De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Wijsheid van Jezus Sirach
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 31
 
Gevaren van rijkdom
  [1] Wakker* liggen over de rijkdom mergelt het lichaam uit;
dergelijke zorgen houden de slaap weg.
  [2] Zorg over het levensonderhoud houd je uit de slaap;
meer dan een zware ziekte houdt ze de slaap weg.
  [3] De rijke spant zich in en verzamelt geld
en als hij ermee ophoudt, kan hij genieten.
  [4] De arme spant zich in en krijgt niet genoeg
en als hij ermee ophoudt, is hij noodlijdend.
  [5] Wie het goud liefheeft valt niet te rechtvaardigen
en wie winst najaagt komt op een dwaalspoor.
  [6] Velen zijn door het goud ten val gekomen
en stonden plotseling voor hun ondergang.
  [7] Het is een struikelblok voor wie er verzot op zijn:
iedere dwaas laat zich erdoor vangen.
 
  [8] Gelukkig is de rijke die onberispelijk blijkt te zijn
en niet achter het goud is aangelopen.
  [9] Wie is hij? Dan prijzen wij hem gelukkig,
want hij heeft zich te midden van zijn volk bewonderenswaardig gedragen.
  [10] Wie is er op dit punt op de proef gesteld en is volmaakt gebleken?
Hij zal erom geroemd worden.
Wie kon zondigen en zondigde niet?
Wie kon kwaad aanrichten en deed het niet?
  [11] Zijn geluk zal van kracht blijven
en de vergadering zal melding maken van zijn weldaden.

Tafelmanieren
  [12] Wanneer je aanzit aan een rijke tafel,
sper je keelgat dan niet open
en zeg niet: ‘Er staat zo veel op!’
  [13] Bedenk dat een jaloers oog iets ergs is.
Iets ergers dan zo’n oog* is er niet geschapen;
daarom traant het ook bij alles wat het ziet.
  [14] Als iemand met zo’n oog toekijkt, moet jij je hand niet uitsteken
en je moet zijn hand in de schotel niet aanraken.
  [15] Beoordeel de gevoelens van je disgenoot naar jezelf
en denk na bij alles wat je doet.
  [16] Wat voor je staat moet je als een behoorlijk mens opeten
en je moet niet gulzig zijn:
anders wek je weerzin op.
  [17] Wees de eerste die ophoudt, dat is welgemanierd,
en wees geen veelvraat, anders geef je aanstoot.
  [18] Als je in een groot gezelschap aanzit,
steek dan niet als eerste je hand uit.
  [19] Een welgemanierd mens neemt met weinig genoegen,
en hij ligt niet op zijn bed naar adem te snakken.
  [20] Op matig eten volgt een gezonde slaap:
hij staat vroeg op en voelt zich uitgerust.
Hinderlijke slapeloosheid, onpasselijkheid
en maagkrampen zijn het lot van de veelvraat.
  [21] En als men je dwingt veel te eten,
sta dan op en braak het maar uit
en je zult je opgelucht voelen.
  [22] Luister naar mij, mijn kind, en wijs mij niet af:
dan zul je ten slotte mijn woorden wel begrijpen.
Wees bescheiden in alles wat je doet:
dan overkomt je geen enkele ziekte.
  [23] Wie goede tafelmanieren heeft wordt geprezen
en het getuigenis van die goede manieren blijft bestaan.
  [24] Over degene die slechte tafelmanieren heeft
spreekt de hele stad schande
en het getuigenis van die slechte manieren blijft bestaan.
  [25] Bij het wijn drinken moet je geen held willen zijn,
want de wijn heeft velen te gronde gericht.
  [26] De oven beproeft het staal op zijn hardheid:
zo beproeft de wijn de harten
als de hoogmoedigen ruzie maken.
  [27] Wijn staat voor de mens gelijk met leven,
als je hem met mate drinkt.
Wat is het leven voor iemand die geen wijn heeft?
Hij is al in het begin geschapen om vreugde te geven.
  [28] Als wijn op zijn tijd met mate wordt gedronken,
geeft hij blijdschap van hart en vreugde in de ziel.
  [29] Als wijn overdadig wordt gedronken,
geeft hij verbittering in de ziel door twist en conflict.
 
  [30] Dronkenschap maakt het hart van de dwaas zo heftig dat hij komt te vallen:
zij ondermijnt zijn kracht en bezorgt hem ook nog wonden.
  [31] Als je samen wijn drinkt,
moet je je buurman geen verwijten maken
en hem niet minachten als hij vrolijk wordt.
Je moet hem dan ook niet uitschelden
en hem niet lastig vallen
door iets van hem terug te vragen.
Hoofdstuk 31
 
Rijkdom
  [1] Slapeloosheid door rijkdom mergelt het lichaam uit,
zorg over rijkdom houdt je wakker.
  [2] Zulke zorg maakt dat je zelfs niet sluimert,
als een zware ziekte verdrijft hij de slaap.
  [3] Een rijke werkt hard en hoopt zijn geld op,
en als hij ophoudt met werken kan hij genieten.
  [4] Een arme werkt hard en heeft een schamel bestaan,
en als hij ophoudt met werken lijdt hij gebrek.
  [5] Wie van goud houdt kan niet rechtvaardig blijven,
wie rijkdom najaagt komt op een dwaalspoor.
  [6] Velen zijn door goud ten val gekomen,
ze gingen plotseling ten onder.
  [7] Verzot zijn op goud is als een struikelblok,
iedere dwaas komt erdoor ten val.
  [8] Gelukkig is de rijke die onberispelijk blijkt
en niet achter goud aan loopt.
  [9] Wie is hij? Wij zullen hem gelukkig prijzen,
want hij heeft onder zijn volk iets buitengewoons gedaan.
  [10] Wie werd door goud beproefd en bleek onkreukbaar?
Hij zal worden geroemd.
Wie kon zondigen, maar deed het niet,
wie kon kwaad doen, maar deed het niet?
  [11] Zijn bezit zal vermeerderen
en de gemeenschap zal over zijn weldaden vertellen.

Tafelmanieren
  [12] Als je aan een welvoorziene tafel zit,
sper dan niet je mond open
en zeg niet: ‘Wat een rijke dis!’
  [13] Bedenk dat een gretig oog iets slechts is,
is er iets slechters geschapen dan zo’n oog?
Daarom traant het bij alles wat het ziet.
  [14] Als iemand naar een schotel kijkt, tast dan niet toe,
graai niet samen met hem in de schotel.
  [15] Beoordeel de gevoelens van je tafelgenoot als die van jezelf
en denk na bij alles wat je doet.
  [16] Eet wat je is voorgezet als een fatsoenlijk mens,
wees geen veelvraat, wek geen weerzin op.
  [17] Wees zo welgemanierd als eerste op te houden,
wees geen gulzigaard, geef geen aanstoot.
  [18] En als je met velen aan tafel zit,
tast dan niet als eerste toe.
  [19] Voor een welgemanierd mens is weinig al voldoende,
hij snakt niet naar adem als hij op zijn bed ligt.
 
  [20] Na met mate te hebben gegeten slaapt hij goed,
hij staat vroeg op en voelt zich uitgerust.
Wie onverzadigbaar is krijgt last van slapeloosheid,
van misselijkheid en maagkrampen.
  [21] Als je veel hebt moeten eten, trek je dan terug,
braak het uit, en je voelt je opgelucht.
  [22] Mijn kind, luister naar mij, sla mijn raad niet in de wind,
op een dag zul je hem begrijpen.
Wees ijverig bij alles wat je doet,
dan krijg je geen enkele ziekte.
  [23] Wie goede tafelmanieren heeft wordt geprezen,
hij zal altijd een goede naam hebben.
  [24] Over wie slechte tafelmanieren heeft spreekt heel de stad schande,
hij zal altijd een slechte naam hebben.
  [25] Wees geen held in het drinken van wijn,
want wijn heeft velen te gronde gericht.
 
  [26] Zoals de oven gehard staal beproeft,
zo beproeft wijn het karakter van hoogmoedigen die ruzie maken.
  [27] Wijn is leven voor een mens
als je hem met mate drinkt.
Wat is het leven zonder wijn?
Wijn werd al in het begin gegeven om vreugde te schenken.
  [28] Als je hem op het juiste moment en met mate drinkt,
geeft hij blijdschap en vreugde.
  [29] Te veel wijn leidt tot bitterheid, ruzie en conflicten.
  [30] Dronkenschap maakt een dwaas zo woedend dat hij ten val komt,
ze ondermijnt zijn kracht en brengt hem wonden toe.
  [31] Maak geen ruzie met je naaste als je samen wijn drinkt
en minacht hem niet als hij vrolijk wordt.
Beledig hem dan niet
en verneder hem niet door iets van hem terug te vragen.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties