Hoofdstuk 35 Josia viert Pasen [1] Ook vierde Josia in Jeruzalem ter ere van de heer Pasen; men slachtte het paaslam op de veertiende dag van de eerste maand*. [2] Hij wees de priesters hun taak aan en wekte ze op om hun dienstwerk te doen in het huis van de heer. [3] En hij zei tegen de Levieten die heel Israël moesten onderrichten en aan de heer gewijd waren: ‘Plaats de heilige ark in het huis dat Salomo, de zoon van David, de koning van Israël, gebouwd heeft. U hoeft die niet meer op de schouders te dragen; dien nu de heer, uw God en Israël, zijn volk. [4] Zorg ervoor dat u gereed staat overeenkomstig uw families en uw afdelingen, volgens het voorschrift van David, de koning van Israël, en dat van zijn zoon Salomo. [5] Stel u in het heiligdom op voor de familiegroepen van uw broeders, het gewone volk, en wel zo dat de indeling van de Levieten overeenkomt met die van de families. [6] Voor het slachten van het paaslam moet u zich heiligen en uw broeders ten dienste staan, en handelen overeenkomstig het woord dat de heer door Mozes gesproken heeft.’ [7] Josia stelde voor het gewone volk kleinvee ter beschikking, 30.000 lammeren en geitjes, als paasoffer voor alle aanwezigen, en bovendien 3.000 runderen; deze dieren waren afkomstig uit het persoonlijk bezit van de koning. [8] Ook de magistraten deden een schenking aan het volk, de priesters en de Levieten. Chilkia, Zekarja en Jechiël, de huisoversten, gaven aan de andere priesters voor het paasoffer 2.600 stuks kleinvee en 300 runderen. [9] Konanjahu, Semaja en Netanel met zijn broeders, evenals Chasabja, Jeïel en Jozabad, oversten van de Levieten, stelden aan de andere Levieten voor het paasoffer 5.000 stuks kleinvee en 500 runderen ter beschikking. [10] Toen de dienst geregeld was, gingen de priesters op hun post staan, evenals de verschillende afdelingen van de Levieten, naar het voorschrift van de koning. [11] Ze slachtten de paaslammeren en de priesters sprenkelden het bloed dat de Levieten hun aanreikten; daarna vilden de Levieten de dieren. [12] De dieren die bestemd waren voor het brandoffer zonderden ze af en ze gaven die aan de familiegroepen van het gewone volk; deze moesten ze aan de heer opdragen, zoals geschreven staat in het boek van Mozes. Met de runderen deden ze hetzelfde. [13] Ze braadden het paaslam op het vuur, volgens voorschrift, kookten het overige offervlees in potten, ketels en pannen en haastten zich ermee naar het gewone volk. [14] Daarna bereidden ze het paasoffer voor zichzelf en de priesters, de zonen van Aäron, want die waren tot de nacht toe bezig met het opdragen van het brandoffer en het vet; daarom bereidden de Levieten het paasoffer voor zichzelf en voor de priesters, de zonen van Aäron. [15] De zangers, de zonen van Asaf, stonden op hun post, volgens de voorschriften van David, Asaf, Heman en Jedutun, de ziener van de koning; en de poortwachters bij de verschillende poorten. Niemand hoefde zijn dienst te onderbreken, want hun broeders, de Levieten, zorgden voor hen. [16] Zo was die dag geheel gewijd aan de viering van Pasen en het opdragen van de brandoffers op het altaar van de heer, zoals koning Josia bevolen had. [17] De aanwezige Israëlieten vierden bij die gelegenheid Pasen en het feest van de ongezuurde broden, zeven dagen lang. [18] Sinds de dagen van de profeet Samuël was Pasen in Israël nog nooit zo gevierd; geen van de koningen van Israël had Pasen gevierd zoals koning Josia het vierde met de priesters en Levieten, met alle aanwezigen van Juda en Israël en de inwoners van Jeruzalem. [19] Dit feest werd gevierd in het achttiende jaar van de regering van Josia.
