Hoofdstuk 11 [1] In* het eerste regeringsjaar van Darius, de Mediër, heb ik hem geholpen en gesteund. [2] Nu ga ik u de waarheid vertellen.
De openbaring van de toekomst [2] Nog drie* koningen zullen over Perzië regeren; dan komt de vierde* die alle anderen in rijkdom zal overtreffen. Omdat hij zich sterk voelt door zijn rijkdom, zal hij alles in beweging brengen tegen het koninkrijk Griekenland. [3] Maar dan zal er een heldenkoning* verschijnen, van wie de macht zich ver zal uitstrekken en die doet wat hij wil. [4] Nauwelijks heeft hij de macht in handen, of zijn rijk wordt in stukken gebroken en naar de vier windstreken verdeeld. Het komt niet aan zijn nakomelingen toe en het zal ook niet de macht vertegenwoordigen die hij bezat, want zijn rijk wordt uiteengescheurd en aan anderen gegeven. [5] Hoewel de koning* van het zuiden machtig zal zijn, zal toch een* van zijn generaals hem overvleugelen: hij zal heersen en zijn macht zal zich ver uitstrekken. [6] Na verloop van jaren zullen ze een verbond sluiten en de dochter* van de koning van het zuiden zal naar de koning van het noorden gaan om de vrede te bevestigen. Maar zij zal haar invloed niet behouden. Omdat ook zijn gezag geen stand houdt, wordt zij gedood: ook degenen die haar naar het noorden gebracht hebben, haar vader en haar man, komen in die tijd om het leven. [7] In de plaats van haar vader komt een tak* uit haar wortels. Die rukt op tegen het leger van de koning van het noorden, trekt zijn vesting binnen en laat hem zijn macht voelen. [8] Zelfs hun eigen goden en beelden, hun kostbare voorwerpen van zilver en goud, zal hij als buit naar Egypte voeren. Als hij dan jarenlang de koning van het noorden met rust heeft gelaten, [9] valt deze het rijk van de koning van het zuiden binnen. Maar hij zal verslagen terugkeren. [10] Dan* rukt zijn zoon uit voor de strijd en brengt een grote legermacht op de been; hij valt binnen en overspoelt met zijn leger als een stroom het land. Hij bereidt zich weer voor en dringt door tot de vesting van de koning van het zuiden. [11] Verbeten rukt deze dan uit om de strijd aan te binden met de koning van het noorden. Hoewel die een groot leger op de been brengt, zal dat toch in handen vallen van de koning van het zuiden [12] en worden weggevaagd. Die zal dan trots worden maar ook al velt hij er tienduizenden, zijn macht houdt geen stand. [13] De koning van het noorden zal opnieuw een leger uitrusten, groter dan het eerste, en na verloop van enige jaren met een machtig leger en een geweldige vloot tegen hem optrekken. [14] In die tijd zullen velen in opstand komen tegen de koning van het zuiden; ook in uw eigen volk zullen misdadigers de kop opsteken en zo een voorspelling doen uitkomen, maar ze komen ten val. [15] De koning van het noorden zal binnenvallen, een wal opwerpen en een vesting innemen. De strijdkrachten van het zuiden zullen geen stand houden, zelfs zijn keurtroepen zullen niet sterk genoeg zijn om weerstand te bieden. [16] De* aanvaller zal doen wat hij wil, omdat niemand hem kan tegenhouden. Zo zal hij, verwoestingen aanrichtend, vaste voet krijgen in het glorievolle land. [17] Zijn streven is erop gericht het hele rijk van de koning van het zuiden in zijn macht te krijgen. Ten behoeve daarvan zal hij een vredesverdrag met hem sluiten en hem een vrouw geven om zo zijn rijk te gronde te richten. Maar hij zal niet in zijn opzet slagen en zijn plan mislukt. [18] Dan* zal hij zijn blikken richten op de kustlanden en een groot deel ervan veroveren, maar een generaal zal aan zijn hoogmoedig optreden een einde maken zonder dat hij die geleden vernedering kan wreken. [19] Ten slotte zal hij zich keren tegen de vestingen in zijn eigen land, maar hij zal struikelen, vallen en verdwijnen. [20] In* zijn plaats zal iemand opstaan die een afperser naar de glorie van het koninkrijk zal zenden, maar na enkele dagen zal hij worden gebroken, echter niet door woede of oorlog. [21] Hij zal worden opgevolgd door een verachtelijk* persoon. De grootsheid van het koningschap was hem niet verleend maar door zijn onverwachte komst en zijn sluwe streken zal hij zich van de koninklijke macht meester maken. [22] Hele legers zullen door hem worden