De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Jeremia
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 15
 
  [1] De heer zei tegen mij: ‘Al stonden Mozes* en Samuël voor Mij, dan nog liet Ik mij met dit volk niet meer in. Stuur ze weg, laat ze gaan.
  [2] Als ze aan u vragen: “Waar moeten we heen”, antwoord dan: “Zo spreekt de heer:
Wie voor de dood* is bestemd gaat naar de dood;
wie voor het zwaard is bestemd, gaat naar het zwaard;
wie voor de honger is bestemd, gaat naar de honger;
wie voor de ballingschap is bestemd, gaat naar de ballingschap.
  [3] Vier machten laat Ik op hen los – godsspraak van de heer: Het zwaard om hen uit te moorden, de honden om hen weg te slepen, de vogels en de wilde dieren om hen te verscheuren en te verslinden.
  [4] Ik maak hen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken op aarde, vanwege hetgeen Manasse, de zoon van Hizkia, koning van Juda, in Jeruzalem heeft gedaan.”
 
  [5] Jeruzalem, wie heeft nog medelijden met u,
wie is nog met u begaan?
Wie komt naar u toe om te vragen hoe u het maakt?
  [6] U hebt Mij verlaten
– godsspraak van de heer
u bent van Mij weggegaan.
Daarom hef Ik mijn hand op tegen u om u te vernietigen.
Ik ben niet meer in staat om u te vergeven.
  [7] In alle steden van het land schud Ik mijn volk in de wan.
Ik beroof hen van al hun kinderen.
Ik roei hen uit omdat zij hun eigen weg blijven gaan.
  [8] Hun weduwen worden talrijker dan de zandkorrels op het strand.
Soldaten stuur Ik af op de moeders, geweldenaars op klaarlichte dag.
Plotseling sla Ik hen met schrik en ontzetting.
  [9] Moeders die vele kinderen baarden,
bezwijken en vallen in onmacht.
Midden op de dag gaat de zon voor hen onder;
ze staan beschaamd en teleurgesteld.
En wie dat nog overleeft
lever Ik over aan het zwaard van de vijand
– godsspraak van de heer.’

Ik leefde eenzaam
  [10] Wee mij, moeder,
omdat u mij het leven schenkt,
een man met wie het hele land vecht en ruziet.
Ik heb niets uitgeleend en niets in leen ontvangen,
en toch vervloekt iedereen mij.
  [11] Ik bad: ‘heer, ik heb U toch gediend voor hun welzijn,
ik heb over mijn* vijand welwillend gesproken in tijden van onheil en nood.
  [12] Maar ijzer of koper uit het noorden, kan men dat breken?’
  [13] ‘Uw rijkdommen en uw voorraden laat Ik plunderen:
dat is de prijs voor uw zonden, overal in het land.
  [14] Ik maak u de slaaf van uw vijand in een onbekend land.
Want de vlammen van mijn toorn slaan uit en woeden tegen u.’
  [15] heer, denk aan mij, help mij.
Wreek mij op mijn vervolgers,
heb niet zoveel geduld met hen dat het mijn ondergang wordt.
U weet dat ik versmaad word vanwege U.
  [16] Zodra uw woord mij bereikte verslond* ik het,
het was mijn vreugde, het maakte mij zielsgelukkig.
Ik draag* immers uw naam, heer, God van de machten.
  [17] Nooit zat ik in vrolijk gezelschap, nooit heb ik vreugde gekend.
Ik leefde eenzaam, gegrepen door U, en was van uw woede vervuld.
  [18] Waarom komt er geen eind aan mijn pijn,
waarom is mijn wond niet te helen, waarom wil ze niet genezen?
U bent voor mij een onbetrouwbare beek waarop men niet kan rekenen.
  [19] ‘Daarom’, zo spreekt de heer,
‘neem Ik u weer in mijn dienst, als u uw woorden terugneemt.
Spreek geen onwaardige taal, dan laat Ik u weer mijn tolk zijn.
Zij moeten zich richten naar u, u mag zich niet richten naar hen.
  [20] Dan maak Ik van u voor dit volk een onneembare, koperen muur.
Ze zullen u bestrijden, maar u niets kunnen doen, want Ik ben bij u
om u te helpen en u te redden
– godsspraak van de heer.
  [21] Ik verlos u uit de hand van de slechte mensen.
Ik zal u bevrijden uit de greep van de machtigen.’
Hoofdstuk 15
[1] De HEER zei tegen mij: ‘Zelfs al zouden Mozes en Samuël voor mij staan, dan nog zou ik dit volk geen gehoor geven. Stuur het weg, laat het uit mijn ogen verdwijnen.
  [2] En als ze je vragen waar ze naartoe moeten, zeg dan: Dit zegt de HEER: Wie bestemd is voor de pest – naar de pest,
wie bestemd is voor het zwaard – naar het zwaard,
wie bestemd is voor de honger – naar de honger,
wie bestemd is voor het ballingsoord – naar het ballingsoord.

