Hoofdstuk 7 Eerste visioen [1] Dit liet de Heer god mij zien: Hij vormde een zwerm sprinkhanen, toen het nagras begon op te komen, het nagras na de oogst voor de koning. [2] En toen zij al het groen op het land hadden afgevreten, riep* ik: ‘Heer god, vergeef ons! Hoe moet Jakob dit overleven? Hij is zo klein!’ [3] Toen kreeg de heer er spijt van. ‘Het zal niet gebeuren,’ sprak de heer.
Tweede visioen [4] Dit liet de Heer god mij zien: de Heer god riep op tot een geding door het vuur. Het vuur verteerde de grote* vloed en het verteerde het bouwland. [5] Maar ik riep: ‘Heer god, houd toch op! Hoe moet Jakob dit overleven? Hij is zo klein!’ [6] Toen kreeg de heer er spijt van. ‘Ook dit zal niet gebeuren’, sprak de Heer god.
Derde visioen [7] Dit liet de Heer god mij zien: de Heer stond bij een loodrechte muur met een paslood* in zijn hand. [8] En de heer vroeg mij: ‘Wat ziet u, Amos?’ Ik antwoordde*: ‘Een paslood.’ Toen zei de Heer: ‘Let op! Ik laat het paslood dwars door mijn volk Israël gaan; Ik ga niet langer genadig aan hen voorbij.
Offerhoogten* van Isaak* worden verwoest,
Israëls heiligdommen worden in puin gelegd,
en tegen het huis Jerobeam keer Ik mij met het zwaard.’
[10] Toen* stuurde Amasja, de priester van Betel, Jerobeam, koning van Israël, deze boodschap: ‘Binnen uw eigen huis Israël smeedt Amos een komplot tegen u; het land is niet bestand tegen al zijn dreigementen. [11] “Want”, zo spreekt Amos, “Jerobeam zal sterven door het zwaard en Israël wordt van zijn eigen grond verbannen.” ’ [12] En Amasja zei tegen Amos: ‘Ziener*, maak dat u wegkomt! Verdwijn naar Juda en verdien daar uw brood maar met profeteren! [13] Hier in Betel mag u niet meer profeteren, want dit heiligdom is van de koning en dit gebouw is van het rijk.’ [14] Amos* antwoordde Amasja: ‘Ik ben geen profeet of lid van een profetengilde, ik ben veehoeder en vijgenkweker. [15] Maar de heer heeft mij achter mijn beesten weggehaald en de heer heeft mij gezegd: “Ga als profeet naar mijn volk Israël.” [16] Dus luister naar het woord van de heer. U zegt: “U mag tegen Israël niet profeteren, tegen het huis Isaak niet uw woorden spuien.”
“Uw vrouw zal in deze stad ontucht plegen,
uw zonen en dochters zullen omkomen door het zwaard,
uw eigen grond zal door een meetlint verkaveld worden;
zelf zult u op onreine grond* sterven
en Israël wordt van zijn eigen grond verbannen.” ’
Hoofdstuk 7 Visioenen [1] Dit heeft God, de HEER, mij laten zien: Ik zag hoe hij een zwerm sprinkhanen schiep net toen het nagras opkwam. (Dat is het gras dat opkomt nadat er voor de koning al gemaaid is.) [2] En toen de sprinkhanen ook het laatste groen van het land wegvraten, zei ik: ‘HEER, mijn God, vergeef het volk van Jakob toch, hoe zou het dit kunnen overleven? Het is zo klein!’ [3] Toen kreeg de HEER medelijden: ‘Het zal niet gebeuren,’ zei de HEER. [4] Dit heeft God, de HEER, mij laten zien: Ik zag hoe God, de HEER, bevel gaf om het land met vuur te straffen. De vlammen verteerden het water in de diepte, en toen ze over het land sloegen [5] zei ik: ‘HEER, mijn God, ik smeek u: houd op hiermee! Hoe zou het volk van Jakob dit kunnen overleven? Het is zo klein!’ [6] Toen kreeg de HEER medelijden: ‘Ook dit zal niet gebeuren,’ zei God, de HEER. [7] Dit heeft hij mij laten zien: Ik zag hoe de Heer op een loden muur stond met een loden voorwerp in zijn hand. [8] En de HEER vroeg mij: ‘Wat zie je, Amos?’ Ik antwoordde: ‘Lood.’ Toen zei de Heer: ‘Een loden last zal ik mijn volk Israël opleggen, ik zal het niet langer sparen. [9] De offerhoogten van Isaaks volk zullen worden verwoest, de heiligdommen van Israël zullen in puin vallen, en ik zal het huis van Jerobeam treffen met het zwaard.’
[10] Toen stuurde Amasja, de priester van Betel, deze boodschap aan Jerobeam, de koning van Israël: ‘Amos hitst de Israëlieten tegen u op; het volk zal geen weerstand aan zijn woorden kunnen bieden. [11] Hij zegt dat u, Jerobeam, door het zwaard zult sterven en dat Israël van zijn grond zal worden verbannen.’ [12] Daarna zei hij tegen Amos: ‘Ziener, verdwijn! Ga naar Juda en verdien daar je brood, ga daar maar profeteren. [13] Hier in Betel mag je niet langer profeteren, want dit is het heiligdom van de koning, de tempel van het koninkrijk.’ [14] Maar Amos antwoordde Amasja: ‘Ik ben helemaal geen profeet, en ook geen profetenleerling. Ik ben veeboer en vijgenteler. [15] Maar de HEER heeft me van achter mijn schapen vandaan gehaald, en het is de HEER die tegen me heeft gezegd: “Ga naar mijn volk Israël en profeteer daar.” [16] Luister daarom naar de woorden van de HEER. Jij zegt dat ik niet mag profeteren in Israël, geen profeet mag zijn voor Isaaks volk. [17] Daarom – zegt de HEER – zal je vrouw in de stad als hoer moeten leven, zullen je zonen en dochters sterven door het zwaard en zal je land in stukken worden verdeeld. Jijzelf zult op onreine grond sterven en Israël zal van zijn grond worden verbannen.’
De Katholieke Bijbelstichting (KBS) zet zich in voor de verspreiding van de Bijbel in het Nederlands taalgebied, en voor de bevordering van de liefde voor, omgang met en kennis van de Bijbel als geloofs- en cultuurboek.
De KBS realiseert haar doelstelling ondermeer door de instandhouding van deze bijbelwebsite. Zonder uw steun kan de KBS deze dienstverlening en andere projecten niet verwezenlijken. Uw gift, hoe groot of klein ook, is dan ook zeer welkom.