13] ‘Mag ik u vragen,’ antwoordde Gideon, ‘als de HEER ons werkelijk bijstaat, waarom overkomt dit ons dan allemaal? Waar blijft hij dan met zijn wonderbaarlijke daden, waarover onze voorouders hebben verteld? Uit Egypte heeft hij ze geleid, zeiden ze toch? Nu trekt hij zich in elk geval niets van ons aan en zijn we overgeleverd aan de Midjanieten!’ [14] Toen wendde de HEER zich tot Gideon en zei: ‘Toon je moed en bevrijd Israël, dat is mijn opdracht.’ [15] ‘Mag ik u vragen,’ antwoordde Gideon, ‘hoe zou ik Israël kunnen bevrijden? Mijn familie heeft in onze stam, Manasse, niets in te brengen, en ikzelf ben de jongste van de familie.’ [16] De HEER antwoordde: ‘Dat kun je omdat ik je bijsta. Je zult de Midjanieten verslaan alsof je met niet meer dan één man te doen had.’ [17] Toen zei Gideon: ‘Heer, als ú het bent die tot mij spreekt en ik uw gunst geniet, geef me dan een teken. [18] Gaat u vooral niet weg, ik wil iets halen om u aan te bieden.’ ‘Goed,’ antwoordde de HEER, ‘ik blijf hier totdat je terugkomt.’
     [19] Gideon ging snel naar huis, maakte een geitenbokje klaar en bakte ongedesemd brood van een efa tarwebloem. Hij legde het vlees in een mand en goot het kookvocht in een kom, bracht het naar degene die onder de terebint zat te wachten en bood het hem aan. [20] De engel van God zei tegen hem: ‘Leg het vlees en de broden hier op dit rotsblok en giet het kookvocht erover uit.’ Gideon deed wat hem gevraagd was. [21] Toen raakte de engel van de HEER met het uiteinde van zijn staf het voedsel aan en meteen laaide er een vuur uit het rotsblok op dat het vlees en de broden verteerde. Tegelijk was ook de engel van de HEER verdwenen. [22] Toen begreep Gideon dat het een engel van de HEER was geweest, en hij riep uit: ‘Nee, HEER! Nee, mijn God! Ik heb oog in oog gestaan met een engel van de HEER!’ [23] Maar de HEER stelde hem gerust: ‘Je hoeft niet bang te zijn, je zult niet sterven.’ [24] Gideon bouwde op die plek een altaar voor de HEER, en noemde het ‘De HEER geeft rust’. Tot op de dag van vandaag staat dat altaar op het land van de afstammelingen van Abiëzer in Ofra.
     [25] Diezelfde nacht zei de HEER tegen Gideon: ‘Neem de stier van je vader, dat prachtbeest dat nu al zeven jaar gespaard is. Sloop het altaar dat je vader voor Baäl heeft opgericht en hak de Asjerapaal die ernaast staat om. [26] Bouw voor de HEER, je God, een altaar op het hoogste punt van het ommuurde terrein, zoals het hoort. Maak met het hout van de omgehakte Asjerapaal een vuur om de stier te offeren.’ [27] Gideon nam tien van zijn knechten mee en deed wat de HEER hem had opgedragen. Uit vrees voor zijn familie en stadsgenoten durfde hij het niet overdag te doen, daarom deed hij het ’s nachts. [28] De volgende ochtend zagen de inwoners van de stad dat het altaar van Baäl was afgebroken en dat de Asjerapaal ernaast was omgehakt. Ze zagen ook dat de stier was geofferd, en wel op een nieuw altaar. [29] Ze vroegen zich af wie dat gedaan kon hebben, en na enig onderzoek kwamen ze erachter dat Gideon, de zoon van Joas, de schuldige was. [30] Toen eisten ze van Joas: ‘Lever uw zoon aan ons uit. Hij moet sterven, want hij heeft het altaar van Baäl gesloopt en de Asjerapaal omgehakt.’ [31] Maar Joas zei tegen de mensen die bij zijn huis te hoop waren gelopen: ‘U wilt het voor Baäl opnemen? U wilt hem te hulp komen? Wie het voor Baäl opneemt, zal nog voor de ochtend sterven! Als Baäl een god is, zal hij wel voor zichzelf opkomen wanneer iemand zijn altaar heeft gesloopt.’ [32] En hij gaf Gideon de naam Jerubbaäl, en zei: ‘Laat Baäl het maar tegen hem opnemen omdat hij zijn altaar heeft gesloopt.’
     [33] Weer sloten de Midjanieten, de Amalekieten en andere woestijnvolken uit het oosten zich aaneen. Ze staken de Jordaan over en sloegen hun tenten op in de vallei van Jizreël. [34] Toen kwam de geest van de HEER over Gideon. Hij blies op de ramshoorn om de afstammelingen van Abiëzer onder de wapenen te roepen [35] en zond boden naar het gebied van Manasse om daar iedereen op te roepen. Hij stuurde ook boden naar de stammen Aser, Zebulon en Naftali, en ook die voegden zich bij hem. [36] Toen zei Gideon tegen God: ‘Ik wil graag weten of het werkelijk uw bedoeling is door mijn toedoen Israël te bevrijden, zoals u hebt gezegd. [37] Daarom leg ik hier op de dorsvloer een wollen vacht. Als er morgenochtend dauw ligt op de wol terwijl de grond eromheen droog is, dan weet ik zeker dat u inderdaad door mijn toedoen Israël zult bevrijden.’ [38] En zo gebeurde het. De volgende morgen wrong Gideon de wol uit. En er kwam water uit, wel een kom vol. [39] Toen zei Gideon tegen God: ‘U moet niet kwaad op me worden als ik nog één keer aandring, maar ik wil nog een laatste proef nemen: nu moet de wol droog blijven en de grond eromheen nat zijn van dauw.’ [40] Die nacht deed God wat Gideon had gevraagd: de wol bleef droog en de grond eromheen werd nat van dauw.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties