De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Ezra
WB 
  NBV 
 


Het gebed van Ezra
     [3] Toen ik dat hoorde scheurde ik mijn kleed en mijn mantel, trok mij de haren uit hoofd en baard en ging verbijsterd zitten. [4] Iedereen die de woorden van de God van Israël vreesde, verzamelde zich rond mij vanwege de misdaad van de ballingen; ik was verbijsterd, tot het avondoffer. [5] Bij het avondoffer stond ik op uit mijn vasten, waarvoor ik mijn mantel en kleed gescheurd had, viel op mijn knieën, strekte mijn handen uit naar de heer mijn God, [6] en sprak: ‘Mijn God, ik voel mij zo diep beschaamd dat ik mijn gezicht niet naar U durf op te heffen, want onze zonden zijn boven ons hoofd uit gestegen en onze schuld reikt tot aan de hemel. [7] Sinds de dagen van onze voorvaderen tot op de dag van vandaag gaan wij gebukt onder een grote schuld. Omwille van onze zonden werden wij, onze koningen en onze priesters, uitgeleverd aan de koningen van de aarde, aan zwaard, ballingschap, plundering en schande, tot op de dag van vandaag. [8] En nu heeft de heer onze God ons een ogenblik zijn barmhartigheid getoond; Hij heeft een rest van ons overgelaten, ons een houvast gegeven in zijn heilige plaats. Onze God heeft onze ogen weer het licht laten zien en ons een moment rust gegund in onze slavernij. [9] Want slaven zijn wij, maar in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten, maar Hij heeft ons genade laten vinden bij de koningen van Perzië. Zij hebben ons steun gegeven om het huis van onze God weer op te bouwen en uit de puinhopen te laten herrijzen en onze woonplaatsen in Juda en Jeruzalem te ommuren. [10] En nu, onze God, wat kunnen wij zeggen, nu wij uw geboden overtreden hebben, [11] die U door uw dienaren, de profeten, gegeven hebt met de woorden: “Het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen is onrein door de bezoedeling van de volken die er wonen en die het van het ene einde tot het andere door hun gruweldaden met onzuiverheden vervuld hebben; [12] daarom mag u uw dochters niet aan hun zonen geven, en hun dochters niet aan uw zonen, en u mag nooit vriendschap of vrede met hen zoeken; dan zult u sterk zijn, de vruchten van het land eten en het voor eeuwig aan uw nakomelingen laten overerven.” [13] En nu ons omwille van onze boze daden en onze grote schuld zoveel overkomen is, en U, onze God, ons toch gespaard hebt, meer dan onze zonden verdienen, en een rest van ons hebt overgelaten, [14] nu overtreden wij opnieuw uw geboden en gaan wij huwelijken aan met deze zondige volken. Moet U niet zo kwaad op ons zijn dat U ons totaal vernietigt, en er geen rest of geredde overblijft? [15] heer, God van Israël, U bent rechtvaardig! Want wij zijn de rest, die vandaag nog overgebleven is. Zie ons hier voor U, beladen met onze schuld. Hoe durven wij zo nog voor U te verschijnen?’

     [3] Zodra ik dit hoorde, scheurde ik mijn kleren en mijn mantel. Ik trok het haar uit mijn hoofd en mijn baard, en ging zitten, verbijsterd. [4] En allen die vanwege de ontrouw van de ballingen de dreigende woorden van de God van Israël vreesden, kwamen bij mij. Zo bleef ik verbijsterd zitten tot het avondoffer. [5] Toen stond ik op, beëindigde mijn boetedoening, en met gescheurde kleren en mantel viel ik op mijn knieën en spreidde mijn handen uit naar de HEER, mijn God. [6] Ik zei: ‘Mijn God, ik schaam me, mijn God, ik ben te beschaamd om mijn gezicht naar u op te heffen, want onze zonden reiken tot boven ons hoofd en onze schuld is zo hoog als de hemel. [7] Vanaf de dagen van onze voorouders tot aan deze dag zijn wij zeer schuldig tegenover u, en vanwege onze zonden zijn wij, onze koningen, onze priesters, overgeleverd aan de macht van de koningen van andere landen, aan geweld, aan gevangenschap, aan plundering, en aan openlijke schande, zoals nu. [8] En toch heeft de HEER, onze God, onlangs zijn erbarmen getoond door een deel van ons volk te laten ontkomen, en door ons een houvast te geven in zijn heilige plaats. Onze God heeft onze ogen doen oplichten en ons in onze slavernij weer wat levensmoed gegeven. [9] Want wij zijn slaven, en in onze slavernij heeft onze God ons niet verlaten. Hij heeft de koningen van Perzië gunstig gestemd jegens ons, om ons weer levensmoed te geven opdat wij de tempel van onze God kunnen laten herrijzen en hem uit de puinhopen herstellen, en om voor ons te zijn als een veilige muur in Juda en in Jeruzalem. [10] En wat, onze God, was daarop ons antwoord? Veronachtzaamd hebben wij uw geboden, [11] die u ons gegeven hebt bij monde van uw dienaren de profeten, die zeiden: “Het land dat jullie binnengaan en in bezit nemen is een verontreinigd land, bezoedeld door de bevolking van het land met haar gruwelijke gebruiken. Zij hebben het met hun onreinheid gevuld, van het ene einde tot het andere. [12] Geef daarom jullie dochters niet aan hun zonen, en neem hun dochters niet voor jullie zonen tot vrouw. Draag nooit bij aan hun voorspoed en geluk. Dan zullen jullie sterk zijn en het goede van het land eten, en het voor altijd voor jullie kinderen in bezit nemen.” [13] Na alles wat ons is overkomen vanwege onze slechte daden, vanwege onze grote schuld, nu u, onze God, ons minder hebt gestraft dan wij verdienden en u er zelfs voor gezorgd hebt dat er zovelen van ons overgebleven zijn – [14] zouden wij nu opnieuw uw geboden met voeten treden door huwelijken aan te gaan met deze volken die zulke gruwelijke gebruiken kennen? Zou u dan niet zodanig vertoornd zijn dat u ons zou vernietigen, en niemand het zou overleven, niemand zou ontkomen? [15] HEER, God van Israël, u bent rechtvaardig, want wij zijn ontkomen, wij zijn overgebleven tot op deze dag. Schuldig staan wij hier voor u – hoe kunnen we u zo onder ogen komen?’



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties