Hoofdstuk 16 Onbegrip [1] De farizeeën en sadduceeën* kwamen naar Hem toe om Hem op de proef te stellen, en ze vroegen Hem om hun een teken uit de hemel te laten zien. [2] Daarop gaf Hij hun ten antwoord: ‘’s Avonds zegt u: “Het wordt goed weer, want de hemel is vuurrood.” [3] En ’s morgens: “Vandaag komt er storm, want de hemel is donkerrood.” De verschijnselen van de hemel weet u te beoordelen, maar met de tekenen der tijden kunt u dat niet. [4] Een verdorven en overspelige generatie verlangt een teken. Maar geen ander teken zal haar gegeven worden dan het teken van Jona.’ Hij liet hen staan en ging weg. [5] De leerlingen gingen naar de overkant, maar ze hadden vergeten brood mee te nemen. [6] Jezus zei: ‘Kijk uit en pas op voor de zuurdesem van de farizeeën en sadduceeën.’ [7] Ze zeiden onder elkaar: ‘We hebben geen brood meegenomen.’ [8] Toen Jezus dat merkte, zei Hij: ‘Waarom, kleingelovigen, praten jullie er met elkaar over dat je geen brood hebt? [9] Besef je het nóg niet? En herinneren jullie je niet de vijf broden voor de vijfduizend en hoeveel korven je hebt opgehaald? [10] En de zeven broden voor de vierduizend en hoeveel manden je hebt opgehaald? [11] Hoe is het mogelijk? Beseffen jullie niet dat Ik niet over brood praatte met jullie? Maar pas wel op voor de zuurdesem van de farizeeën en sadduceeën.’ [12] Toen begrepen ze dat Hij niet bedoelde dat ze moesten oppassen voor de zuurdesem in het brood, maar voor het onderricht van de farizeeën en sadduceeën.
Jezus, Zoon van de levende God [13] Jezus kwam in de streek van Caesarea van Filippus* en vroeg zijn leerlingen: ‘Wie is de Mensenzoon volgens de mensen?’ [14] Ze zeiden: ‘Volgens sommigen Johannes de Doper, volgens anderen Elia, volgens weer anderen Jeremia of een van de profeten.’ [15] Hij zei hun: ‘En jullie, wie ben Ik volgens jullie?’ [16] Simon Petrus antwoordde hem: ‘U bent de Messias*, de Zoon van de levende God.’ [17] Jezus gaf hem ten antwoord: ‘Gelukkig ben jij, Simon Barjona; niet vlees en bloed hebben jou dat onthuld, maar mijn Vader in de hemel. [18] Ik zeg jou: jij bent Petrus*; op die steenrots zal Ik mijn kerk* bouwen*, en de poorten van het dodenrijk zullen haar er niet onder krijgen. [19] Ik zal je de sleutels geven van het koninkrijk der hemelen, en wat je op aarde bindt zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.’ [20] Toen verbood* Hij de leerlingen om iemand te zeggen dat Hij de Messias was.
Het lijden van de Mensenzoon en zijn volgelingen [21] Vanaf toen begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel moest lijden van de oudsten*, hogepriesters en schriftgeleerden, dat Hij ter dood gebracht zou worden en op de derde dag zou worden opgewekt. [22] Petrus nam Hem apart en begon Hem de les te lezen: ‘God beware U, Heer! Dat mag U niet overkomen.’ [23] Maar Hij van zijn kant zei tegen Petrus: ‘Weg daar, achter Mij, satan. Je bent een struikelblok voor Mij, want jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen.’ [24] Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Als iemand achter Mij aan wil komen, laat hij dan met zichzelf breken, zijn kruis opnemen en Mij volgen. [25] Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Wie zijn leven verliest vanwege Mij, zal het vinden. [26] Want wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar zichzelf schade toebrengt? Of wat kan een mens geven in ruil voor zichzelf? [27] Want de Mensenzoon zal komen, bekleed met de heerlijkheid van zijn Vader, samen met zijn engelen, en dan zal Hij iedereen loon naar werken geven. [28] Ik verzeker jullie, er zijn er hier die de dood niet zullen proeven voordat ze gezien hebben dat de Mensenzoon als koning komt.’