De dood van Josia [20] Na dit alles, toen Josia het huis hersteld had, rukte Neko, de koning van Egypte, op om slag te leveren bij Karkemis aan de Eufraat, en Josia trok tegen hem op. [21] Toen stuurde Neko gezanten naar hem toe met de boodschap: ‘Wat hebben wij met elkaar te maken, koning van Juda? Deze veldtocht is niet gericht tegen u, maar tegen het koningshuis waarmee ik in oorlog ben, en God heeft mij gezegd dat ik mij haasten moet. Verzet u niet tegen God, die mij bijstaat; anders stort Hij u in het verderf.’ [22] Maar Josia trok zijn leger niet terug; hij luisterde niet naar de woorden van Neko, die God hem ingegeven had, maar verkleedde zich en ging in de vlakte van Megiddo tot de aanval over. [23] De boogschutters echter namen koning Josia onder schot en troffen hem. Daarop zei hij tegen zijn dienaren: ‘Breng me weg, want ik ben zwaar gewond.’ [24] Zijn dienaren tilden hem uit de strijdwagen, legden hem in zijn tweede wagen en brachten hem naar Jeruzalem. Daar stierf hij en werd hij bijgezet in de graven van zijn vaderen. Heel Juda en Jeruzalem rouwden over Josia. [25] Jeremia dichtte een klaaglied op hem. Tot op de dag van vandaag herdenken de zangers en zangeressen Josia in hun klaagzangen. Deze zijn in Israël ingeburgerd en staan, zoals men weet, opgetekend in het boek van de Klaagliederen. [26] Verdere bijzonderheden over Josia, met name zijn godsdienstige hervormingen in overeenstemming met de voorschriften van de leer van de heer, [27] en zijn andere daden, van het begin tot het einde van zijn regering, zijn te vinden in het boek van de koningen van Israël en Juda.
Hoofdstuk 35 Pesachviering [1] Josia vierde in Jeruzalem Pesach ter ere van de HEER. Op de veertiende dag van de eerste maand werden de dieren voor het pesachoffer geslacht. [2] Hij liet de priesters aantreden om hun taken uit te voeren en spoorde hen aan hun dienst in de tempel van de HEER plichtsgetrouw te volbrengen. [3] En de Levieten, die heel Israël onderwijzen en voor de dienst van de HEER geheiligd zijn, droeg hij op: ‘Zet de heilige ark neer in de tempel die koning Salomo van Israël, de zoon van David, heeft gebouwd. U hoeft de ark niet meer op uw schouders mee te dragen. Voortaan kunt u zich volledig wijden aan de dienst van de HEER, uw God, en zijn volk Israël. [4] Neem per familie en afdeling uw plaatsen in, overeenkomstig de voorschriften van koning David van Israël en zijn zoon Salomo. [5] Voor elke groep families van uw volksgenoten moet in het heiligdom een afdeling van de Levitische families gereedstaan. [6] Slacht de dieren voor het pesachoffer. Heilig u en bereid voor uw volksgenoten het pesachoffer zoals de HEER het bij monde van Mozes heeft bevolen.’ [7] Koning Josia had voor alle aanwezigen van het gewone volk uit zijn eigen vermogen dieren voor het pesachoffer ter beschikking gesteld, dertigduizend lammeren en geitjes, en bovendien nog drieduizend runderen. [8] Ook de raadsheren van de koning stelden met gulle hand bijdragen ter beschikking van het volk, de priesters en de Levieten. Chilkia, Zecharja en Jechiël, die in de tempel van God de leiding hadden, schonken aan de priesters zesentwintighonderd dieren die als pesachoffer geschikt waren en driehonderd runderen. [9] De leiders van de Levieten, Konanjahu en zijn broers Semaja en Netanel, Chasabja, Jeïel en Jozabad, stelden vijfduizend lammeren en geitjes en vijfhonderd runderen ter beschikking van de Levieten. [10] Toen alles voor de dienst in gereedheid was gebracht, de priesters hun vaste plaatsen hadden ingenomen en de Levieten zich per afdeling hadden opgesteld, zoals de koning had bevolen, [11] werden de dieren voor het pesachoffer geslacht. De priesters goten het bloed uit en de Levieten vilden de offerdieren. [12] Zij verwijderden ook de delen die verbrand moesten worden en deelden die uit aan de families van het gewone volk, zodat die ze aan de HEER konden aanbieden zoals in het boek van Mozes is voorgeschreven. Hetzelfde gebeurde met de runderen. [13] Het vlees voor het pesachoffer werd, anders dan dat voor de overige offers, dat in kookpotten, pannen en schalen werd bereid, boven het vuur geroosterd, zoals de regel voorschrijft, en meteen onder het volk uitgedeeld. [14] Daarna maakten de Levieten ook voor zichzelf en voor de priesters het pesachmaal klaar. De priesters, de nakomelingen van Aäron, waren namelijk tot in de nacht bezig de vette delen van de offers te verbranden. Daarom bereidden de Levieten behalve voor zichzelf ook voor de priesters het pesachoffer. [15] Ook de zangers, de nakomelingen van Asaf, konden op hun post blijven, zoals koning David en zijn zieners aan Asaf, Heman en Jedutun bevolen hadden, evenals de poortwachters die bij alle poorten stonden opgesteld. Er was niets dat hen ervan weerhield hun plicht te vervullen, want hun verwanten, de Levieten, bereidden voor hen het pesachoffer. [16] Zo herstelde men die dag op bevel van koning Josia de dienst aan de HEER in ere door Pesach te vieren en offers te brengen op het altaar van de HEER. [17] Alle aanwezige Israëlieten vierden Pesach en daarna het feest van het Ongedesemde brood, zeven dagen lang. [18] Sinds de dagen van de profeet Samuël was Pesach in Israël niet meer op deze manier gevierd. Geen van Israëls koningen had Pesach gevierd zoals Josia nu deed met de priesters en de Levieten en allen die uit Juda en Israël waren gekomen en de inwoners van Jeruzalem. [19] Het was in het achttiende regeringsjaar van Josia dat Pesach weer op deze manier gevierd werd.
De dood van Josia [20] Na dit alles, nadat Josia in de tempel orde op zaken had gesteld, gebeurde het dat koning Necho van Egypte optrok om slag te leveren bij Karkemis aan de Eufraat. Josia trok hem tegemoet. [21] Koning Necho stuurde hem afgezanten met het volgende bericht: ‘Wat wilt u van mij, koning van Juda? Het is niet tegen u dat ik optrek, maar tegen het koningshuis waarmee ik in oorlog ben. God heeft mij gezegd dat ik moest voortmaken. U kunt u beter niet mengen in de zaken van God, die mij ter zijde staat, anders zal hij u vernietigen.’ [22] Josia trok zich echter niet terug, maar verkleedde zich om met Necho slag te leveren. Hij luisterde niet naar wat Necho op gezag van God had gezegd, maar ging in de vlakte van Megiddo tot de aanval over. [23] Hij werd door boogschutters geraakt en riep toen zijn dienaren toe: ‘Haal me hier weg, ik ben zwaargewond.’ [24] Zijn dienaren haalden hem van zijn strijdwagen, legden hem op zijn andere wagen en brachten hem naar Jeruzalem. Daar stierf hij, en hij werd bij zijn voorouders begraven. Heel Juda en Jeruzalem rouwde over Josia. [25] Jeremia dichtte een klaaglied op hem, en tot op de dag van vandaag is het in Israël de gewoonte dat de zangers en zangeressen Josia in hun klaagliederen bezingen. Ze zijn opgetekend in het boek van de Klaagliederen. [26] Verdere bijzonderheden over Josia en de bewijzen van zijn trouw aan de wet van de HEER[27] zijn van begin tot eind opgetekend in het boek over de koningen van Israël en Juda.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.