De bijbel De bijbel
 
..........
 
 Het evangelie volgens Johannes
WB 
  NBV 
 


Geloof en ongeloof
     [22] Toen werd in Jeruzalem het feest* van de tempelwijding gevierd. Het was winter, [23] en Jezus liep op en neer in de tempel, in de Zuilengang van Salomo. [24] De* Joden kwamen om Hem heen staan en zeiden: ‘Hoe lang laat U ons nog in het onzekere? Als U de Messias bent, zeg het ons dan ronduit.’ [25] Jezus antwoordde: ‘Dat heb Ik al gedaan, maar u wilt niet geloven: de daden die Ik namens mijn Vader verricht, getuigen van Mij. [26] Maar omdat u niet tot mijn schapen behoort, wilt u niet geloven. [27] Mijn schapen luisteren naar mijn stem; Ik ken ze en ze volgen Mij. [28] Ik geef hun eeuwig leven: nooit zullen ze verloren gaan, niemand zal ze aan mijn hand ontrukken. [29] Want* wat mijn Vader Mij heeft toevertrouwd, gaat alles te boven: niemand kan het ontrukken aan de hand van mijn Vader! [30] Ik* en de Vader, Wij zijn één.’
     [31] Weer scheelde het niet veel of de Joden hadden Hem gestenigd. [32] Hierop zei Jezus: ‘Zoveel daden heb Ik u te zien gegeven, weldaden die van de Vader kwamen; om welke daarvan wilt u Mij stenigen?’ [33] De Joden antwoordden: ‘Niet om een weldaad willen we U stenigen, maar wegens godslastering. Want hoewel U maar een mens bent, geeft U zich voor God uit.’ [34] Jezus hernam: ‘Staat er niet in uw wet* geschreven: Ik heb gezegd: jullie zijn goden? [35] Als dus de wet degenen tot wie dit woord gericht wordt, goden noemt – en de Schrift is onaantastbaar – [36] met welk recht bestempelt u dan degene die de Vader heeft uitverkoren en naar de wereld heeft gezonden, als een godslasteraar omdat Hij zich Zoon van God noemt? [37] Als Ik de daden* van mijn Vader niet verricht, hoeft u niet in Mij te geloven. [38] Maar als Ik ze wel verricht, dan zou u, ook als u niet gelooft in Mij, toch moeten geloven op grond van die daden, zodat u eindelijk en voorgoed gaat erkennen dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.’ [39] Weer hadden ze Hem toen willen grijpen, maar Hij wist uit hun handen te blijven. [40] Hij keerde terug naar de plaats aan de overkant van de Jordaan waar Johannes indertijd gedoopt had en daar bleef Hij. [41] Velen kwamen naar Hem toe. Ze zeiden: ‘Johannes heeft dan wel geen enkel teken verricht, maar alles wat hij over deze man heeft gezegd, was waar.’ [42] En velen kwamen daar tot geloof in Hem.


Geloof en ongeloof
     [22] In Jeruzalem werd het feest van de Tempelwijding gevierd; het was winter. [23] Jezus liep in de tempel, in de zuilengang van Salomo. [24] Daar kwamen de Joden om hem heen staan, en ze vroegen hem: ‘Hoe lang houdt u ons nog in het onzekere? Als u de messias bent, zeg het ons dan ronduit.’ [25] Jezus antwoordde: ‘Dat heb ik u al gezegd, maar u gelooft het niet. Wat ik namens mijn Vader doe getuigt over mij, [26] maar u wilt me niet geloven, omdat u niet bij mijn schapen hoort. [27] Mijn schapen luisteren naar mijn stem, ik ken ze en zij volgen mij. [28] Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven. [29] Wat mijn Vader mij gegeven heeft gaat alles te boven,* niemand kan het uit de hand van mijn Vader roven, [30] en de Vader en ik zijn één.’
     [31] Toen de Joden weer stenen opraapten omdat ze hem wilden stenigen, [32] zei Jezus: ‘Ik heb door de Vader veel goeds voor u gedaan; waarom wilt u me stenigen?’ [33] ‘Voor een goede daad zullen we u niet stenigen,’ antwoordden ze, ‘maar wel voor godslastering: u bent een mens, maar u beweert dat u God bent!’ [34] Jezus zei: ‘Staat er in uw wet niet geschreven: “Ik heb gezegd: ‘U bent goden’”? [35] De Schrift blijft altijd van kracht; als mensen tot wie God spreekt goden genoemd worden, [36] hoe kunt u mij, door de Vader geheiligd en naar de wereld gezonden, dan beschuldigen van godslastering wanneer ik zeg dat ik Gods Zoon ben? [37] Als wat ik doe niet van mijn Vader komt, geloof me dan niet, [38] maar als dat wel het geval is en u gelooft me toch niet, geloof dan tenminste wat ik doe. Dan zult u begrijpen dat de Vader in mij is en dat ik in de Vader ben.’ [39] En weer wilden ze hem grijpen, maar hij ontsnapte.
     [40] Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerder gedoopt had. Daar bleef hij. [41] Veel mensen kwamen naar hem toe; ze zeiden: ‘Johannes heeft weliswaar geen wonderteken gedaan, maar alles wat hij over deze man gezegd heeft is waar.’ [42] En velen kwamen daar tot geloof in hem.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties