Hoofdstuk 15 Tweede betoog van Elifaz [1 ] Nu sprak Elifaz, de Temaniet: [2 ] ‘Is dat de kletspraat van een wijze,
en blaast hij zich op met de oostenwind? [3 ] Zijn dat zijn kronkelargumenten?
Is dat zijn gebazel? [4 ] Man, jij verkracht* de godsdienst,
jij bagatelliseert oprechte bezinning. [5 ] Zulke woorden vergroten je schuld,
zij kiezen voor de leugen [6 ] en klagen je aan: niet ik, maar
zij getuigen tegen je. [7 ] Ben jij de eerstgeborene* van de mensen,
ter wereld gekomen vóór de heuvels bestonden? [8 ] Ben jij toehoorder geweest in Gods* raad,
en beperk je de wijsheid tot jezelf? [9 ] Wat weet jij dat wij niet weten,
wat doorzie jij dat wij niet begrijpen? [10 ] Aan onze kant staan hoogbejaarde grijsaards
die ouder zijn dan je vader. [11 ] Is de troost* van God niet voldoende voor jou,
is zijn woord je te min? [12 ] Waarom laat je je zo gaan
en blikkeren je ogen? [13 ] Waarom wind je je zo op
en ga je zo tekeer tegen God? [14 ] Kun je als mens ooit rein* zijn,
en kun je ooit rechtvaardig zijn? [15 ] Als* God in zijn engelen al geen vertrouwen stelt
en zelfs de hemelbewoner niet rein is in zijn ogen, [16 ] wat moet de mens, die het kwaad drinkt als water,
Hem dan tegenstaan. [17 ] Luister, ik geef je uitleg
en vertel je over mijn ervaring; [18 ] in die geest spreken ook de wijzen
en die hebben het weer van hun vaderen, [19 ] uit de tijd dat alleen zij het land bewoonden
en geen vreemdeling daar was binnengedrongen. [20 ] De goddeloze tiran beeft alle dagen,
alle jaren die hem wachten. [21 ] Altijd hoort hij onraad.
Op het moment dat het goed met hem gaat
stort de vernieling zich over hem heen. [22 ] Hij ziet geen kans die dreiging te ontlopen,
overal voelt hij het zwaard op zich gericht. [23 ] Als een prooi tracht hij zijn havik te ontwijken,
maar hij weet dat de dood naast hem staat. [24 ] Angst staat klaar om hem te grijpen,
zoals een koning klaarstaat voor de strijd. [25 ] Want hij heeft zijn hand uitgestrekt tegen God,
en hij daagt de Almachtige uit, [26 ] hij stormt op Hem af in overmoed,
het zwaarbeslagen schild vooruit, [27 ] het gezicht ingesmeerd*
en de lendenen vet van olie. [28 ] In verwoeste* steden zal hij wonen,
in onherbergzame huizen die tot puin vervallen; [29 ] zijn rijkdom neemt niet toe
en wat hij bezit is niet duurzaam:
het vergezelt hem niet naar het dodenrijk. [30 ] Hij ontkomt niet aan die duistere wereld,
haar gloed verdort zijn loten,
zij ontkomen niet aan die hete adem. [31 ] Laat hem niet hopen op een luchtspiegeling,
want hij verdwaalt en komt bedrogen uit. [32 ] Voortijdig verschrompelen zijn loten
en zijn twijgen worden niet groen: [33 ] een wijnstok die vruchten afstoot voor het rijpen,
een olijf die zijn bloesem laat vallen. [34 ] Zo blijven de goddelozen onvruchtbaar, en gaat
de tent van de bedriegers in vlammen op; [35 ] ze dragen onheil, baren misdaad, en
hun schoot kweekt enkel wind.’
Hoofdstuk 15 Elifaz’ tweede betoog [1 ] Toen nam Elifaz uit Teman het woord: [2 ] ‘Zou een wijs man antwoorden met zoveel onverstand?
Zou hij zijn binnenste vullen met niets dan lucht? [3 ] Wijst hij terecht met zinloze frasen,
met woorden waarmee niemand gebaat is? [4 ] Daarbij tast je ook het ontzag voor God aan
en verzwak je de eerbied voor hem. [5 ] Schuld geeft jou je woorden in,
dwingt jou een taal te spreken die misleidt. [6 ] Je eigen mond veroordeelt je, niet ik,
je eigen lippen getuigen tegen je. [7 ] Was jij de eerste mens die werd geboren,
werd jij geschapen vóór de bergen en de heuvels? [8 ] Heb jij toegeluisterd bij Gods raad
en houd jij je wijsheid voor jezelf? [9 ] Wat weet jij dat wij niet weten?
Welk inzicht heb jij dat ons ontbreekt? [10 ] Onder ons zijn oude mannen, grijsaards zelfs,
die meer jaren tellen dan je vader. [11 ] Is Gods troost je niet genoeg,
zijn milde woorden je te min? [12 ] Waarom sleept je hartstocht je zo mee,
waarom bliksemen je ogen? [13 ] Dat jij je zo heftig tegen God keert
en je zulke woorden laat ontvallen! [14 ] Hoe kan een mens nu zuiver zijn,
wie uit een vrouw geboren is, onschuldig? [15 ] Zelfs in zijn engelen stelt God geen vertrouwen,
ook de hemel is niet zuiver in zijn ogen. [16 ] Hoezeer wordt dan de mens verafschuwd,
die verdorven is en het kwaad als water drinkt. [17 ] Nu zal ik spreken, luister naar mij,
dit heb ik gezien en ik vertel het je. [18 ] Dit is wat wijze mannen zeggen,
wat door hun voorouders onthuld is, [19 ] aan wie als enigen het land gegeven werd,
vóór er vreemdelingen onder hen verkeerden. [20 ] Een goddeloze brengt zijn dagen door in angst,
een despoot zijn weinig jaren toegemeten. [21 ] De stem van de verschrikking buldert in zijn oren,
zelfs in tijd van voorspoed dreigt hem de verwoester. [22 ] Voor hem geen hoop op terugkeer uit de duisternis,
hij zal vallen door het zwaard. [23 ] Hij dwaalt rond op zoek naar brood – waar is het?
Hij weet dat de dag van duisternis hem wacht. [24 ] Tegenspoed en angst benauwen hem,
overweldigen hem als een koning die ten strijde trekt. [25 ] Want hij heft zijn arm op tegen God,
de Ontzagwekkende wil hij trotseren. [26 ] Uitdagend stormt hij op hem af,
de knoppen van zijn schild vooruitgestoken. [27 ] Zijn gezicht is ingesmeerd met vet,
zijn lendenen zijn met vet bedekt. [28 ] Hij zal wonen in verwoeste steden,
in huizen waar geen mens meer woont,
in huizen die tot puin vervallen. [29 ] Hij vergaart geen rijkdom, zijn vermogen houdt geen stand,
zijn bezit vergezelt hem niet naar het dodenrijk. [30 ] Hij zal niet ontkomen aan de duisternis,
zijn loten worden door het vuur verdelgd,
ze verzengen in de adem van Gods woede. [31 ] Laat hij niet vertrouwen op bedrieglijke schijn,
want bedrog zal ook zijn loon zijn. [32 ] Dit valt hem vóór zijn tijd ten deel,
zijn takken blijven zonder loof. [33 ] Hij is een wijnstok die onrijpe druiven afschudt,
een olijfboom die zijn bloesems afstoot. [34 ] Onvruchtbaar is het samenspannen van de goddelozen,
vuur verteert de huizen van bedriegers. [35 ] Zij verwekken ongeluk en baren kwaad,
in hun schoot groeit het bedrog.’
Inhoudsopgave Inleiding Hoofdstuk 1 Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5 Hoofdstuk 6 Hoofdstuk 7 Hoofdstuk 8 Hoofdstuk 9 Hoofdstuk 10 Hoofdstuk 11 Hoofdstuk 12 Hoofdstuk 13 Hoofdstuk 14 Hoofdstuk 15 Hoofdstuk 16 Hoofdstuk 17 Hoofdstuk 18 Hoofdstuk 19 Hoofdstuk 20 Hoofdstuk 21 Hoofdstuk 22 Hoofdstuk 23 Hoofdstuk 24 Hoofdstuk 25 Hoofdstuk 26 Hoofdstuk 27 Hoofdstuk 28 Hoofdstuk 29 Hoofdstuk 30 Hoofdstuk 31 Hoofdstuk 32 Hoofdstuk 33 Hoofdstuk 34 Hoofdstuk 35 Hoofdstuk 36 Hoofdstuk 37 Hoofdstuk 38 Hoofdstuk 39 Hoofdstuk 40 Hoofdstuk 41 Hoofdstuk 42 Inhoudsopgave Inleiding op het boek Job De leefwijze van Job De eerste beproeving De tweede beproeving Het medeleven van zijn vrienden Job vervloekt zichzelf Eerste betoog van Elifaz Jobs antwoord aan Elifaz Eerste betoog van Bildad Jobs antwoord aan Bildad Eerste betoog van Sofar Jobs antwoord aan Sofar Tweede betoog van Elifaz Jobs antwoord aan Elifaz Tweede betoog van Bildad Jobs antwoord aan Bildad Tweede betoog van Sofar Jobs antwoord aan Sofar Derde betoog van Elifaz Jobs antwoord aan Elifaz Derde betoog van Bildad Jobs antwoord aan Bildad Job houdt zijn onschuld vol De wijsheid ligt niet binn... Job denkt terug aan zijn g... Job weet zich verguisd en bespot Job kan zich niets verwijten Eerste betoog van Elihu Tweede betoog van Elihu Derde betoog van Elihu Vierde betoog van Elihu Eerste antwoord van God Job krabbelt terug Tweede antwoord van God Job geeft zich over Epiloog
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.
U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch . Hartelijk dank!