Hoofdstuk 38 Jeremia in een put geworpen [1] Sefatja, zoon van Mattan, Gedalja, zoon van Paschur, Jukal zoon van Selemja, en Paschur, zoon van Malkia, hoorden dat Jeremia aan iedereen bleef verkondigen: [2] ‘Zo spreekt de heer: Wie in de stad blijft, gaat dood door het zwaard, de honger en de pest; wie overloopt naar de Chaldeeën blijft over; hij brengt het er levend af. [3] Zo spreekt de heer: Deze stad wordt overgeleverd aan het leger van de koning van Babel; ze wordt door hem ingenomen.’ [4] De edelen zeiden daarom tegen de koning: ‘Die man moet sterven. Door zo te spreken tast hij het moreel aan van de soldaten die nog in de stad zijn en van de hele bevolking. Die man zoekt niet het welzijn van het volk maar zijn ondergang.’ [5] Koning Sedekia antwoordde: ‘Goed, hij is in uw macht; ik kan niet tegen u op.’ [6] Toen grepen ze Jeremia en wierpen hem in de put van prins Malkia, in het kwartier van de wacht; aan touwen lieten ze hem neer. In de put stond geen water, maar Jeremia zakte weg in de modder.
Ebed-Melek trekt Jeremia uit de put [7] De Kusiet Ebed-Melek, een ambtenaar aan het hof, hoorde dat Jeremia in de put was geworpen. Terwijl de koning zitting hield in de Benjaminpoort, [8] kwam hij uit het paleis naar hem toe en zei: [9] ‘Heer koning, die mannen hebben een misdaad begaan door de profeet Jeremia in de put te werpen; hij zal daar sterven van honger, want in de stad is al het brood op.’ [10] Daarop gaf de koning de Kusiet Ebed-Melek de opdracht: ‘Neem drie mannen met u mee en haal de profeet Jeremia uit de put, voordat hij sterft.’ [11] Ebed-Melek ging met drie mannen naar het koninklijk paleis, haalde uit het magazijn lappen versleten en gescheurde kleren en liet die met touwen neer in de put, tot bij Jeremia. [12] Hij zei tegen Jeremia: ‘Doe die lappen rond het touw onder uw oksels’ en Jeremia deed dat. [13] Toen trokken ze hem aan de touwen uit de put omhoog. Jeremia verbleef nu weer in het kwartier van de wacht.
Heimelijk gesprek met Sedekia [14] Koning Sedekia liet de profeet Jeremia bij zich brengen bij de derde ingang van het huis van de heer en zei tegen hem: ‘Ik heb u iets te vragen, verberg niets voor mij.’ [15] Maar Jeremia zei tegen Sedekia: ‘Als ik niets verberg, laat u mij doden en als ik u een raad geef, luistert u niet.’ [16] Koning Sedekia verzekerde hem daarop in het diepste geheim: ‘Bij de heer die ons het leven heeft gegeven, ik laat u niet doden; ik lever u niet uit aan uw vijanden.’ [17] Daarop zei Jeremia tegen Sedekia: ‘Zo spreekt de heer, de God van de machten, Israëls God: Als u zich overgeeft aan de bevelhebbers van de koning van Babel, blijft u leven en wordt de stad niet in as gelegd. U blijft leven met heel uw familie. [18] Maar als u zich niet overgeeft aan de bevelhebber van de koning van Babel, valt de stad in handen van de Chaldeeën. Die leggen haar in as en uzelf zult niet ontsnappen.’ [19] Maar koning Sedekia zei tegen Jeremia: ‘Ik ben bang voor de Judeeërs die al naar de Chaldeeën zijn overgelopen. Als men mij aan hen uitlevert, zullen ze mij gruwelijk mishandelen.’ [20] Jeremia antwoordde: ‘Dat zal niet gebeuren. Luister toch naar wat de heer u door mij laat zeggen; dan zal het u goed gaan en blijft u in leven. [21] Maar als u zich niet overgeeft, dan gebeurt wat de heer mij liet zien. [22] Alle vrouwen die nog in het paleis van de koning van Juda zijn, worden weggevoerd naar de bevelhebbers van de koning van Babel. Dan zullen ze zeggen:
“Ze hebben u bedrogen en overweldigd,
die goede vrienden van u.
Nu uw voeten wegzakken in de modder,
trekken zij zich terug.”
[23] Uw vrouwen en kinderen worden weggevoerd naar de Chaldeeën en ook uzelf zult niet ontkomen. U wordt gevangengenomen door de koning van Babel en deze stad wordt in as gelegd.’ [24] Daarop zei Sedekia: ‘Als uw leven u lief is, laat dan niemand hier iets van te weten komen. [25] Als de edelen toch van ons onderhoud zouden horen en dan bij u komen en vragen: “Laat horen wat u tegen de koning gezegd hebt; als u ons niets verzwijgt, zullen wij u niet doden”; of als zij vragen: “Wat heeft de koning gezegd?”, [26] dan moet u antwoorden: “Ik heb de koning gesmeekt om mij niet terug te sturen naar het huis van Jonatan om daar te sterven.” ’ [27] Toen de edelen inderdaad bij Jeremia kwamen en hem trachtten uit te horen, zei hij hun precies wat de koning hem had opgedragen. Ze moesten hem toen wel met rust laten, want niemand had het gesprek gehoord. [28] Jeremia bleef in het kwartier van de wacht, totdat Jeruzalem werd ingenomen; bij de inname was hij daar nog.