     [3] Ik zal vier machten op hen afsturen – spreekt de HEER: het zwaard om te doden, honden om weg te sleuren, roofvogels en wilde dieren om te verscheuren en te verslinden. [4] Om wat koning Manasse van Juda, de zoon van Hizkia, in Jeruzalem heeft gedaan, maak ik hen tot een afschrikwekkend voorbeeld voor alle koninkrijken op aarde.
  [5] Jeruzalem, wie is nog met je begaan,
wie zal om jou een klaaglied aanheffen,
wie zal nog naar je toe komen
en vragen hoe het met je is?
 
  [6] Je hebt me verlaten – spreekt de HEER –,
je hebt me de rug toegekeerd.
Daarom hef ik mijn hand op
en sla ik je neer.
Ik ben mijn mededogen moe.
  [7] Ik verjaag je uit de steden van het land,
ik beroof je van je kinderen.
Ik zal mijn volk ombrengen,
want het heeft zijn leven niet gebeterd.
  [8] Er zullen meer weduwen zijn dan zandkorrels aan de zee.
Op de moeders van jonge soldaten
stuur ik geweldenaars af,
op het heetst van de dag.
Ik tref hen onverhoeds met angst en ontzetting.
  [9] Moeders die zeven kinderen hebben gebaard
zullen bezwijken en in onmacht vallen.
Hun zon gaat onder op klaarlichte dag,
ze worden van hun hoop beroofd en staan te schande.
En wie het overleeft, lever ik uit aan het zwaard,
geef ik aan zijn vijanden prijs
– spreekt de HEER.’

Klacht van Jeremia
  [10] ‘Wee mij! Ach moeder, dat u mij moest baren!
Ik wek overal ergernis, iedereen bestrijdt mij.
Ik ben niemands schuldeiser, en heb zelf geen schulden,
toch word ik door iedereen vervloekt.
  [11] HEER, ik heb voor hen toch tot u gebeden,*
voor hen gepleit in tijden van rampspoed en nood?
  [12] Maar het ijzer en het brons uit het noorden
doen hun vernietigend werk.’
  [13] ‘Jullie rijkdommen en schatten laat ik plunderen,
dat is de prijs voor* de zonden die je overal beging.
  [14] Ik maak jullie tot slaaf van je vijanden*
in een onbekend land.
Want het vuur van mijn toorn slaat uit,
de vlammen zullen jullie verzengen.’
  [15] ‘O HEER, u kent mij.
Denk aan mij, bekommer u om mij,
wreek mij op mijn achtervolgers.
Heb met hen niet zo veel geduld
dat het mij het leven kost.
Weet dat ik omwille van u belasterd word.
 
  [16] Telkens als ik uw woorden hoorde,
nam ik ze als voedsel tot mij.
Uw woorden gaven mij een diepe vreugde,
want ik behoor u toe, o HEER,
God van de hemelse machten.
  [17] Nooit was ik in vrolijk gezelschap,
nooit heb ik plezier gemaakt.
Eenzaam was ik, door uw toedoen,
u had mij immers volgegoten met uw woede.
  [18] Waarom blijft mijn lijden duren,
is mijn wond niet te genezen,
waarom wil hij maar niet helen?
U hebt mij teleurgesteld,
als een beek die drooggevallen is.’
  [19] ‘Dit zegt de HEER:
Als je bij mij terugkeert en ik je aanneem,
zul je mij weer dienen.
Als je waardige woorden spreekt, niets onwaardigs,
zul je weer mijn zegsman zijn.
Laat dit volk zich naar jou richten,
jij mag je niet richten naar hen.
  [20] Ik maak jou voor dit volk
tot een bronzen vestingmuur.
Ze zullen je bestrijden,
maar je niet overwinnen,
want ik zal je ter zijde staan
om je te beschermen en te redden
– spreekt de HEER.
  [21] Ik zal je redden uit de handen van boosdoeners,
ik bevrijd je uit de greep van geweldenaars.’



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties