Wie legt een zweep klaar
om mijn denken te slaan,
en de roede van de wijsheid
om mijn hart te tuchtigen?
Dan zal die zweep mij niet sparen als ik domheden bega,
en zal die roede nooit de fouten van mijn lippen ongestraft laten.
Dan zullen mijn dwaasheden niet toenemen
en mijn zonden niet talrijker worden;
dan zal ik niet ten val komen onder het oog van mijn tegenstanders
en zal mijn vijand zich niet over mij verheugen.*
Want zoals een slaaf die men voortdurend in het oog houdt
de striemen niet bespaard blijven,
zo zal ook hij die altijd maar zweert en de heilige naam noemt
niet vrij blijven van zonde.
De man die veel zweert
overlaadt zich met ongerechtigheid:
de gesel zal niet wijken van zijn huis.
Als hij zijn eed niet houdt,
drukt zijn zonde op hem;
als hij hem niet op waarde inschat,
zondigt hij dubbel,
en als hij zonder reden zweert,
wordt hij niet gerechtvaardigd:
zijn huis zal met rampen overladen worden.
Er is een manier van spreken waar de dood op staat:
laat die in Jakobs erfdeel niet gevonden worden,
want de vrome mensen mogen zich met dat alles niet inlaten
en zij mogen zich niet in zonden wentelen.
Denk aan je vader en je moeder
als je te midden van de notabelen vertoeft;
je moet ze in hun aanwezigheid niet vergeten
en onder invloed van die omgang geen dwaas worden,
zodat je zou wensen niet verwekt te zijn
en de dag van je geboorte vervloekt.
Twee* soorten mensen beladen zich met zonde
en een derde soort roept de toorn op.
Brandende begeerte is als een laaiend vuur:
zij wordt niet geblust voordat zij is opgebrand.
Een ontuchtig mens zal niet met zijn lichaam ophouden
totdat het vuur hem verteert.
De man die overspel pleegt
zegt bij zichzelf: ‘Wie ziet mij?
Het is donker om mij heen, de muren houden mij verborgen
en niemand ziet mij. Waarvoor zou ik bang zijn?
De Allerhoogste zal mijn zonden vergeten!’
Wat hij vreest zijn de ogen van de mensen
en hij beseft niet dat de ogen van de Heer
tienduizend maal zo helder zijn als de zon:
zij zien alle wegen van de mensen
en dringen tot in verborgen hoeken door.
Ten eerste is zij ongehoorzaam geweest
aan de Wet van de Allerhoogste;
ten tweede heeft zij zich misdragen
tegenover haar man;
ten derde heeft zij ontucht en echtbreuk gepleegd
en haar man kinderen bezorgd
die door een vreemde verwekt zijn.
Zij die achterblijven zullen inzien
dat niets beter is dan de vrees voor de Heer
en dat niets zoeter is dan het onderhouden van de geboden van de Heer.*
zodat mijn dwalingen niet toenemen
en mijn zonden zich niet ophopen,
zodat ik niet ten val kom in het bijzijn van mijn tegenstanders
en mijn vijanden geen leedvermaak over mij hebben?
Voor hen is de hoop op uw barmhartigheid ver weg.
Want zoals een slaaf op wie voortdurend wordt gelet
de striemen niet bespaard blijven,
zo blijft iemand die voortdurend zweert en de naam van de Heilige noemt
niet gevrijwaard van zonde.
Wie veel zweert wordt een en al wetteloosheid,
de gesel wijkt niet van zijn huis.
Als hij zijn eed niet gestand doet laadt hij een zonde op zich,
als hij zijn eed vergeet begaat hij een dubbele zonde.
En als hij lichtvaardig zweert gaat hij niet vrijuit,
zijn huis wordt met ellende overladen.
Er is een manier van spreken zo gevaarlijk als de dood,
laat die onder het volk van Jakob niet voorkomen.
Vrome mensen houden zich er verre van,
ze wentelen zich niet in zonden.
Houd je vader en moeder in ere
als je onder hooggeplaatsten bent,
dan vergeet je ze niet in dat gezelschap,
word je door je gedrag geen dwaas,
wens je niet dat je nooit was verwekt,
vervloek je niet de dag van je geboorte.
Twee soorten mensen stapelen zonde op zonde,
en een derde soort maakt woedend.
Brandende begeerte is als een laaiend vuur,
ze dooft niet voor ze helemaal is opgebrand.
Een man die met zijn lichaam ontucht pleegt
stopt niet voordat het vuur is geblust.
Een man die overspel pleegt
zegt bij zichzelf: Wie ziet mij?
Ik ben in het donker, de muren verbergen mij,
niemand ziet me – waarom zou ik bang zijn?
De Allerhoogste denkt niet aan mijn zonden.
Zo iemand vreest de ogen van mensen,
maar hij weet niet dat de ogen van de Heer
tienduizendmaal helderder zijn dan de zon,
dat ze alle daden van de mensen zien,
doordringen tot in verborgen hoeken.
Ten eerste overtrad ze de wet van de Allerhoogste,
ten tweede misdroeg ze zich tegenover haar man,
ten derde pleegde ze ontucht en overspel
en bezorgde ze haar man kinderen van een vreemde.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.