weggevaagd en gebroken, ook een vorst* van het verbond laat hij verdwijnen. [23] Nauwelijks heeft men zich bij hem aangesloten of hij pleegt bedrog; zo weet hij omhoog te komen en machtig te worden met behulp van een klein deel van het volk. [24] Onverhoeds valt hij de meest vruchtbare streken van het land binnen en doet wat zijn vaderen en voorvaderen nooit gedaan hebben; de rijkdommen die hij er rooft en buit maakt, deelt hij royaal uit onder zijn aanhangers; zelfs tegen vestingen zal hij aanslagen beramen maar slechts voor een tijd. [25] Dan richt hij zijn kracht en zijn aandacht op de koning van het zuiden, tegen wie hij met een groot leger oprukt. Ook de koning van het zuiden bereidt zich voor op de strijd, maar ondanks zijn uitermate groot en sterk leger, kan hij geen stand houden, omdat men tegen hem samenzweert. [26] Zijn eigen tafelgenoten bewerken zijn ondergang; zijn leger wordt weggevaagd en er vallen veel doden. [27] Hoewel beide koningen aan dezelfde tafel plaatsnemen, voeren ze tegen elkaar kwaad in het schild en proberen ze elkaar te misleiden, maar zonder resultaat want het einde komt pas op de vastgestelde tijd. [28] Met grote rijkdommen keert de koning van het noorden naar zijn land terug. Maar voor hij terugkeert voert hij de boze plannen uit die hij koestert tegen het heilig verbondsvolk. [29] Op een bepaald tijdstip valt hij opnieuw het zuiden binnen, maar de tweede keer zal het niet gaan zoals de eerste. [30] Want* de schepen van de Kittiërs zullen tegen hem uitvaren, zodat hij ontmoedigd moet terugkeren. Op zijn terugweg koelt hij daadwerkelijk zijn woede op het heilig verbond door opnieuw zijn belangstelling te laten uitgaan naar degenen die het heilig verbond verzaken. [31] Door hem gezonden troepen zullen de tempelburcht schenden, een einde maken aan het dagelijks* offer en de huiveringwekkende* gruwel oprichten. [32] Degenen die het verbond slecht onderhouden probeert hij door vleierijen tot afvalligheid te brengen, maar het volk dat zijn God kent is sterk en weerstaat de verleiding. [33] De wijzen onder het volk proberen de massa tot inzicht te brengen en daarom worden er een tijdlang wijzen gedood door zwaard en vuur, door kerker en roof. [34] Maar* wanneer zij worden aangevallen, wordt er door enkelen hulp geboden en dan zullen velen doen alsof ze zich bij hen aansluiten. [35] Sommigen van de wijzen worden gedood om gelouterd, gezift en gezuiverd te worden, tot de eindtijd komt, want die blijft nog een poos uit. [36] De koning zal doen wat hij wil; in zijn hoogmoed zal hij zich verheffen boven welke god ook en tegen de God der goden zal hij ongehoorde dingen zeggen. Toch zal hij welzijn genieten, totdat de toorn ten top gestegen is: dan wordt uitgevoerd wat besloten is. [37] Zelfs voor de goden van zijn voorvaderen en de lievelingsgod van de vrouwen heeft hij geen achting; geen enkele god ontziet hij maar hij zal zich boven iedereen uittillen [38] en zich vereenzelvigen met de god van de burchten die hij vereert; een god die zijn voorvaderen niet gekend hebben, zal hij eren met goud en zilver, edelstenen en kostbaarheden. [39] Met de vreemde god sticht hij sterke steden: degenen die deze god erkennen overlaadt hij met eer, hij laat ze over velen macht uitoefenen en geeft hun grond als beloning. [40] Maar in de eindtijd zal de koning van het zuiden met hem in botsing komen. De koning van het noorden zal op hem afstormen met wagens, ruiters en veel schepen. Dan zal hij landen binnenvallen en op zijn doortocht zal hij ze verpletteren. [41] Ook het glorievolle land zal hij binnendringen en tienduizenden zullen vallen; maar Edom, Moab en de kern van de Ammonieten zullen aan zijn aanval ontkomen. [42] Dan strekt hij zijn hand uit naar de landen en Egypte zal er niet aan ontsnappen; [43] hij verovert de schatten aan goud, zilver en allerlei kostbaarheden van Egypte. Ook Libiërs en Ethiopiërs voert hij mee in zijn stoet. [44] Maar dan zullen geruchten uit het oosten en het noorden hem alarmeren en woedend rukt hij weer uit om velen te verdelgen en te vernietigen; [45] hij zal zijn legers opslaan tussen de zee en de heilige* glorierijke berg. Dan komt hij aan zijn einde zonder dat iemand hem bijstaat.
Hoofdstuk 11 [1] In het eerste jaar van Darius de Mediër steunde en beschermde ik hem. [2] En nu zal ik je de waarheid vertellen.
Er zullen nog drie koningen in Perzië opstaan, en de vierde zal een grotere rijkdom bezitten dan alle eerdere. Als hij door zijn rijkdom macht verworven heeft, zal hij alles en iedereen opzetten tegen het Griekse rijk. [3] Daarna staat er een heldhaftige koning op, die met groot gezag regeert en doet wat hij wil. [4] Maar nauwelijks is hij opgestaan, of zijn koninkrijk stort ineen en wordt opgedeeld naar de vier windrichtingen. Zijn rijk valt niet aan zijn nakomelingen toe en is niet zo machtig als toen hijzelf heerste, want het wordt uiteengerukt, het komt aan anderen dan de zijnen toe. [5] De koning van het Zuiden zal machtig worden, maar een van zijn vorsten wordt nog machtiger dan hij en zal in zijn plaats heersen; zijn heerschappij zal zich over een groot gebied uitstrekken. [6] Na verloop van jaren sluiten zij een verbintenis: de dochter van de koning van het Zuiden zal huwen met de koning van het Noorden om de vrede te bezegelen, maar zij zal haar invloed niet behouden en zijn macht zal evenmin blijven bestaan. Op zeker moment wordt zij uitgeleverd, evenals haar gevolg, de man die haar verwekte en de man die haar tot vrouw nam. [7] Een van haar verwanten treedt in diens plaats, trekt op tegen het leger en dringt de vesting van de koning van het Noorden binnen; hij komt als overwinnaar uit de strijd. [8] Zelfs hun goden, hun gegoten beelden en hun kostbare voorwerpen van zilver en goud voert hij als buit naar Egypte. Daarna laat hij de koning van het Noorden enkele jaren met rust. [9] Deze op zijn beurt zal het rijk van de koning van het Zuiden binnenvallen, maar daarna zal hij naar zijn eigen land terugkeren. [10] Zijn zonen zullen zich wapenen voor de strijd en een menigte grote legers ronselen. Hun legermacht trekt op, voortrazend als een vloedgolf, en komt bij een tweede veldtocht tot aan de vesting van de vijand. [11] Dit verbittert de koning van het Zuiden, hij trekt ten strijde tegen de koning van het Noorden. Deze brengt een grote menigte op de been, maar die valt in handen van zijn tegenstander. [12] En wanneer de menigte is weggevaagd wordt de koning van het Zuiden hoogmoedig; tienduizenden velt hij, maar toch is hij niet machtig. [13] Opnieuw brengt de koning van het Noorden een menigte op de been, groter nog dan de eerste. Na enige jaren trekt hij op met een groot leger dat geweldig is toegerust. [14] In die tijd komen velen tegen de koning van het Zuiden in opstand; wettelozen uit je eigen volk komen in verzet om een visioen te verwerkelijken, maar zij komen ten val. [15] De koning van het Noorden zal komen, een bestormingswal opwerpen en een versterkte stad innemen. De strijdkrachten van het Zuiden kunnen geen stand houden, zelfs hun keurtroepen slagen er niet in weerstand te bieden. [16] De aanvaller doet wat hij wil, er is niemand die tegen hem standhoudt. Zo vestigt hij zich ook in het Sieraadland, waar hij verderf zal zaaien. [17] Hij neemt zich voor nog verder op te trekken tegen zijn vijand en spreekt daarvoor de hele kracht van zijn koninkrijk aan. Om diens rijk te gronde te richten, treft hij een vergelijk met hem; hij geeft hem een dochter tot vrouw, maar het loopt anders en het baat hem niet. [18] Dan laat hij zijn oog vallen op de kustlanden en verovert er vele, maar een bevelhebber maakt een einde aan zijn hoogmoedig optreden zonder dat dit vergolden kan worden. [19] Daarna keert hij zich tegen de vestingen van zijn eigen land, maar hij komt ten val en verdwijnt. [20] In zijn plaats staat een heerser op die er iemand op uitstuurt om schatting te innen tot meerdere eer van het koninkrijk, maar hij wordt binnen enkele dagen gebroken, al is het niet door toorn of strijd. [21] In zijn plaats staat een verachtelijk man op, aan wie geen koninklijke waardigheid is verleend. Hij komt uit het niets en weet het koningschap door sluwheid te verwerven. [22] Binnenvallende strijdkrachten worden door hem overrompeld en gebroken, zo ook een leider van het verbond. [23] Wie zich met hem verbindt, wordt door hem bedrogen. Zo werkt hij zich omhoog en wordt hij machtig, al heeft hij maar weinig aanhangers. [24] Onverhoeds komt hij in de vruchtbaarste delen van de provincie en doet wat geen van zijn voorouders ooit heeft gedaan: roofgoed, buit en rijkdom strooit hij voor zijn aanhangers uit. Ook tegen versterkte plaatsen smeedt hij plannen, maar dat duurt slechts korte tijd. [25] Hij zal zijn krachten verzamelen en met een groot leger optrekken tegen de koning van het Zuiden. De koning van het Zuiden zal zich opmaken voor de strijd met een zeer groot en krachtig leger, maar hij zal geen stand kunnen houden, want men zal een aanslag tegen hem beramen. [26] Zijn eigen disgenoten bewerkstelligen zijn ondergang, zijn leger wordt onder de voet gelopen en er vallen vele doden. [27] Beide koningen hebben kwaad in de zin, al zitten ze samen aan één tafel. Ze misleiden elkaar maar het baat hun niet, want de vastgestelde tijd is nog niet aangebroken. [28] Dan keert de koning van het Noorden beladen met rijkdommen naar zijn land terug, vol haat tegen het heilig verbond. Zo zal hij optreden en naar zijn land terugkeren. [29] Op de vastgestelde tijd zal hij opnieuw het Zuiden binnenvallen, maar de tweede keer verloopt anders dan de eerste. [30] Schepen van de Kittiërs vallen hem aan, zodat hij wordt afgeschrikt en rechtsomkeert maakt. Eenmaal terug richt hij zijn woede tegen het heilig verbond en besteedt hij zijn aandacht aan hen die het heilig verbond verzaken. [31] Hij brengt strijdkrachten op de been; die zullen het heiligdom, de vesting, ontwijden, het dagelijks offer afschaffen en een verwoesting brengend afgodsbeeld oprichten. [32] Degenen die zich niet houden aan het verbond, verleidt hij op listige wijze tot afvalligheid, maar degenen die hun God trouw zijn zullen zich met kracht verzetten. [33] De verlichten onder het volk brengen velen tot inzicht, maar een tijd lang worden zij te vuur en te zwaard bestreden, gevangengezet en beroofd. [34] Tijdens hun onderdrukking krijgen ze enige hulp, al zullen velen zich onder valse voorwendselen bij hen aansluiten. [35] Maar ook sommige van de verlichten komen ten val; mogen zij worden gelouterd, gereinigd en gezuiverd tot aan de eindtijd, want de vastgestelde tijd is nog niet aangebroken. [36] De koning doet wat hij wil. Hij wordt hoogmoedig en stelt zich boven iedere god, en tegen de God der goden spreekt hij lasterlijke woorden. Toch zal hij in voorspoed leven totdat de toorn is uitgewoed, want wat besloten is moet worden uitgevoerd. [37] Ook op de goden van zijn voorouders slaat hij geen acht, noch op de bij vrouwen geliefde god, noch op enige andere god, want hij stelt zich boven alle goden. [38] In plaats daarvan vereert hij de god van de vestingen; met goud, zilver, edelstenen en andere kostbaarheden vereert hij een god die zijn voorouders nooit gekend hebben. [39] Versterkte vestingen valt hij aan met hulp van die vreemde god. Allen die hem erkennen, overlaadt hij met eerbewijzen en maakt hij heerser over velen; als beloning geeft hij hun grond. [40] In de eindtijd zal de koning van het Zuiden met hem in botsing komen en de koning van het Noorden zal hem bestormen met wagens en ruiters en talloze schepen. Hij zal landen binnenvallen en er als een vloedgolf doorheen razen. [41] Ook het Sieraadland valt hij binnen. Velen worden onderworpen, alleen de volgende volken zullen aan hem ontkomen: Edom, Moab en het belangrijkste deel van de Ammonieten. [42] Hij wordt heer en meester over vele landen, ook Egypte ontkomt niet aan hem. [43] Hij eigent zich de goud- en zilverschatten en de andere kostbaarheden van Egypte toe. Libiërs en Nubiërs maken deel uit van zijn gevolg. [44] Maar geruchten uit het oosten en het noorden zullen hem opschrikken, en hij zal in grote woede uittrekken om velen te verdelgen en te vernietigen. [45] Hij zal zijn koninklijke tenten opslaan tussen de zee en de berg van het heilig Sieraad, maar dan vindt hij zijn einde zonder dat iemand hem helpt.
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.