De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Jeremia
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 44
Tot de Judeeërs in Egypte
[1] Dit woord kwam tot Jeremia voor al de Judeeërs die in Egypte woonden, in de steden Migdol, Tachpanches en Nof en in de streek van Patros: [2] ‘Zo spreekt de heer van de machten, de God van Israël: U hebt zelf de rampen gezien die Ik over Jeruzalem en de andere steden van Juda gebracht heb. Ze zijn nu een puinhoop waar niemand meer woont. [3] Dat komt, omdat ze Mij door hun misdaden hebben uitgedaagd: ze hebben offers gebracht en eer bewezen aan andere goden die zij niet kenden; zij, u of hun voorvaderen. [4] Steeds opnieuw heb Ik mijn dienaren, de profeten gezonden met de boodschap: “Laat die afschuwelijke praktijken achterwege; Ik walg ervan.” [5] Maar ze hebben niet geluisterd en Mij niet gehoorzaamd; ze hebben zich niet bekeerd en zijn offers blijven brengen aan andere goden. [6] Toen is mijn woede losgebarsten; mijn woede is ontvlamd tegen de steden van Juda en de straten van Jeruzalem. Zo zijn ze de puinhoop en de wildernis geworden die ze nu zijn.
     [7] Welnu’, zo spreekt de heer, de God van de machten, de God van Israël, ‘waarom doet u dit uzelf aan? Waarom wilt u de ondergang van de mannen en vrouwen, de kinderen en zuigelingen van Juda, zodat er niemand meer overblijft? [8] Waarom daagt u Mij uit met uw zelfgemaakte beelden en brengt u in Egypte waar u nu woont, offers aan andere goden? Of wilt u zelf ook ten onder gaan en een vloek en een schande worden voor alle volken op aarde? [9] Bent u dan het kwaad vergeten van uw vaderen, van de koningen van Juda en hun vrouwen, of wat u en uw vrouwen in Juda en in de straten van Jeruzalem hebben gedaan? [10] Tot op de dag van vandaag heeft niemand berouw, niemand vreest Mij of leeft volgens de wet en de voorschriften die Ik u en uw voorvaderen gegeven heb.
     [11] Daarom’, zo spreekt de heer van de machten, de God van Israël, ‘heb Ik besloten om rampen over u te brengen; heel Juda roei Ik uit. [12] De rest van Juda die besloot naar Egypte te gaan om daar te wonen, vernietig Ik. Ze gaan allemaal dood in Egypte door het zwaard en de honger; ze worden een vloek, een schrikbeeld, een voorwerp van spot en van vernedering. [13] Iedereen die in Egypte woont, straf Ik door het zwaard, de honger en de pest, zoals Ik met Jeruzalem heb gedaan. [14] Van de rest van Juda die in Egypte is gaan wonen, zal niemand ontsnappen of ontkomen; niemand behalve een enkele vluchteling zal terugkeren naar Juda, hoe graag ze dat ook zouden willen.’
     [15] Maar alle mensen die in Patros in Egypte woonden, alle mannen die wisten dat hun vrouwen offers brachten aan andere goden en de vrouwen die in grote aantallen aanwezig waren, antwoordden Jeremia: [16] ‘Wij luisteren niet naar wat u ons in naam van de heer hebt gezegd. [17] Wij houden ons aan onze beloften: we brengen reukoffers en plengoffers aan de koningin* van de hemel, zoals wij vroeger deden in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem, wij en onze voorvaderen, onze koningen en edelen. Toen hadden wij eten in overvloed; het ging ons goed en rampen kenden wij niet. [18] Maar sinds wij daarmee zijn opgehouden, hebben wij aan alles gebrek en komen wij om door het zwaard en de honger.’ [19] En de vrouwen voegden eraan toe: ‘Wij blijven reukoffers en plengoffers brengen aan de koningin van de hemel en koeken bakken met haar beeltenis erop. En dat doen wij met instemming van onze mannen.’ [20] Toen zei Jeremia tegen alle aanwezigen die hem zo hadden geantwoord, tegen de mannen en de vrouwen: [21] ‘Denkt u dat de heer de offers vergeten is die u en uw voorvaderen, uw koningen, uw edelen en burgers in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem hebben gebracht? Denkt u dat dit Hem niets heeft gedaan? [22] Hij kon die gruwelijke misdaden van u niet meer verdragen. Daarom is uw land geworden wat het nu is: een puinhoop waar niemand meer woont, een schrikbeeld, een vloek. [23] U hebt door die offers tegen de heer gezondigd en niet naar Hem geluisterd; u hebt zijn wet, zijn voorschriften en bepalingen niet nageleefd; daarom zijn nu deze rampen over u gekomen.’ [24] Tegen de vrouwen zei Jeremia: ‘Luister naar het woord van de heer: [25] Zo spreekt de heer van de machten, de God van Israël: “Vrouwen, u blijft bij wat u beloofd hebt. U zegt: ‘Wij houden de belofte die wij gedaan hebben; wij brengen reukoffers en plengoffers aan de koningin van de hemel.’ Houd die belofte dan maar en kom haar na. [26] Luister echter naar het woord van de heer, mensen van Juda die in Egypte wonen: Ik heb bij mijn grote naam gezworen, zegt de heer: In heel Egypte zal geen enkele Judeeër nog mijn naam aanroepen of zeggen: ‘Zowaar de Heer god leeft!’ [27] Want Ik ben op hun onheil uit, niet op hun heil; alle Judeeërs in Egypte worden gedood door het zwaard en de honger en worden vernietigd. [28] Slechts enkelen zullen aan het zwaard ontkomen en uit Egypte terugkeren naar Juda. Alle anderen die zich in Egypte hebben gevestigd zullen ervaren, wiens woord waar blijkt te zijn, het mijne of het hunne. [29] Door dit teken zult u weten – godsspraak van de heer – dat Ik u hier in deze plaats straf en dat mijn bedreigingen tegen u uitkomen: [30] Zo spreekt de heer: Ik lever de farao Chofra, de koning van Egypte, uit aan de vijanden* die hem naar het leven staan, zoals Ik ook koning Sedekia van Juda heb uitgeleverd aan koning Nebukadnessar van Babel, de vijand die hem naar het leven stond.” ’
Hoofdstuk 44
De Judeeërs in Egypte door onheil getroffen
[1] De HEER richtte zich bij monde van Jeremia tot de Judeeërs die in Egypte waren gaan wonen, in Migdol, Dafne, Memfis en Boven-Egypte: [2] ‘Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Jullie hebben het onheil gezien waarmee ik Jeruzalem en de andere steden van Juda getroffen heb. Het zijn nu ruïnes waar niemand meer woont. [3] Dat komt door het kwaad dat jullie hebben gedaan; jullie hebben mij gekrenkt door wierook te branden ter ere van andere goden, die jullie en je voorouders nooit hebben gekend. [4] Ik zond telkens weer mijn dienaren, de profeten, naar jullie en liet hen zeggen: Staak deze gruwelijke praktijken, ik verafschuw ze. [5] Maar jullie luisterden niet en weigerden mij gehoor te geven. Jullie staakten die kwalijke praktijken niet en bleven wierook branden voor andere goden. [6] Toen stortte ik mijn grote woede uit en liet die ontbranden over de steden van Juda en de straten van Jeruzalem. Zo werden ze de verlaten ruïnes die ze nu zijn.
     [7] Nu dan – dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Waarom roepen jullie zulk groot onheil over je af door alle mannen, vrouwen, kinderen en zuigelingen van Juda ten onder te laten gaan, zodat er niets van jullie overblijft? [8] Waarom krenken jullie mij met wat je zelf gemaakt hebt door in Egypte, waarheen jullie uitgeweken zijn, wierook te branden voor andere goden, zodat jullie je eigen ondergang bewerkstelligen, jullie naam door alle volken op aarde als een vloek zal worden gebruikt en jullie zullen worden bespot? [9] Zijn jullie het kwaad vergeten dat je voorouders en de koningen van Juda en hun vrouwen hebben gedaan, en het kwaad dat jullie zelf en jullie eigen vrouwen in Juda en in de straten van Jeruzalem hebben gedaan? [10] Ze hebben tot op de dag van vandaag geen berouw getoond, hebben zich niet laten afschrikken en hebben mijn voorschriften en wetten, die ik jullie en je voorouders heb voorgehouden, niet nageleefd.
     [11] Daarom – dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Ik ben vastbesloten onheil over jullie te brengen, ik zal alle Judeeërs uitroeien. [12] De overlevenden van Juda, die vastbesloten waren om naar Egypte uit te wijken, zal ik in Egypte laten sterven, van groot tot klein. Ze zullen vallen door het zwaard of door de honger ten onder gaan. Hun naam zal als een vloek worden gebruikt en ze zullen worden bespot en ontzetting wekken. [13] Ik zal hen die in Egypte wonen straffen zoals ik Jeruzalem heb gestraft, met het zwaard, de honger en de pest. [14] Er zal van de overlevenden van Juda, die naar Egypte zijn uitgeweken, geen vluchteling naar Juda terugkeren, hoezeer ze ook verlangen terug te keren en er opnieuw te wonen. Ze keren niet terug, op een enkele vluchteling na.’
     [15] Maar de Judeeërs die in Boven-Egypte woonden, de mannen, die wisten dat hun vrouwen wierook voor andere goden brandden, en de vrouwen zelf, die in groten getale opgekomen waren, antwoordden Jeremia: [16] ‘Wij schenken geen gehoor aan wat u in de naam van de HEER tegen ons gezegd hebt. [17] Wij doen onze geloften gestand, wij blijven voor de koningin van de hemel wierook branden en wij blijven haar wijnoffers brengen. Dat deden wij, onze voorouders, onze koningen en leiders ook in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem. Toen hadden we meer dan voldoende te eten; we waren gelukkig en bleven gevrijwaard van onheil. [18] Maar sinds we ermee opgehouden zijn, hebben we gebrek aan alles en komen we om door het zwaard en de honger.’ [19] En de vrouwen zeiden: ‘Wij hebben voor de koningin van de hemel wierook gebrand, wij hebben haar wijnoffers gebracht en koeken met haar beeltenis gebakken, maar dat gebeurde natuurlijk met medeweten van onze mannen.’
     [20] Jeremia zei tegen de Judeeërs, de mannen en vrouwen die hem dit antwoord gaven: [21] ‘De HEER is niet vergeten dat jullie, je voorouders, jullie koningen, leiders en de rest van de bevolking in de steden van Juda en de straten van Jeruzalem wierook hebben gebrand. Het staat hem nog levendig voor de geest. [22] De HEER kon jullie niet meer verdragen vanwege jullie kwalijke praktijken en gruwelijke daden. Daarom is jullie land de woestenij geworden die het nu is, een verschrikkelijke plaats waar niemand meer woont, waarvan de naam als een vloek wordt gebruikt. [23] Omdat jullie door wierook te branden tegen de HEER hebben gezondigd, hem niet hebben gehoorzaamd en zijn voorschriften, wetten en bepalingen niet hebben nageleefd, daarom is dat onheil jullie overkomen.’ [24] En Jeremia vervolgde tegen de Judeeërs en hun vrouwen: ‘Luister naar de woorden van de HEER, Judeeërs in Egypte! [25] Dit zegt de HEER van de hemelse machten, de God van Israël: Jullie en je vrouwen hebben die geloften gedaan en zijn die ook nagekomen. Jullie zeggen: “Wij hebben de geloften afgelegd dat wij voor de koningin van de hemel wierook zouden branden en dat wij haar wijnoffers zouden brengen. Wij komen onze geloften na.” Dat moeten jullie vooral doen, kom je geloften maar na! [26] Maar, Judeeërs in Egypte, luister dan wel naar de woorden van de HEER. Ik zweer bij mijn grote naam, zegt de HEER, dat er nergens in Egypte nog Judeeërs zullen zijn die mijn naam uitspreken in de eed: “Zo waar God, de HEER, leeft.” [27] Ik ben op hun ongeluk uit, niet op hun geluk. Alle Judeeërs in Egypte zullen sterven door het zwaard en de honger, totdat Juda uitgestorven is. [28] Er zal maar een klein aantal aan het zwaard ontkomen en vanuit Egypte naar Juda terugkeren. Alles wat er nog van Juda is overgebleven en naar Egypte is uitgeweken, zal weten wiens woorden standhouden – die van mij of die van hen. [29] Om jullie duidelijk te maken – spreekt de HEER – dat ik jullie hier zal straffen, dat het onheil dat ik jullie aankondig werkelijk komt, geef ik jullie het volgende teken: [30] Dit zegt de HEER: Ik lever farao Chofra, de koning van Egypte, uit aan zijn vijanden, die hem naar het leven staan, zoals ik koning Sedekia van Juda heb uitgeleverd aan koning Nebukadnessar van Babylonië, zijn vijand, die hem naar het leven stond.’



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties