Hoofdstuk 18 Gelijkenis van een rechter en een weduwe [1] Hij vertelde hun een gelijkenis met de strekking dat ze moesten blijven bidden en de moed niet opgeven: [2] ‘In zekere stad was een rechter die God niet vreesde en zich aan geen mens iets gelegen liet liggen. [3] Een weduwe in diezelfde stad kwam telkens bij hem, met het verzoek: “Help mij aan mijn recht tegenover mijn tegenpartij.” [4] Een tijd lang weigerde hij, maar later zei hij bij zichzelf: “Ik ben wel niet godvrezend en laat me aan geen mens iets gelegen liggen, [5] maar omdat ze zo lastig is, zal ik deze weduwe aan haar recht helpen; anders komt ze me uiteindelijk een klap in mijn gezicht geven.” ’ [6] De Heer zei: ‘Hoor wat die onrechtvaardige rechter zegt. [7] Zou God dan geen recht doen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem om hulp roepen en naar wie Hij welwillend luistert? [8] Ik verzeker jullie dat Hij hun spoedig recht zal doen. Maar als de Mensenzoon komt, zal Hij dan werkelijk dit geloof op aarde vinden?’
Gelijkenis van een farizeeër en een tollenaar [9] De volgende gelijkenis vertelde Hij met het oog op mensen die overtuigd zijn van hun eigen rechtvaardigheid en neerzien op alle anderen: [10] ‘Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, de een was een farizeeër*, de ander een tollenaar. [11] De farizeeër ging daar staan en sprak in zijn gebed over zichzelf: “God, ik dank U dat ik niet ben zoals de andere mensen, hebzuchtig, onrechtvaardig en overspelig, of zoals die tollenaar daar! [12] Ik vast tweemaal per week en geef een tiende weg van al mijn inkomsten.” [13] De tollenaar daarentegen, die op een afstand bleef staan, durfde zelfs zijn ogen niet naar de hemel op te slaan. Hij sloeg zich vol berouw op de borst en zei: “O God, genade voor een arme zondaar!” [14] Ik verzeker jullie dat deze man gerechtvaardigd naar huis ging, en de ander niet. Want ieder die zich verheft zal vernederd worden, maar wie zich vernedert zal verheven worden.’
Kinderen bij Jezus [15] Ze* brachten ook kleine kinderen bij Hem, met de bedoeling dat Hij ze zou aanraken. Wanneer de leerlingen dat zagen, wezen ze hen terecht. [16] Maar Jezus riep de kinderen bij zich en zei: ‘Laat ze bij Me komen en houd ze niet tegen, want van zulke kinderen is het koninkrijk van God. [17] Ik verzeker jullie, wie het koninkrijk van God niet als een kind aanvaardt, komt er beslist niet in.’
Gesprek met een rijke [18] Een aanzienlijk man stelde Hem deze vraag: ‘Goede meester, wat* moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?’ [19] Jezus zei tegen hem: ‘Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed, alleen God. [20] De geboden kent u: geen echtbreuk plegen, niet doden, niet stelen, niet vals getuigen, en uw vader en uw moeder eren.’ [21] ‘Aan dat alles heb ik mij van jongs af gehouden’, zei de man. [22] ‘Dan rest u nog één ding’, zei Jezus tegen hem. ‘Verkoop alles wat u hebt, deel het uit aan de armen, en u hebt een schat in de hemel. Kom dan terug om Mij te volgen.’ [23] Toen hij dit hoorde werd hij diep bedroefd, want hij was buitengewoon rijk. [24] Toen Jezus zag dat hij diep bedroefd werd, zei Hij: ‘Wat is het voor mensen met geld toch moeilijk om het koninkrijk van God binnen te komen. [25] Een kameel komt gemakkelijker door het oog van een naald dan een rijke in het koninkrijk van God.’ [26] ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ vroegen de toehoorders. [27] Hij zei: ‘Wat menselijk gezien onmogelijk is, is mogelijk dankzij God.’ [28] Toen zei Petrus: ‘Wij hebben toch maar huis* en haard verlaten om U te volgen.’ [29] Hij zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie, er is niemand die zijn huis, zijn vrouw*, broers* en zusters, ouders of kinderen heeft achtergelaten omwille van het koninkrijk van God, [30] of hij krijgt dat in* deze tijd veelvoudig vergoed, en in de komende wereld krijgt hij eeuwig leven.’
Derde schets van de lijdensweg van de Mensenzoon [31] Hij nam de twaalf apart en zei tegen hen: ‘Kijk, we gaan op naar Jeruzalem, en alles* wat door de profeten is geschreven over de Mensenzoon zal in vervulling gaan. [32] Hij zal overgeleverd worden aan de heidenen en worden bespot, beledigd en bespuugd. [33] Ze zullen Hem geselen en ter dood brengen, en op de derde dag zal Hij opstaan.’ [34] Maar zij begrepen er niets van; het bleef verborgen voor hen en wat Hij zei konden ze maar niet vatten.
Genezing van een blinde bij Jericho [35] Toen Hij in de buurt van Jericho kwam, zat er een blinde langs de weg te bedelen. [36] Die hoorde veel mensen voorbijkomen en vroeg wat er aan de hand was. [37] ‘Jezus de Nazoreeër* komt hierlangs’, vertelden ze hem. [38] Toen riep hij: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!’ [39] Degenen die voorop liepen snauwden hem toe dat hij zijn mond moest houden. Maar hij schreeuwde des te harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ [40] Jezus bleef staan en gaf opdracht om de man bij Hem te brengen. Toen hij voor Hem stond, vroeg Hij : [41] ‘Wat wilt u dat Ik voor u doe?’ Hij zei: ‘Dat ik weer zien kan, Heer.’ [42] ‘Kijk Me aan!’ zei Jezus, ‘uw vertrouwen* is uw redding.’ [43] Meteen kon hij weer zien; en hij volgde Hem terwijl hij God verheerlijkte. Heel het volk zag het en prees God.
Hoofdstuk 18 [1] Hij vertelde hun een gelijkenis over de noodzaak om altijd te bidden en niet op te geven: [2] ‘Er was eens een rechter in een stad die geen ontzag had voor God en zich niets aan de mensen gelegen liet liggen. [3] Er woonde ook een weduwe in die stad, die steeds weer naar hem toe ging met het verzoek: “Doe mij recht in het geschil met mijn tegenstander.” [4] Maar lange tijd wilde hij dat niet doen. Ten slotte zei hij bij zichzelf: Ook al heb ik geen ontzag voor God en laat ik mij niets aan de mensen gelegen liggen, [5] toch zal ik die weduwe recht verschaffen omdat ze me last bezorgt. Anders blijft ze eindeloos bij me komen en vliegt ze me nog aan.’ [6] Toen zei de Heer: ‘Luister naar wat deze rechter zegt, al minacht hij ook het recht. [7] Zal God dan niet zeker recht verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen? Of laat hij hen wachten? [8] Ik zeg jullie dat hij hun spoedig recht zal verschaffen. Maar als de Mensenzoon komt, zal hij dan geloof vinden op aarde?’
De erfgenamen van het koninkrijk van God [9] Met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden en anderen minachten, vertelde hij de volgende gelijkenis. [10] ‘Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, de een was een Farizeeër en de ander een tollenaar. [11] De Farizeeër stond daar rechtop en bad bij zichzelf: “God, ik dank u dat ik niet ben als de andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik ook niet ben als die tollenaar. [12] Ik vast tweemaal per week en draag een tiende van al mijn inkomsten af.” [13] De tollenaar echter bleef op een afstand staan en durfde niet eens zijn blik naar de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich op de borst en zei: “God, wees mij zondaar genadig.” [14] Ik zeg jullie, hij ging naar huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander niet. Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.’ [15] De mensen probeerden ook kleine kinderen bij hem te brengen om ze door hem te laten aanraken. Toen de leerlingen dat zagen, berispten ze hen. [16] Maar Jezus riep de kinderen bij zich en zei: ‘Laat ze bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij. [17] Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan!’ [18] Een hooggeplaatst persoon vroeg hem: ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’ [19] Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, alleen God. [20] U kent de geboden: pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, leg geen vals getuigenis af, toon eerbied voor uw vader en uw moeder.’ [21] De man zei: ‘Aan dat alles heb ik me sinds mijn jeugd gehouden.’ [22] Toen Jezus dat hoorde, zei hij: ‘Nog één ding ontbreekt u. Verkoop alles wat u hebt en verdeel de opbrengst onder de armen, dan zult u een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg mij!’ [23] Toen de man dat hoorde, werd hij diepbedroefd. Hij was namelijk zeer rijk. [24] Toen Jezus zag dat de man zo bedroefd werd, zei hij: ‘Wat is het moeilijk voor rijken om het koninkrijk van God binnen te gaan. [25] Het is gemakkelijker voor een kameel om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke om het koninkrijk van God binnen te gaan.’ [26] Daarop zeiden zijn toehoorders: ‘Wie kan er dan nog gered worden?’ [27] Jezus zei: ‘Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.’ [28] Toen zei Petrus: ‘Maar wij hebben alles wat we bezaten achtergelaten om u te volgen.’ [29] Jezus zei tegen hen: ‘Ik verzeker jullie: iedereen die huis of vrouw, broers of zusters, ouders of kinderen heeft achtergelaten omwille van het koninkrijk van God, [30] zal reeds in deze tijd het veelvoudige ontvangen en in de tijd die komt het eeuwige leven.’
Optreden in Jericho [31] Hij nam de twaalf apart en zei tegen hen: ‘We zijn nu op weg naar Jeruzalem, en alles wat door de profeten is geschreven zal men de Mensenzoon laten ondergaan. [32] Want hij zal worden uitgeleverd aan de heidenen en worden bespot en mishandeld en bespuwd. [33] En nadat hij is gegeseld, zal hij worden gedood, maar op de derde dag zal hij opstaan.’ [34] De leerlingen begrepen er niets van. De betekenis van Jezus’ woorden bleef voor hen verborgen, en ze konden maar niet bevatten wat hij had gezegd. [35] Toen hij in de buurt van Jericho kwam, zat er langs de weg een blinde te bedelen. [36] Toen de blinde een menigte voorbij hoorde komen, vroeg hij wat er gaande was. [37] Ze zeiden tegen hem: ‘Jezus uit Nazaret komt voorbij.’ [38] Daarop riep de blinde: ‘Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!’ [39] Degenen die voorop liepen, snauwden hem toe dat hij moest zwijgen, maar hij schreeuwde des te harder: ‘Zoon van David, heb medelijden met mij!’ [40] Jezus bleef staan en zei dat men de blinde bij hem moest brengen. Toen deze voor hem stond, vroeg hij hem: [41] ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?’ De blinde antwoordde: ‘Heer, zorg dat ik weer kan zien.’ [42] Jezus zei: ‘Zie weer! Uw geloof heeft u gered.’ [43] Onmiddellijk kon hij weer zien en hij volgde hem terwijl hij God loofde. Alle mensen die getuige waren geweest van dit voorval brachten hulde aan God.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.