De bijbel De bijbel
 
..........
 
 De brief aan de Hebreeën
WB 
  NBV 
 
Hoofdstuk 4
[1] Daarom, zolang de belofte van het binnengaan in zijn rust nog geldt, moeten wij oprecht zorgen dat niemand van u de indruk wekt achter te blijven. [2] Want ook wij hebben het goede nieuws gehoord, net als zij. Maar het woord dat zij hoorden, heeft hun niet gebaat, omdat het niet gepaard ging met geloof bij de hoorders. [3] Want wij gaan die rust binnen, wij die tot het geloof gekomen zijn, zoals Hij gezegd heeft: En Ik heb gezworen in mijn toorn: Nooit zullen zij in mijn* rust binnengaan. Weliswaar* was Gods werk al klaar vanaf de schepping van de wereld. [4] Want over de zevende dag heeft Hij ergens gezegd: En God rustte op de zevende dag van al zijn werk. [5] Maar hier lezen we: Nooit zullen zij mijn rust binnengaan. [6] Het staat dus vast dat er een rust is waarin mensen mogen binnengaan, maar zij die als eersten het goede nieuws hebben gehoord, zijn er niet binnengegaan, omdat zij weigerden te gehoorzamen. [7] Daarom stelt God opnieuw een dag vast, een ‘vandaag’, waarover Hij – zoals al eerder is opgemerkt – na zo lange tijd door David zegt: Vandaag, als u zijn stem hoort, maak dan van uw hart geen steen. [8] Als Jozua hen werkelijk in die rust had binnengeleid, zou God later niet meer over een andere dag gesproken hebben. [9] Het staat dus vast dat het volk van God nog een sabbatsrust te wachten staat. [10] En wie Gods rust mag binnengaan, rust uit van al zijn werk, zoals God van het zijne. [11] Laten we dus ons best doen om die rust binnen te gaan. Laat niemand ten val komen door het slechte voorbeeld van hun ongehoorzaamheid na te volgen.
     [12] Want het woord* van God is levend en krachtig. Het is scherper dan een tweesnijdend zwaard en dringt door tot het raakpunt van ziel* en geest, van merg en beenderen. Het ontleedt de bedoelingen en gedachten van het hart. [13] Geen schepsel is voor Hem verborgen, alles ligt open en bloot voor de ogen van Hem aan wie wij rekenschap hebben af te leggen.

Jezus, onze hogepriester
     [14] Nu wij een verheven hogepriester* hebben, een die de hemelse* sferen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten wij vasthouden aan onze belijdenis. [15] Want* wij hebben een hogepriester die in staat is om mee te voelen met onze zwakheden; Hij werd zelf op allerlei manieren op de proef gesteld, precies zoals wij, afgezien dan van de zonde. [16] Laten wij daarom vrijmoedig naderen tot de troon van Gods genade, om barmhartigheid en genade te vinden en zo hulp te krijgen op de juiste tijd.
Hoofdstuk 4
[1] Aangezien de belofte om binnen te gaan in Gods rust nog steeds van kracht is, moeten we ervoor waken dat iemand van u ook maar de schijn wekt deze gelegenheid aan zich voorbij te laten gaan. [2] Want aan ons is het goede nieuws verkondigd, net als indertijd aan hen; maar anders dan voor wie het in geloof aannemen, was het verkondigde woord voor hen niet heilzaam. [3] Omdat wij echter geloven, gaan we binnen in de rust waarvan eerder sprake was: ‘In mijn toorn heb ik gezworen: “Nooit zullen ze binnengaan in mijn rust,”’ – en dat terwijl zijn werk toch al met de grondvesting van de wereld voltooid werd! [4] Over de zevende dag wordt immers ergens gezegd: ‘En op de zevende dag rustte God van al zijn werk,’ [5] terwijl hier wordt gezegd: ‘Nooit zullen ze binnengaan in mijn rust.’ [6] Het staat dus vast dat er wel mensen in kúnnen binnengaan. En omdat zij aan wie vroeger het goede nieuws verkondigd is, er vanwege hun ongehoorzaamheid niet zijn binnengegaan, [7] legt God nu opnieuw een dag vast, een ‘vandaag’, waarover hij, zoals eerder is opgemerkt, lange tijd later David heeft laten zeggen: ‘Horen jullie vandaag zijn stem, wees dan niet koppig.’ [8] Was de rust hun al door Jozua gegeven, dan zou God daarna niet meer over een andere dag hebben gesproken. [9] Er wacht het volk van God dus nog steeds een sabbatsrust. [10] En wie is binnengegaan in zijn rust, vindt rust na zijn werk zoals God na het zijne. [11] Laten we dus alles op alles zetten om te kunnen binnengaan in die rust, en zo voorkomen dat ook maar iemand dit voorbeeld van ongehoorzaamheid volgt en te gronde gaat. [12] Want levend en krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden. [13] Niets van wat geschapen is blijft voor hem verborgen, alles is onverhuld en volkomen zichtbaar voor de ogen van hem aan wie wij rekenschap moeten afleggen.

Trouw blijven aan de belijdenis
     [14] Nu wij een hooggeplaatste hogepriester hebben die de hemel is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten we vasthouden aan het geloof dat we belijden. [15] Want de hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat hij niet vervallen is tot zonde. [16] Laten we dus zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden.



De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.

De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.

U kunt uw bijdrage overmaken op banknummer 1660666 ten name van Stichting Vrienden van de Bijbel te Den Bosch.  Hartelijk dank!
 

 
 
 
  - Disclaimer
- Richtlijnen voor het gebruik van de internetversies van de Willibrordvertaling, De Nieuwe Bijbelvertaling en de bijbelteksten van het Lectionarium: © 1969-2013.
- Een project van de Katholieke Bijbelstichting; ontwerp en techniek: Sync Creatieve Producties