Hoofdstuk 38 [1] Sefatja, de zoon van Mattan, Gedalja, de zoon van Paschur, Juchal, de zoon van Selemja, en Paschur, de zoon van Malkia, hoorden dat Jeremia de mensen bleef toespreken: [2] ‘Dit zegt de HEER: Wie in deze stad blijven, zullen sterven door het zwaard, de honger en de pest, maar wie zich overgeven aan de Chaldeeën zullen het er levend afbrengen. [3] Dit zegt de HEER: Deze stad wordt in handen gegeven van de koning van Babylonië en zijn leger; hij zal haar innemen.’ [4] De raadsheren zeiden tegen de koning: ‘Die man moet ter dood gebracht worden. Door zulke dingen te zeggen ondermijnt hij immers het moreel van de inwoners en van de soldaten die hier nog overgebleven zijn. Hij heeft niet hun behoud voor ogen, maar hun ondergang.’ [5] Koning Sedekia antwoordde: ‘Doe met hem wat je wilt; ik kan jullie niet tegenhouden.’ [6] Ze brachten Jeremia naar de waterkelder van prins Malkia, in het kwartier van de paleiswacht, en lieten hem aan touwen zakken. In de put stond geen water meer; er was alleen modder, waarin Jeremia wegzakte. [7] Ebed-Melech, een hoveling afkomstig uit Nubië, hoorde daarvan. Hij bevond zich in het koninklijk paleis, terwijl de koning zitting hield in de Benjaminpoort. [8] Ebed-Melech verliet het paleis, ging naar hem toe en zei: [9] ‘Mijn heer en koning, het is misdadig dat deze mannen Jeremia in een waterkelder hebben gegooid. Waarom moet hij juist daar van honger omkomen? Elders in de stad is ook geen brood meer.’ [10] De koning beval Ebed-Melech: ‘Ga met dertig man naar die waterkelder en haal Jeremia naar boven, voordat hij sterft.’ [11] Ebed-Melech riep toen dertig man bij elkaar en ging naar de kelder van het magazijn van het koninklijk paleis, waar hij wat versleten kleren en oude lappen haalde. Hij liet deze aan touwen naar Jeremia in de put zakken [12] en zei tegen hem: ‘Stop die kleren en lappen onder uw oksels en haal de touwen eronderdoor.’ Jeremia deed wat hij zei, [13] en zo trokken ze hem uit de put omhoog. Vanaf dat moment verbleef hij weer in het kwartier van de paleiswacht. [14] Op een dag liet koning Sedekia de profeet Jeremia opnieuw bij zich komen, in het derde poortgebouw van de tempel. Hij zei tegen hem: ‘Ik wil weten of de HEER gesproken heeft. Verzwijg niets voor me.’ [15] ‘Als ik het u vertel,’ antwoordde Jeremia, ‘zult u me laten doden; en als ik u raad geef, zult u toch niet naar me luisteren.’ [16] Maar koning Sedekia zwoer Jeremia in het geheim: ‘Zo waar de HEER, die ons dit leven heeft geschonken, leeft, ik zal u niet doden of uitleveren aan de mannen die u naar het leven staan.’ [17] Toen zei Jeremia: ‘Dit zegt de HEER, de God van de hemelse machten, de God van Israël: Als u zich overgeeft aan de bevelhebbers van de koning van Babylonië, zult u in leven blijven. Deze stad zal niet in vlammen opgaan en u en uw familie zullen worden gespaard. [18] Maar als u zich niet overgeeft aan de bevelhebbers van de koning van Babylonië, zal deze stad in handen van de Chaldeeën worden gegeven. Ze zullen haar in vlammen doen opgaan en u zult niet aan hen ontkomen.’ [19] Koning Sedekia zei: ‘Ik ben bang voor de Judeeërs die naar de Chaldeeën zijn overgelopen. Als ik aan hen word uitgeleverd, zullen ze me martelen.’ [20] ‘Dat zal niet gebeuren,’ antwoordde Jeremia. ‘Luister toch naar de HEER, in wiens naam ik tot u spreek, dan loopt het goed met u af en blijft u in leven. [21] Maar als u weigert u over te geven, zal gebeuren wat de HEER mij heeft laten zien: [22] Alle vrouwen die nog in uw paleis overgebleven zijn, zullen naar de bevelhebbers van de koning van Babylonië worden gevoerd, terwijl ze zeggen: “Vrienden hebben u opgestookt en laten u vallen: nu uw voeten in de modder blijven steken, zijn ze van u weggevlucht.” [23] Al uw vrouwen en uw kinderen worden aan de Chaldeeën uitgeleverd. Ook u zult niet aan hen ontkomen, maar gevangengenomen worden en aan de koning van Babylonië worden uitgeleverd. En deze stad zal in vlammen opgaan.’*[24] Sedekia zei tegen Jeremia: ‘Als uw leven u lief is, vertel dan niemand iets over ons gesprek. [25] Als mijn raadsheren te weten komen dat ik met u gesproken heb, zullen ze naar u toe komen en vragen wat u gezegd hebt en wat ik gezegd heb. Ze zullen dreigen u te doden als u het niet vertelt. [26] Zeg dan: “Ik heb de koning gesmeekt mij niet te laten teruggaan naar het huis van Jonatan, want daar zou ik sterven.”’ [27] En toen de raadsheren naar Jeremia kwamen en hem ondervroegen, zei hij hun precies wat de koning hem had opgedragen. Ze lieten hem verder met rust, want niemand had iets over de inhoud van het gesprek gehoord. [28] Jeremia bleef in het kwartier van de paleiswacht, tot de dag dat Jeruzalem werd ingenomen.
Toen Jeruzalem ingenomen werd
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.