De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Het eerste boek Koningen
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 8
Inwijding van de tempel
[1] Toen riep Salomo de oudsten van Israël, alle stamhoofden en leiders van de families van de Israëlieten naar Jeruzalem, om de ark* van het verbond van de heer op te halen uit de Davidsstad, ook Sion geheten. [2] Zo kwamen alle mannen van Israël samen bij koning Salomo op het feest in de maand etanim, dat is de zevende maand. [3] Toen de oudsten van Israël waren aangekomen, tilden de priesters de ark op [4] en brachten haar met de tent van samenkomst en de bijbehorende gewijde voorwerpen over. Dit deden de priesters, samen met de Levieten. [5] Koning Salomo en heel de gemeenschap van Israël die zich rondom hem verzameld had, gingen voor de ark uit en ze offerden zoveel schapen en runderen dat ze niet te tellen of te schatten waren.
     [6] De priesters brachten de ark van het verbond van de heer op haar plaats in de achterzaal van de tempel, het heilige der heiligen, onder de vleugels van de kerubs. [7] De kerubs spreidden hun beide vleugels uit over de plaats van de ark en overschaduwden de ark en de draagstokken. [8] Deze draagstokken waren zo lang dat hun uiteinden wel zichtbaar waren vanuit het heilige vlak vóór de achterzaal, maar verder naar buiten toe niet meer. Ze zijn daar gebleven tot op de dag van vandaag. [9] In de ark van het verbond lagen alleen de twee stenen tafelen die Mozes er in gelegd had op de Horeb, de tafelen van het verbond dat de heer gesloten had met de Israëlieten toen ze uit Egypte trokken. [10] Terwijl de priesters het heilige der heiligen verlieten, vulde de wolk* het huis van de heer, [11] zodat ze vanwege die wolk daar hun dienst niet konden verrichten, want de verhevenheid van de heer vervulde het huis van de heer. [12] Toen* sprak Salomo:
   ‘De heer heeft besloten in het donker te wonen.
  [13] Ik heb een machtig huis voor U gebouwd, uw woonplaats voor eeuwig.’

     [14] Vervolgens keerde de koning zich om en zegende de hele gemeenschap van Israël. Terwijl heel de gemeente rechtop stond, [15] sprak Salomo: ‘Gezegend* zij de heer, de God van Israël, wiens hand volbracht heeft wat zijn mond beloofd had aan mijn vader David: [16] “Sinds Ik mijn volk Israël uit Egypte heb geleid, heb Ik in geen enkele stam van Israël een stad uitverkoren om er een huis te laten bouwen waar mijn naam zou wonen. Maar David heb Ik uitverkoren en aangesteld over mijn volk Israël.”
     [17] Mijn vader David wilde een huis bouwen voor de naam van de heer, de God van Israël, [18] maar de heer sprak tot hem: “Uw voornemen om een huis te bouwen voor mijn naam strekt u tot eer. [19] Toch zal niet u een huis bouwen, maar de zoon die u zult verwekken; hij zal een huis bouwen ter ere van mijn naam.” [20] En de heer heeft zijn woord gehouden. Want ik ben mijn vader David opgevolgd en zetel op de troon van Israël, zoals de heer toegezegd had. En nu heb ik voor de naam van de heer, de God van Israël, een huis gebouwd [21] en er een plaats bereid voor de ark, waarin de akte ligt van het verbond dat de heer gesloten heeft met onze vaderen, toen Hij ze uit Egypte leidde.’
     [22] Toen ging Salomo voor het altaar van de heer staan, in het bijzijn van heel de gemeenschap van Israël. Hij strekte zijn handen uit naar de hemel [23] en zei: ‘heer, God van Israël, buiten U is er geen God in de hemel daar boven en op de aarde hier beneden, die trouw blijft aan het verbond en de liefde voor zijn dienaren, die met heel hun hart hun schreden naar U richten. [24] U hebt zich ten opzichte van uw dienaar David, mijn vader, gehouden aan wat U hem beloofd had. Wat uw mond had beloofd, heeft uw hand vandaag volbracht. [25] Welnu, heer, God van Israël, laat dan ook voor uw dienaar David, mijn vader, in vervulling gaan wat U hem beloofd hebt: “Als uw zonen rechtschapen leven en voor mijn aanschijn wandelen zoals u dat gedaan hebt, zal Ik het u nooit aan opvolgers op de troon van Israël laten ontbreken.” [26] Nu dan, God van Israël, laat nu deze belofte aan uw dienaar David, mijn vader, in vervulling gaan.
     [27] Maar zou* God werkelijk op aarde wonen? Zelfs de hemel en de hemel der hemelen kunnen U niet bevatten! Hoeveel minder is dit huis dat ik gebouwd heb. [28] Geef toch gehoor aan het gebed van uw dienaar en aan zijn smeekbede, heer mijn God, en luister naar zijn roepen en naar het gebed dat uw dienaar vandaag tot U richt. [29] Laat uw ogen geopend blijven, dag en nacht, naar dit huis, naar de plaats waarvan U gezegd hebt: “Mijn naam zal daar wonen,” en blijf zo luisteren naar de smeekbede die uw dienaar op deze plaats tot U richt. [30] Luister naar de smeekbede van uw dienaar en van uw volk Israël, die zij op deze plaats tot U zullen richten. Hoor ze vanuit de hemel, uw woonplaats. Hoor ze en schenk vergiffenis.
     [31] Als iemand tegen zijn naaste een overtreding heeft begaan en deze eist een eed* van hem, zodat hij in dit huis voor uw altaar verschijnt om zijn eed af te leggen, [32] luister dan vanuit de hemel, grijp in en spreek recht over uw dienaren. Veroordeel de schuldige en vergeld hem wat hij gedaan heeft; spreek de onschuldige vrij en geef hem wat hem toekomt.
     [33] Als uw volk Israël verslagen is door vijanden, omdat het tegen U gezondigd heeft, maar zich dan tot U bekeert, uw naam belijdt en in dit huis tot U bidt en smeekt, [34] luister dan vanuit de hemel, vergeef de zonden van uw volk Israël en leid het terug naar de grond, die U aan zijn vaderen geschonken hebt.
     [35] Als de hemel gesloten blijft en er geen regen valt, omdat ze tegen U gezondigd hebben, maar als ze dan komen bidden op deze plaats, uw naam belijden en zich van hun zonden bekeren omdat U hen vernedert, [36] luister dan vanuit de hemel, vergeef de zonden van uw dienaren en van uw volk Israël, wijs hun de goede weg die ze moeten gaan en laat het weer regenen over uw land, dat U aan uw volk in eigendom gegeven hebt.
     [37] Als er hongersnood komt in het land, of pest, of korenbrand en honingdauw, of een plaag van sprinkhanen die alles kaalvreten, als het volk in zijn steden door vijanden belegerd wordt of bezocht wordt door welke plaag of welke ziekte ook, [38] als iemand, of heel uw volk Israël, onder de druk van zijn leed zijn handen uitstrekt naar dit huis, [39] luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en schenk vergiffenis; grijp in en vergeld eenieder naar zijn gedrag; want U kent het hart van iedereen, U bent de enige die het hart van alle mensenkinderen kent. [40] Dan zullen ze U vrezen zolang ze leven op de grond die U aan onze vaderen geschonken hebt.
     [41] Ook als een vreemdeling*, die niet tot uw volk Israël behoort, omwille van uw naam uit een ver land komt [42] omdat hij gehoord heeft van uw grote naam, uw krachtige hand en uw uitgestrekte arm, en hij komt bidden in dit huis, [43] luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en doe alles waar de vreemdeling U om smeekt. Dan zullen alle volken van de aarde uw naam leren kennen en U, evenals uw volk Israël, vrezen; dan zullen zij weten dat uw naam uitgeroepen is over dit huis, dat ik gebouwd heb.
     [44] Als uw volk op uw bevel ten strijde trekt tegen zijn vijand en ze bidden tot de heer, in de richting van de stad die U hebt uitverkoren, en van de tempel die ik voor uw naam gebouwd heb, [45] luister dan vanuit de hemel naar hun gebed en hun smeekbede en verschaf hun recht.
     [46] Als ze tegen U zondigen – er is immers geen mens die niet zondigt – en U levert hen in uw toorn over aan de vijand die hen gevangen wegvoert naar zijn land, veraf of dichtbij; [47] als ze dan tot nadenken komen in het land waarheen ze weggevoerd zijn, en ze bekeren zich en bidden tot U in hun ballingschap: “Wij hebben gezondigd, wij hebben verkeerd gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld,” [48] en ze keren zich tot U, met heel hun hart en heel hun ziel, in het land van de vijanden door wie ze weggevoerd zijn; en ze bidden tot U in de richting van het land dat U aan hun voorvaderen geschonken hebt en van de stad die U uitverkoren hebt, en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd; [49] luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, naar hun gebed en hun smeekbede en verschaf hun recht. [50] Schenk vergiffenis aan uw volk, dat tegen U gezondigd heeft; vergeef hun alle overtredingen die ze tegen U begaan hebben, maak dat hun vijanden, die hen hebben weggevoerd, medelijden* met hen krijgen en zich over hen ontfermen. [51] Want het is uw volk en uw eigendom dat U uit Egypte, die smeltoven, hebt geleid.
     [52] Laat uw ogen geopend blijven voor de smeekbede van uw dienaar en voor de smeekbede van uw volk Israël, en blijf zo naar hen luisteren, iedere keer wanneer zij U aanroepen. [53] Want U, Heer god, hebt hen afgezonderd van de andere volken van de aarde om uw eigendom te worden, zoals u gezegd hebt door uw dienaar Mozes, toen U onze vaderen uit Egypte leidde.’
     [54] Heel dit smeekgebed tot de heer verrichtte Salomo geknield voor het altaar van de heer, zijn handen uitgestrekt naar de hemel. Toen stond hij op [55] en staande zegende hij met luide stem heel de gemeenschap van Israël met deze woorden: [56] ‘Gezegend zij de heer, die zijn volk Israël rust verleend heeft, zoals Hij had beloofd. Niet één woord is onvervuld gebleven van alle beloften die Hij door zijn dienaar Mozes gedaan heeft. [57] Moge de heer onze God met ons zijn, zoals Hij met onze voorvaderen geweest is; laat Hij ons niet verlaten en ons niet verstoten, [58] maar onze harten tot Hem neigen, zodat wij zijn wegen bewandelen en de geboden, wetten en voorschriften die Hij onze voorvaderen opgelegd heeft onderhouden. [59] Mogen de gebeden die ik tot de heer onze God gericht heb, dag en nacht bij Hem aanwezig zijn en van Hem verkrijgen, dat Hij zijn dienaar en zijn volk Israël dagelijks geeft wat zij nodig hebben. [60] Dan zullen alle volken van de aarde weten dat de heer God is, en de heer alleen. [61] Laat uw harten steeds onverdeeld aan de heer onze God toebehoren, zodat u, evenals nu, naar zijn wetten leeft en zijn geboden onderhoudt.’
     [62] Daarna droeg de koning met heel Israël een slachtoffer op aan de heer. [63] Het offer dat Salomo aan de heer opdroeg bestond uit tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen. Zo wijdden de koning en de Israëlieten het huis van de heer in. [64] Die dag liet de koning het middengedeelte van de voorhof voor het huis van de heer afzetten om daar het brandoffer, het meeloffer en de vette* delen van het slachtoffer op te dragen. Het bronzen altaar in de tempel was namelijk te klein voor het brandoffer, het meeloffer en de vette delen van het slachtoffer.
     [65] Bij die gelegenheid vierde Salomo, en met hem een grote menigte uit heel Israël, vanaf* de weg naar Hamat tot aan de beek van Egypte, het feest in het huis van de heer onze God, zeven dagen lang; samen met de andere zeven dagen veertien dagen lang. [66] Op de achtste dag liet hij het volk weggaan. Ze spraken een zegenwens uit over de koning en gingen naar huis, verheugd en opgewekt vanwege al het goede dat de heer gedaan had voor David, zijn dienaar, en voor Israël, zijn volk.
Hoofdstuk 8
De inwijding van de tempel
[1] Daarna liet koning Salomo de oudsten van Israël, de stamhoofden, allen die aan het hoofd van een familie stonden, in Jeruzalem bij zich komen om de ark van het verbond met de HEER over te brengen vanuit de Davidsburcht, de bergvesting op de Sion. [2] Alle Israëlieten kwamen in de maand etanim, de zevende maand, voor het feest naar koning Salomo.
     [3] Toen alle oudsten van Israël aanwezig waren, namen de priesters de ark op. [4] De ark van de HEER, de ontmoetingstent en de bijbehorende gewijde voorwerpen werden gedragen door de priesters en de Levieten. [5] Koning Salomo hield met de Israëlieten, die zich met hem rond de ark verzameld hadden, een offerplechtigheid waarbij zo veel schapen, geiten en runderen werden geofferd dat hun aantal niet vast te stellen was. [6] De priesters brachten de ark van het verbond met de HEER naar zijn nieuwe plaats in de achterste zaal van de tempel, het allerheiligste, en zetten hem neer onder de vleugels van de cherubs, [7] zodat de gespreide vleugels van de cherubs zich beschermend over de ark en zijn draagbomen uitstrekten. [8] Deze draagbomen staken een stuk uit, en vanuit het heilige, de grote zaal, kon men de uiteinden ervan alleen zien wanneer men vlak voor de toegang tot de achterzaal stond; van verder weg waren ze niet te zien. Ze bevinden zich daar tot op de dag van vandaag. [9] De ark bevat niets anders dan de twee stenen platen die Mozes er op de Horeb in heeft gelegd, de platen waarop is vastgelegd wat de HEER voor de Israëlieten heeft bepaald tijdens hun uittocht uit Egypte. [10] Zodra de priesters uit het heiligdom naar buiten kwamen, vulde een wolk de tempel van de HEER. [11] De priesters konden hun dienst niet meer verrichten, want de majesteit van de HEER vulde de hele tempel.
     [12] Toen sprak Salomo: ‘HEER, u hebt gezegd dat u in een donkere wolk wilde wonen. [13] Welnu, ik heb voor u een vorstelijk huis gebouwd, dat voor altijd uw woning kan zijn.’ [14] Hierna keerde de koning zich om en zegende de gemeenschap van Israël. Toen iedereen was gaan staan, [15] zei hij: ‘Geprezen zij de HEER, de God van Israël, die het niet bij woorden heeft gelaten maar zijn belofte aan mijn vader David daadwerkelijk is nagekomen. Hij heeft gezegd: [16] “Nooit, vanaf de dag dat ik mijn volk Israël uit Egypte heb weggeleid, heb ik een van de steden van Israëls stammen uitgekozen om er een tempel te laten bouwen waar mijn naam zou wonen. Wel heb ik David gekozen om mijn volk Israël te regeren.” [17] Toen nu mijn vader David het plan opvatte om een tempel te bouwen voor de naam van de HEER, de God van Israël, [18] zei de HEER tegen hem: “Je hebt er goed aan gedaan een huis te willen bouwen voor mijn naam. [19] Toch zul jij de tempel niet bouwen. Je zoon, die uit jou zal voortkomen, die zal voor mijn naam een huis bouwen.” [20] En de HEER heeft zijn woord gestand gedaan. Ik ben mijn vader David opgevolgd en zit nu op de troon van Israël, zoals de HEER heeft beloofd. En ik heb voor de naam van de HEER, de God van Israël, een tempel gebouwd [21] als verblijfplaats voor de ark die het verbond bevat dat de HEER met onze voorouders sloot toen hij hen uit Egypte wegleidde.’