Hoofdstuk 16 De zuurdesem van de Farizeeën en de Sadduceeën [1] De Farizeeën en de Sadduceeën kwamen hem op de proef stellen met de vraag hun een teken uit de hemel te tonen. [2] Hij gaf hun daarop dit antwoord: ‘Wanneer de avond valt, zegt u: “Morgen mooi weer, want de hemel kleurt rood.” [3] En ’s ochtends: “Storm op til, want het rood aan de hemel is dreigend.” De aanblik van de hemel weet u wel te duiden, en de tekenen van de tijd niet? [4] Dit is een verdorven en trouweloze generatie. Ze verlangt een teken, maar zal geen ander teken krijgen dan dat van Jona.’ Zo liet hij hen staan en vertrok. [5] De leerlingen voeren naar de overkant, maar waren vergeten brood mee te nemen. [6] Dus toen Jezus tegen hen zei: ‘Wees terdege op je hoede voor de zuurdesem van de Farizeeën en de Sadduceeën,’ [7] begonnen ze er met elkaar over te praten dat ze geen brood hadden meegenomen. [8] Jezus merkte het en zei: ‘Kleingelovigen, waarom bespreken jullie met elkaar dat je geen brood bij je hebt? [9] Begrijpen jullie het dan nog niet, en herinneren jullie je ook de vijf broden voor de vijfduizend niet, en hoeveel manden jullie weer ophaalden? [10] En ook niet de zeven broden voor de vierduizend en hoeveel manden jullie toen weer ophaalden? [11] Hoe is het mogelijk dat jullie niet begrijpen dat ik het niet over brood had? Wees op je hoede voor de zuurdesem van de Farizeeën en de Sadduceeën!’ [12] Toen begrepen ze dat hij niet bedoelde dat ze op hun hoede moesten zijn voor de zuurdesem in het brood, maar voor het onderricht van de Farizeeën en de Sadduceeën.
Wie is Jezus? [13] Toen Jezus in het gebied van Caesarea Filippi kwam, vroeg hij zijn leerlingen: ‘Wie zeggen de mensen dat de Mensenzoon is?’ [14] Ze antwoordden: ‘Sommigen zeggen Johannes de Doper, anderen Elia, weer anderen Jeremia of een van de andere profeten.’ [15] Toen vroeg hij hun: ‘En wie ben ik volgens jullie?’ [16] ‘U bent de messias, de Zoon van de levende God,’ antwoordde Simon Petrus. [17] Daarop zei Jezus tegen hem: ‘Gelukkig ben je, Simon Barjona, want dit is je niet door mensen van vlees en bloed geopenbaard, maar door mijn Vader in de hemel. [18] En ik zeg je: jij bent Petrus, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen,* en de poorten van het dodenrijk zullen haar niet kunnen overweldigen. [19] Ik zal je de sleutels van het koninkrijk van de hemel geven, en al wat je op aarde bindend verklaart zal ook in de hemel bindend zijn, en al wat je op aarde ontbindt zal ook in de hemel ontbonden zijn.’ [20] Daarop verbood hij de leerlingen ook maar tegen iemand te zeggen dat hij de messias was. [21] Vanaf die tijd begon Jezus zijn leerlingen duidelijk te maken dat hij naar Jeruzalem moest gaan en veel zou moeten lijden door toedoen van de oudsten, de hogepriesters en de schriftgeleerden, en dat hij gedood zou worden, maar op de derde dag uit de dood zou worden opgewekt. [22] Petrus nam hem ter zijde en begon hem fel terecht te wijzen: ‘God verhoede het, Heer! Dat zal u zeker niet gebeuren!’ [23] Maar Jezus keerde hem de rug toe met de woorden: ‘Ga terug, achter mij, Satan! Je zou me nog van de goede weg afbrengen. Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen willen.’ [24] Toen zei Jezus tegen zijn leerlingen: ‘Wie achter mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen, zijn kruis op zich nemen en mij volgen. [25] Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen, maar wie zijn leven verliest omwille van mij, zal het behouden. [26] Wat heeft een mens eraan de hele wereld te winnen als hij er het leven bij inschiet? Wat zou een mens niet overhebben voor zijn leven? [27] Wanneer de Mensenzoon komt, in gezelschap van zijn engelen en bekleed met de stralende luister van zijn Vader, dan zal hij iedereen naar zijn daden belonen. [28] Ik verzeker jullie: sommigen van de hier aanwezigen zullen niet sterven voor ze de komst van de Mensenzoon en zijn koninklijke heerschappij hebben meegemaakt.’
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.