De bijbel De bijbel
 
.........
 
 Jozua
WB 
 
Hoofdstuk 10
De verovering van het zuiden
[1] Adonisedek*, de koning van Jeruzalem, hoorde dat Jozua Ai had ingenomen en aan de vernietiging had gewijd, en het dus op dezelfde manier had behandeld als Jericho en zijn koning, en dat de inwoners van Gibeon vriendschap met de Israëlieten hadden gesloten, zodat ze in hun gebied konden blijven. [2] Zo ontstond er grote paniek, want Gibeon was een grote stad, even groot als een koningsstad, groter dan Ai, en het beschikte over dappere soldaten. [3] Daarom zond Adonisedek, de koning van Jeruzalem, aan Hoham, de koning van Hebron, aan Piram, de koning van Jarmut, aan Jafia, de koning van Lakis, en aan Debir, de koning van Eglon, deze boodschap: [4] ‘Kom mij helpen om Gibeon te verslaan, want het heeft vriendschap gesloten met Jozua en de Israëlieten.’ [5] Daarop trokken de vijf Amoritische koningen gezamenlijk op: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lakis en de koning van Eglon, ieder met zijn leger. Zij belegerden Gibeon en deden aanvallen op de stad.
     [6] Toen stuurden de inwoners van Gibeon een boodschap naar Jozua in het kamp bij Gilgal: ‘Laat uw dienaren niet in de steek! Kom met spoed naar ons toe en bevrijd ons. Help ons, want de Amoritische koningen van het bergland zijn gezamenlijk tegen ons opgerukt.’ [7] Daarop trok Jozua vanuit Gilgal op, met heel het leger en alle keurtroepen. [8] En de heer sprak tot Jozua: ‘Wees niet bang voor hen: Ik lever hen aan u uit. Niemand van hen zal u kunnen weerstaan.’ [9] Na een nachtelijke mars vanuit Gilgal deed Jozua een onverwachte aanval op de vijanden, [10] en de heer bracht hen in verwarring voor Israël. Zo brachten de Israëlieten hun bij Gibeon een zware nederlaag toe, achtervolgden hen de berghelling op naar Bet-Choron, en bleven hen bestoken tot bij Azeka en Makkeda. [11] Toen zij, vluchtend voor Israël, op de steile afdaling van Bet-Choron gekomen waren, liet de heer uit de hemel grote stenen op hen neerhagelen, die hen doodden. Dat duurde tot Azeka toe. Er stierven er meer door de hagelstenen dan de Israëlieten met het zwaard konden doden. [12] Op die dag, toen de heer de Amorieten aan de Israëlieten uitleverde, heeft Jozua tot de heer gesproken en hij heeft in aanwezigheid van de Israëlieten gezegd:
   ‘Zon*, sta stil boven Gibeon,
en jij, maan, boven Ajjalons dal.’
  [13] En de zon stond stil
en de maan bleef staan,
terwijl het volk zijn vijand afstrafte.
Zo staat het geschreven in het Boek* van de Rechtvaardige. De zon bleef midden aan de hemel staan en haastte zich niet onder te gaan, bijna een hele dag.
[14] Nooit eerder, en ook later niet, is er een dag geweest waarop de heer zo naar de stem van een mens heeft geluisterd. Werkelijk, het was de heer die voor Israël vocht. [15] Toen keerde Jozua met alle Israëlieten terug naar het kamp bij Gilgal.
     [16] De vijf koningen die op de vlucht waren geslagen, verborgen zich in een grot bij Makkeda. [17] Men berichtte Jozua: ‘De vijf koningen zijn gevonden: ze zitten in een grot bij Makkeda.’ [18] Toen zei Jozua: ‘Rol dan grote stenen voor de ingang van de grot en zet er wachtposten bij. [19] Maar blijf de vijand achtervolgen; vernietig hun achterhoede en geef hun geen kans om hun steden te bereiken. De heer heeft hen aan u uitgeleverd.’ [20] Nadat Jozua en de Israëlieten de Amorieten een verpletterende nederlaag hadden toegebracht, en de vluchtelingen die waren ontkomen hun versterkte steden bereikt hadden, [21] keerde heel het volk veilig naar Jozua terug, in het kamp bij Makkeda. Niemand durfde nog iets tegen de Israëlieten te ondernemen. [22] Toen beval Jozua: ‘Maak de ingang van de grot vrij en breng de vijf koningen uit de grot bij mij.’ [23] Zij brachten dus de vijf koningen uit de grot bij hem: de koning van Jeruzalem, de koning van Hebron, de koning van Jarmut, de koning van Lakis en de koning van Eglon. [24] Toen men die koningen bij Jozua gebracht had, liet hij alle Israëlieten bijeenroepen en sprak tot de aanvoerders van de soldaten die met hem meegetrokken waren: ‘Kom hier en zet uw voet op de nek van deze koningen.’ Zij kwamen en zetten hun voet op hun nek. [25] Toen zei Jozua: ‘Wees niet bang of ontsteld; blijf moedig en sterk: zo zal de heer doen met alle vijanden tegen wie u oorlog moet voeren.’ [26] Daarop liet Jozua de koningen doodslaan en aan vijf palen ophangen. Daar bleven ze hangen tot de avond. [27] Tegen zonsondergang nam men hen op bevel van Jozua van de palen af, wierp hen in de grot waar ze zich verborgen hadden en stapelde grote stenen voor de opening van de grot. Die liggen er tot op de dag van vandaag.
     [28] Ook Makkeda heeft Jozua op die dag ingenomen. Hij joeg stad en koning over de kling, wijdde hen en alle levende wezens in de stad aan de vernietiging en liet niemand ontkomen. De koning van Makkeda behandelde hij op dezelfde wijze als de koning van Jericho.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2015.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp: Sync Creatieve Producties; techniek: SiteCan.