Hoofdstuk 22 Josia van Juda [1] Josia was acht jaar toen hij koning werd; hij regeerde eenendertig jaar in Jeruzalem. Zijn moeder heette Jedidja; zij was een dochter van Adaja, afkomstig uit Boskat. [2] Hij deed wat de heer behaagt en volgde in alles het voorbeeld van zijn vader David en week daar geen voetbreed vanaf.
Het Boek van de Wet gevonden [3] In zijn achttiende regeringsjaar stuurde koning Josia de schrijver Safan, de zoon van Asaljahu, zoon van Mesullam, naar de tempel van de heer met de volgende opdracht: [4] ‘Ga naar de hogepriester Chilkia; hij moet het geld bijeenbrengen dat in het huis van de heer binnengekomen is en dat de tempelbewakers bij het volk ingezameld hebben. [5] Het moet overhandigd worden aan de voormannen die het toezicht hebben over het werk in het huis van de heer. Die moeten het uitbetalen aan de arbeiders die bezig zijn de bouwvallige gedeelten van de tempel te herstellen: [6] de timmerlieden, de bouwers en de metselaars. Zij moeten ook hout en gekapte stenen kopen om het gebouw te herstellen. [7] Maar men moet hun geen verantwoording vragen over het geld dat hun overhandigd wordt, want ze zijn in vertrouwen tewerkgesteld.’ [8] Toen zei de hogepriester Chilkia tegen de schrijver Safan: ‘Ik heb in het huis van de heer het Boek* van de Wet gevonden.’ Chilkia gaf het boek aan Safan en deze las het. [9] Daarop ging de schrijver Safan naar de koning; hij bracht hem verslag uit en zei: ‘Uw dienaren hebben het geld dat zich in de tempel bevond bijeengebracht en het overhandigd aan de werklieden die het toezicht hebben over het werk in het huis van de heer.’ [10] Verder ‘deelde de schrijver Safan de koning mee: ‘De priester Chilkia heeft mij een Boek gegeven.’ En Safan las het de koning voor. [11] Zodra de koning de inhoud van het Boek van de Wet had gehoord, scheurde hij zijn kleren doormidden [12] en gaf aan de priester Chilkia, aan Achikam, de zoon van Safan, aan Akbor, de zoon van Michaja, aan de schrijver Safan en aan zijn hoveling Asaja de volgende opdracht: [13] ‘Ga de heer raadplegen, voor mij en voor het volk, voor heel Juda, met betrekking tot wat er te lezen staat in het boek dat wij gevonden hebben. De heer moet tegen ons wel in hevige toorn ontbrand zijn, aangezien onze vaderen niet geluisterd hebben naar de woorden van dit boek en niet hebben gehandeld naar alles wat daarin geschreven staat.’ [14] De priester Chilkia ging dus met Achikam, Akbor, Safan en Asaja naar de profetes* Chulda, de vrouw van Sallum, de zoon van Tikwa, de zoon van Charchas, de beheerder van de priestergewaden; zij woonde in de nieuwe wijk van Jeruzalem. [15] De mannen raadpleegden haar en Chulda antwoordde hun: [16] ‘Zo spreekt de heer, de God van Israël: Tegen de man die u naar mij gestuurd heeft moet u zeggen: “Zo spreekt de heer: Ik ga onheil brengen over deze plaats en haar bewoners, al het onheil uit het boek dat de koning van Juda gelezen heeft. [17] Omdat ze Mij hebben verlaten en offervuur hebben ontstoken voor andere goden, zodat ze met al die maaksels van hun eigen handen mijn toorn hebben opgewekt, daarom is tegen deze plaats mijn toorn ontbrand, om niet meer gedoofd te worden.” [18] En tegen de koning van Juda, die u heeft gezonden om de heer te raadplegen, moet u het volgende zeggen: “Zo spreekt de heer, de God van Israël: U hebt goed geluisterd naar die woorden; [19] uw hart is geraakt en u hebt zich voor de heer vernederd bij het horen van wat Ik gezegd heb tegen deze plaats en haar bewoners: dat zij een voorwerp zullen worden van ontzetting en vervloeking. En omdat u uw kleren doormidden hebt gescheurd en voor mijn aanschijn geweend hebt, daarom heb Ik u verhoord. Zo luidt de godsspraak van de heer. [20] Ik zal u daarom bij uw vaderen verzamelen en u zult in* vrede bijgezet worden in uw eigen graf; uw ogen zullen niets zien van het onheil dat Ik over deze plaats ga brengen.” ’ [20] Zij brachten dit antwoord over aan de koning.
Hoofdstuk 22 Josia, koning van Juda [1] Josia was acht jaar oud toen hij koning werd. Eenendertig jaar regeerde hij in Jeruzalem. Zijn moeder was Jedida, de dochter van Adaja, uit Boskat. [2] Hij volgde in alle opzichten het voorbeeld van zijn voorvader David en hield zich daaraan: hij deed wat goed is in de ogen van de HEER. [3] In het achttiende jaar van zijn regering stuurde koning Josia zijn hofschrijver Safan, de zoon van Asaljahu, de zoon van Mesullam, met de volgende opdracht naar de tempel van de HEER: [4] ‘Ga naar de hogepriester Chilkia en laat hem het zilver klaarleggen dat door het volk ten bate van de tempel is afgedragen en door de priesters die de ingang bewaken in ontvangst is genomen. [5] Dat zilver moet ter hand worden gesteld aan de bouwmeesters die met het werk aan de tempel belast zijn, en die moeten het weer overhandigen aan de mensen die bezig zijn de bouwvallige gedeelten van de tempel te herstellen, [6] de handwerkslieden, bouwers en metselaars, zodat ze balken en gehouwen steen kunnen aanschaffen om de tempel te repareren. [7] Ze hoeven geen rekening over te leggen voor het zilver dat ze ontvangen, want ze zijn door en door betrouwbaar.’ [8] De hogepriester Chilkia zei tegen hofschrijver Safan: ‘Ik heb hier in de tempel van de HEER een boekrol gevonden met de tekst van de wet.’ Safan nam het boek in ontvangst en las het. [9] Daarop ging hij terug naar de koning om verslag uit te brengen. Hij zei: ‘Uw dienaren hebben het zilver dat in de tempel bewaard wordt, te voorschijn gehaald en overhandigd aan de bouwmeesters die belast zijn met de herstelwerkzaamheden aan de tempel van de HEER.’ [10] Vervolgens vertelde hij dat de priester Chilkia hem een boekrol had gegeven, en hij begon de koning eruit voor te lezen. [11] Bij het horen van de tekst van het wetboek scheurde de koning zijn kleren. [12] Hij beval de priester Chilkia, Achikam, de zoon van Safan, Achbor, de zoon van Micha, de hofschrijver Safan en zijn persoonlijke dienaar Asaja: [13] ‘Ga ter wille van mij en heel het volk van Juda de HEER raadplegen over de inhoud van de boekrol die we gevonden hebben, want het kan niet anders of de HEER is in hevige woede ontstoken omdat onze voorouders zich niet hebben gehouden aan wat er in dit boek staat en niet hebben gedaan wat ons is voorgeschreven.’ [14] De priester Chilkia, Achikam, Achbor, Safan en Asaja gingen naar de profetes Chulda, de vrouw van Sallum. Sallum was de zoon van Tikwa, de zoon van Charchas; hij beheerde de priesterkleding. Chulda woonde in het nieuwe stadsdeel van Jeruzalem. Toen ze haar alles verteld hadden, [15] zei Chulda tegen hen: ‘Dit zegt de HEER, de God van Israël: Zeg tegen degene die jullie naar mij heeft toegestuurd: [16] “Dit zegt de HEER: Ik zal onheil brengen over deze stad en haar bewoners, precies zoals beschreven staat in het boek dat de koning van Juda heeft gelezen. [17] Dat doe ik omdat zij zich van mij hebben afgekeerd, offers hebben ontstoken voor andere goden en mij hebben getergd met de beelden die ze gemaakt hebben. Mijn toorn tegen deze stad is hoog opgelaaid en zal niet meer doven.” [18] En tegen de koning van Juda persoonlijk, die jullie heeft gestuurd om de HEER te raadplegen, moeten jullie zeggen: “Dit zegt de HEER, de God van Israël: Jij hebt je hart opengesteld voor de woorden die je hebt gehoord. Je hebt je verootmoedigd toen je hoorde wat ik over deze stad en haar inwoners heb gezegd, namelijk dat ze als vloek en schrikbeeld zou gelden. Je hebt je kleren gescheurd en voor mij gehuild. Daarom heb ook ik naar jou geluisterd – spreekt de HEER. [20] Je zult in vrede sterven en bij je voorouders begraven worden. Jij zult niet met eigen ogen hoeven aan te zien hoe ik onheil breng over deze stad.”’
Dit antwoord brachten ze aan de koning over.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.