Met betrekking tot Edom.
Zo spreekt de heer van de machten:
‘Is er in Teman* geen wijsheid meer?
Weten de verstandigen geen raad,
is hun inzicht verschraald?
Ik plunder zelf Esau helemaal kaal,
Ik leg zijn schuilplaats bloot,
zodat hij zich nergens kan verbergen.
Zijn nakomelingen en verwanten worden uitgeroeid;
niemand van zijn buren zegt:
Ik heb bij Mezelf gezworen – godsspraak van de heer: Bosra wordt tot een schrikbeeld, tot een voorwerp van smaad, verlaten en vervloekt; de andere steden zullen een puinhoop blijven.’
Iedereen had ontzag voor u; dat heeft u misleid,
u bent overmoedig geworden.
U hebt zich in de rotsen genesteld
en de hoogste heuvels bezet.
Maar al is uw nest ongenaakbaar
zoals het nest van de adelaar,
Ik haal u naar beneden
– godsspraak van de heer.
Zoals een leeuw uit de bossen bij de Jordaan
de kudden overvalt,
zo jaag Ik hen in een oogwenk uiteen
en roof de vetste bokken.
Want wie is Mij waardig,
wie kan Mij ter verantwoording roepen,
welke herder kan tegen Mij op?
Luister daarom naar het besluit van de heer over Edom,
naar zijn plannen met de inwoners van Teman:
Ook de jongste dieren worden weggesleept,
zodat zelfs de weiden in verwarring zijn.
Als een adelaar stijgt hij op en hij stort neer op Bosra,
de vleugels gespreid.
Op die dag wordt het hart van de soldaten
als dat van een vrouw in haar weeën.’
Dit zegt de HEER van de hemelse machten over Edom:
Is er geen wijsheid meer in Teman,
gaat men daar niet langer met verstand te werk,
is elk inzicht daar verdwenen?
Vlucht, vlucht weg, inwoners van Dedan,
zoek een diep verborgen schuilplaats.
Ik breng onheil over Esaus nageslacht,
het tijdstip is gekomen dat ik met hen afreken.
Maar ik pluk het land van Esau kaal,
elke schuilplaats leg ik bloot.
Niemand kan zich nog verbergen,
heel het nageslacht van Esau wordt verdelgd.
Niemand overleeft, geen broers, geen buren.
Niemand zegt:* “Vertrouw de wezen toe aan mij,
ik zal voor ze zorgen.
Laat de weduwen op mij vertrouwen.”
[12] Dit zegt de HEER: Zelfs zij die het niet verdienen uit de beker van mijn toorn te drinken, zullen eruit drinken. Denk jij dan je straf te ontlopen? Je zult niet ongestraft blijven. Drinken zul je! [13] Ik zweer bij mijzelf – spreekt de HEER – dat Bosra een verschrikkelijke woestenij wordt, een plaats die wordt bespot en vervloekt, en dat alle steden eromheen voor altijd een ruïne worden.’
Door je hoogmoed heb je je laten verleiden,
door je ongenaakbaarheid.
Hoog woon je, hoog in de rotskloven,
de hoogste bergtoppen houd je bezet.
Maar al bouw je als een adelaar een hooggelegen nest,
dan nog haal ik je neer – spreekt de HEER.
[17] Dan zal Edom een verschrikkelijke plaats zijn. Ieder die er komt zal huiveren om het onheil dat het getroffen heeft, ieder stokt de adem in de keel. [18] Het wordt volkomen verwoest – zegt de HEER – zoals Sodom en Gomorra en de naburige steden werden verwoest. Niemand zal in Edom wonen, mensen zullen er niet meer verblijven.
Zoals een leeuw een kudde overvalt
vanuit het struikgewas bij de Jordaan,
zo val ik Edom binnen
en jaag het volk uiteen.
Welke held zou ik het laten beschermen?
Wie is als ik, wie kan mij trotseren?
Welke herder houdt tegen mij stand?
Luister daarom naar de plannen van de HEER
die hij tegen Edom heeft beraamd.
Hoor wat hij voor Teman in gedachte heeft.
Hij zweert dat zelfs de zwakste schapen worden weggesleurd,
op hun weidegronden klinken kreten van verbijstering.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.