     [22] Toen wendde Salomo zich naar het altaar van de HEER, ten aanschouwen van de verzamelde Israëlieten, hief zijn handen ten hemel [23] en zei: ‘HEER, God van Israël, er is geen god zoals u, noch in de hemel daar boven, noch op de aarde hier beneden. U houdt u aan het verbond en blijft trouw aan uw dienaren die u met heel hun hart toegewijd zijn. [24] U hebt u gehouden aan wat u uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd. U hebt het niet bij woorden gelaten, maar u bent vandaag uw belofte daadwerkelijk nagekomen. [25] Daarom vraag ik u, HEER, God van Israël, of u zich ook wilt blijven houden aan wat u uw dienaar, mijn vader David, hebt beloofd, namelijk dat u zijn nakomelingen de troon van Israël nooit zult ontzeggen, zolang wij tenminste op het rechte pad blijven door u toegewijd te zijn, zoals ook hij u toegewijd was. [26] Welnu, God van Israël, mogen alle beloften die u uw dienaar, mijn vader David, hebt gedaan, bewaarheid worden.
     [27] Zou God werkelijk op aarde kunnen wonen? Zelfs de hoogste hemel kan u niet bevatten, laat staan dit huis dat ik voor u heb gebouwd. [28] HEER, mijn God, hoor het smeekgebed van uw dienaar aan en luister naar de verzuchtingen die ik vandaag tot u richt. [29] Wees dag en nacht opmerkzaam op wat er gebeurt in deze tempel, de plaats waarvan u zelf hebt gezegd dat daar uw naam zal wonen, en verhoor het gebed dat ik naar deze tempel richt. [30] Luister naar de smeekbeden die uw dienaar en uw volk Israël naar deze tempel richten, aanhoor ons gebed vanuit de hemel, uw woonplaats, aanhoor ons en schenk ons vergeving.
     [31] Wanneer iemand een ander kwaad heeft gedaan en deze van hem eist dat hij een vervloeking over zichzelf uitspreekt, en wanneer hij dan naar uw altaar in deze tempel komt om zichzelf te vervloeken, [32] aanhoor hem dan vanuit de hemel en grijp in. Spreek recht over uw dienaren, verklaar de boosdoener schuldig en geef hem zijn verdiende straf, maar spreek de onschuldige vrij en herstel hem in zijn recht.
     [33] Wanneer uw volk Israël door de vijand is verslagen omdat het tegen u gezondigd heeft, en wanneer zij dan naar u terugkeren, uw naam prijzen en tot u in deze tempel bidden en smeken, [34] aanhoor hen dan vanuit de hemel, vergeef uw volk Israël wat het heeft misdaan en breng hen terug naar het grondgebied dat u aan hun voorouders hebt gegeven.
     [35] Wanneer de hemel gesloten blijft en er geen regen valt omdat het volk tegen u gezondigd heeft, en wanneer zij dan een gebed richten naar deze tempel, uw naam prijzen en hun leven beteren, antwoord hun dan. [36] Aanhoor hen vanuit de hemel en vergeef uw dienaren, uw volk Israël, wat ze hebben misdaan. Wijs hun de juiste levensweg en laat het regenen op uw land, dat u als erfdeel aan uw volk gegeven hebt.
     [37] Wanneer er in het land hongersnood of pest uitbreekt, wanneer het gewas wordt getroffen door korenbrand, meeldauw of vraatzuchtige sprinkhanen, wanneer het volk in eigen land door vijanden bedreigd wordt, wanneer er kortom bij enige ramp of ziekte [38] ook maar iemand van uw volk Israël een smeekgebed tot u richt en zijn handen heft in de richting van deze tempel – ieder onder de druk van het leed dat hem persoonlijk treft –, [39] aanhoor hem dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en vergeef hem. Grijp in en geef hem wat hem toekomt, want u weet wat er in hem omgaat. U alleen immers kunt de mens doorgronden. [40] Dan zullen ze in het land dat u aan hun voorouders hebt gegeven hun leven lang ontzag voor u tonen.
     [41] Ook wanneer een vreemdeling, die niet tot uw volk Israël behoort en die uit een ver land hierheen is gekomen om u te vereren [42] – want ook daar is de faam van uw sterke hand en opgeheven arm doorgedrongen –, wanneer een vreemdeling hierheen komt en een gebed richt naar deze tempel, [43] aanhoor hem dan vanuit de hemel, uw woonplaats, en doe wat hij u vraagt. Dan zullen alle volken op aarde uw naam leren kennen en ontzag voor u tonen, zoals uw volk Israël dat doet, en zij zullen weten dat uw naam verbonden is aan deze tempel die ik heb gebouwd.
     [44] Wanneer uw volk op uw bevel ten strijde trekt tegen de vijand en zij tot u bidden in de richting van de stad die u hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, [45] luister dan vanuit de hemel naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht.
     [46] Wanneer ze tegen u zondigen – er is immers geen mens die niet zondigt – en u hen uit woede uitlevert aan vijanden die hen gevangennemen en meevoeren naar hun land, hetzij ver weg of dichtbij, [47] en wanneer ze dan in hun ballingsoord tot inkeer komen en zich in dat vreemde land smekend tot u wenden en belijden dat ze hebben gezondigd, dat ze verkeerd hebben gedaan en slecht hebben gehandeld, [48] wanneer ze zich in het land van de vijanden die hen gevangen hebben genomen weer met hart en ziel aan u toewijden en tot u bidden in de richting van het land dat u aan hun voorouders hebt gegeven, van de stad die u hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, [49] luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht. [50] Vergeef uw volk alle zonden en misstappen die het tegen u begaan heeft en wek het mededogen op van degenen die hen als gevangenen hebben weggevoerd.
     [51] Zij zijn uw volk, HEER, mijn God, uw eigen volk, dat u uit die smeltoven van Egypte hebt weggeleid. [52] Wees opmerkzaam op de smeekbeden van uw dienaar en van uw volk Israël en luister naar hen wanneer ze u maar roepen. [53] Uit alle volken op aarde hebt u immers hen uitgekozen om uw volk te zijn, zoals u bij monde van uw dienaar Mozes hebt gezegd toen u onze voorouders uit Egypte wegleidde.’
     [54] Tijdens dit hele smeekgebed lag Salomo geknield voor het altaar van de HEER, met zijn handen ten hemel geheven. Toen hij zijn gebed tot de HEER beëindigd had, [55] stond hij op en sprak met luide stem zijn zegen uit over de gemeenschap van Israël: [56] ‘Geprezen zij de HEER, die zijn volk Israël rust heeft gegeven, zoals hij heeft beloofd. Niet één van de beloften die hij bij monde van zijn dienaar Mozes heeft gedaan, is onvervuld gebleven. [57] Moge de HEER, onze God, ons bijstaan, zoals hij onze voorouders heeft bijgestaan. Moge hij zich om ons blijven bekommeren en ons niet in de steek laten. [58] Moge hij ervoor zorgen dat wij hem toegenegen en gehoorzaam blijven en ons houden aan de geboden, voorschriften en rechtsregels die hij onze voorouders heeft gegeven. [59] Moge mijn smeekgebed dag en nacht bij de HEER, onze God, zijn en moge hij zijn dienaar en zijn volk Israël recht verschaffen, telkens als dat nodig is. [60] Dan zullen alle volken op aarde beseffen dat de HEER God is, hij alleen. [61] Blijf volkomen toegewijd aan de HEER, onze God, door zijn voorschriften te volgen en u aan zijn geboden te houden, zoals u dat nu ook doet.’
     [62] Met alle Israëlieten droeg de koning offers op aan de HEER. [63] Om de tempel in te wijden bracht hij met de Israëlieten een vredeoffer aan de HEER, waarvoor tweeëntwintigduizend runderen en honderdtwintigduizend schapen en geiten werden geslacht. [64] De koning wijdde die dag het midden van het voorplein van de tempel van de HEER, zodat de offers daar konden worden opgedragen, want het bronzen altaar was te klein voor alle brandoffers, graanoffers en het vet van de geslachte dieren.
     [65] Zo vierde Salomo bij die gelegenheid feest ten overstaan van de HEER, onze God, samen met de Israëlieten, die in groten getale bijeen waren gekomen uit het hele land, vanaf Lebo-Hamat tot aan de wadi die de grens met Egypte vormt. Het feest duurde zeven dagen en nog eens zeven, samen veertien dagen. [66] Daarna stuurde de koning het volk naar huis terug, en nadat ze hem geluk hadden gewenst, ging ieder naar zijn woonplaats, opgewekt en verheugd om al het goede dat de HEER voor zijn dienaar David en zijn volk Israël gedaan had.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties